Zusters Augustinessen. Voor God en de mensen

Meer dan een halve eeuw was er op nummer 159 in de Warmoesstraat een klooster gevestigd: Maria’s Bezoek. Hier bekommerden de zusters Augustinessen van St. Monica zich over de kwetsbare mensen in de buurt. 

Ze waren in de binnenstad een bekende verschijning: de zusters Augustinessen van St. Monica. Hun naam was ontleend aan de 4de-eeuwse Monica van Thagaste, de moeder van kerkvader Augustinus, maar ze werden kortweg ‘de zusters’ genoemd en iedereen wist dan over wie het ging.  

’s Zomers waren ze in het wit gekleed en ’s winters in het zwart. ‘Dat had een eenvoudige reden,’ vertelt zuster Renée van Dijck, 87 en inmiddels woonachtig in Utrecht. ‘We droegen wit in de zomer omdat het wat luchtiger was. Dat had weer te maken met een groepje zusters dat meeliep in de Nijmeegse Vierdaagse. Dan kun je het in een zwart habijt erg warm krijgen. Het had geen speciale betekenis.’ En de groene bies? ‘Die zat er alleen op om het wat kleur te geven.’ 

De congregatie werd in 1934 opgericht in Utrecht door de Augustijn Sebastianus van Nuenen. Ze werd genoemd naar de moeder van Augustinus, omdat er al een Orde van Augustinessen bestond. Van Nuenen was pastoor in Wijk C, een man van de straat en zeer bemind, aldus Van Dijck, die op een maandje na net zo oud is als de congregatie. Die was onder meer bedoeld om de vrouwen van de arme gezinnen in de wijk in de crisisjaren te ondersteunen bij hun huishoudelijke taken. 

Al snel breidde de congregatie zich uit met vestigingen in Hilversum, Maastricht, Sittard en Arnouville, een plaatsje ten noordoosten van Parijs, en een klooster in Amsterdam: Maria’s Bezoek. Daar vestigden de zusters zich in een oude textielfabriek in de Warmoesstraat, om er te leven volgens het adagium van Augustinus: ‘Gewoon er te zijn voor God en de mensen.’ Zuster Van Dijck: ‘Het ging ons vooral om het samenleven met elkaar. Om met elkaar te bidden op vaste tijden. En ja, ook om mensen in nood te helpen. We waren en zijn zowel contemplatief als actief.’ 

Meisjesstad 
De zusters begonnen er in 1952. Van meet af aan leefden ze van giften: in natura, als aangeboden diensten en in geld. Onmiddellijk stroomden ze binnen, soms tot wel 50 duizend gulden. Ze waren met z’n twintigen; later met iets meer. Zuster Van Dijck woonde zelf aan de Warmoesstraat van 1966 tot 1974 en opnieuw van 2005 tot 2010.  

Het startpunt van hun activiteiten in het hartje van de stad was de overname van de St. Antoniusschool aan de Kromboomsloot, tegenwoordig nog altijd te vinden aan de Lastageweg. Van Dijck: ‘Dat had te maken met het feit dat we veel zusters hadden die in het onderwijs zaten. Via die kinderen zouden we dan contact krijgen met de gezinnen, was de gedachte.’  

Van lieverlee verschoof het accent echter naar ‘meisjes en vrouwen die op straat liepen’, zoals de zuster het omschrijft. ‘Niet alleen prostituées, maar ook vrouwen met relatieproblemen. En ongehuwde moeders natuurlijk. In die tijd was dat nog een schande. We hebben jonge vrouwen gehad, maar ook dames van 75, en kinderen van één dag oud. Meisjes die verloren liepen kregen een thuis. Ze vonden bij ons onderdak en gezelligheid, dat was het idee. We noemden de opvang “Meisjesstad”.’ 

Het klooster had veertien overnachtingsplekken – kleine kamertjes, meer was het niet, en die zaten meestal vol. Bij elkaar klopten er wel zo’n driehonderd vrouwen per jaar aan, schat Van Dijck. Ze kwamen veelal binnen via de politie of een crisisdienst die op zoek was naar tijdelijk onderdak. Bij de zusters konden de vrouwen zo’n week of drie blijven, tot er een vervolgoplossing was gevonden. Daarna werden ze bij andere instanties ondergebracht. Joep de Groot, de wijkagent van de Wallen in die dagen, vertelde in 2008: ‘Ik ken de nonnen al een jaar of veertig. De zusters hebben een heel goede naam opgebouwd. Dit is een van de weinige instellingen waar ze niet zeuren over een behandelplan. Ik kan hier altijd aankloppen. Ik zat midden in de nacht met een gezin, een vrouw met vijf kinderen, en kon ze hier kwijt.’ 

Rijen daklozen 
Ondertussen ging het gewone leven in het klooster gewoon door, met vier gebedstijden per dag. Om zeven uur ’s morgens was het lauden en om half zes ’s avonds de vespers, het avondgebed. Na de maaltijd volgde de metten, de lezingendienst met psalmen en gezangen, gevolgd door de completen, de dagsluiting. Daarna, rond een uur of half tien, trokken de zusters zich in stilte terug op hun kamer.  

Het meest duidelijk naar de buitenwereld manifesteerden de zusters zich op de dagen dat er brood werd uitgedeeld. Dan vormde zich om half twaalf in de ochtend een lange rij daklozen bij de ingang van het klooster. Tachtig tot honderd man was geen uitzondering. Onder leiding van de legendarische zuster Lioba Kandelaar, die werd omschreven als ‘hartelijk maar ook streng’, deelden de zusters brood uit dat in de bakkerijen her en der in de buurt was overgeschoten van de vorige dag.  

Van Dijck: ‘We gebruikten dat ook in de avondopvang, want die was er ook. Dan was er koffie met gesmeerde broodjes en kon er een kaartje worden gelegd. Bij elkaar zat er dan al snel zo’n zestig man binnen. We kregen daarbij veel hulp van studenten. We hebben eigenlijk maar weinig te maken gehad met agressie.’ 

Oliebollen van de Bijenkorf 
Voor hun zwervende clientèle kwamen er ook spontane giften binnen – Van Dijck herinnert zich veertig paar sokken. Aanvankelijk deelden ze ook kleding uit, maar daar zijn ze na zo’n dertig jaar mee gestopt omdat het te veel werk was. Een zuster vroeg in 1967 eens aan een man die voor kleding kwam waarom hij niet ging werken. ‘Ja zuster, maandag, maandag,’ was het antwoord. De zuster: ‘Ze gaan altijd ’s maandags aan het werk.’  

Ontdek Ons Amsterdam

Wil jij alles weten over de fascinerende geschiedenis van Amsterdam?

Abonneer je Arrow right Geef cadeau Arrow right

Totdat het niet meer mocht van de Keuringsdienst van Waren waren de zusters altijd welkom op de Amsterdamse groenteveiling. De overschotten van de dag gingen mee naar de Warmoesstraat. Aardappels kregen ze van boeren uit de Noordoostpolder. Elke kerst kregen ze snert van hotel-restaurant De Roode Leeuw op het Damrak en ook overgeschoten oliebollen van de Bijenkorf gingen naar de zusters. Ze waren niet afhankelijk van subsidie. Dat was een principezaak. Van Dijck: ‘We leefden van wat de mensen ons gaven. Dat is altijd zo geweest.’  

Contact met andere organisaties die zich op hetzelfde vlak bewogen als de zusters was er uiteraard ook. Er werd onder meer samengewerkt met Oudezijds 100, een oecumenische instelling die sinds 1955 actief was op de Wallen, maar ook met het Leger des Heils van majoor Bosshardt. Zo was er jarenlang een gezamenlijke kerstviering met prostituees waar het Leger bij betrokken was.  

Vanaf het begin waren er banden met de St.-Nicolaaskerk van pastoor Stam, maar ook al snel met de protestantse Oude Kerk onder leiding van de dominees De Vries en Reefhuis. In de Werkgroep Getijden werden gezamenlijke diensten georganiseerd. Zo kon het gebeuren dat de rooms-katholieke zusters luisterden naar een protestantse dominee. ‘We hadden goed contact met elkaar en we kwamen graag in de Oude Kerk. Ze hebben er wel eens een collecte gehouden voor ons werk.’ 

Dirk van den Broek 
Met het verdwijnen van de zusters uit de Warmoesstraat kwam een einde aan een oude traditie: kloosters in de binnenstad van Amsterdam. Ooit waren het er negentien, maar dat was in de Middeleeuwen toen Amsterdam nog een katholieke stad was en er in geen velden of wegen een protestant te vinden was, laat staan een atheïst.  

In 2008 waren er nog elf zusters over; op 1 februari 2010 vertrokken ook de laatste vijf en werd het klooster een Dirk van den Broek. Door burgemeester Cohen kregen de zusters allemaal het gouden Ereteken van Verdienste opgespeld en buurman Krasnapolsky zorgde voor een zaal en een koffietafel bij hun afscheid. 

Zuster Renée van Dijck: ‘We vonden het erg om te moeten vertrekken uit de Warmoesstraat, maar we hadden geen keus. We waren oud en er was geen jonge aanwas. Vroeger was het gewoon dat een lid van het gezin pastoor werd of naar het klooster ging. Toen ik zestig jaar geleden mijn intrede deed was dat nog zo. Tegenwoordig heeft de jeugd veel meer keus.’  

De supermarkt eert de zusters met een foto die nog altijd in de zaak hangt waarop drie van de laatste bewoonsters te zien zijn. De oude Dirk van den Broek was zelf aanwezig bij de onthulling. 

Header: Een foto van de drie laatste bewoners hangt in de Dirk van den Broek die nu in het pand is gevestigd. Foto van Froukje Holtrop.

Delen:

Buurten:
Centrum
Dossiers:
Religie
Editie:
April
Jaargang:
Rubriek:
Verhaal
Tijdperk:
1950-2000