Zomer 1920: Internationale Kino-tentoonstelling in het Concertgebouw

Aan ambities was geen gebrek. Zes weken lang was er in het chique Concertgebouw een internationale tentoonstelling over de film. De Nederlandse filmwereld wilde in 1920 iets bewijzen: de ‘cinematografie’ was geen ratjetoe van slechte smaak, maar ‘een nieuwe kunst’.

De ‘nieuwigheden’ buitelden over elkaar heen in de zomer van 1920 op de Internationale Kino-Tentoonstelling in het Concertgebouw. De betrekkelijk jonge filmwereld wilde laten zien wat zij allemaal niet in huis had. Zo was er een standhouder die een apparaat presenteerde om een film bij vol daglicht in een schoolklas te vertonen. Prijskaartje:f 2500,-. “Velen zullen misschien zeggen, dat die vinding nooit gedaan had moeten zijn. Maar ze is er nu eenmaal”, schreef een verslaggever. Wie f 1500,- op tafel legde, mocht zich de eigenaar noemen van een echte huisbioscoop: een eikenhouten boekenkastje met glazen deurtjes en groene gordijntjes. Voor handelsreizigers was er de ‘Lilliput-Kino’ om instructiefilmpjes over bij voorbeeld machines te laten zien. Het toestelletje woog vijf kilo, was verpakt in een handige draagbare blikken trommel en kostte f 250,-.

Een beurs voor de filmbranche. Niet in een fabriekshal of in het Paleis voor Volksvlijt op het Frederiksplein, wat voor de hand had gelegen. Maar nota bene in het chique Concertgebouw aan het Museumplein, een uithoek van de stad. Alle stoelen uit de grote zaal waren eruit gehaald om ruimte te bieden aan stands. De bovenfoyer fungeerde als bioscoopzaaltje, een ruwhouten loods in de tuin als filmstudio. In de zwartgemaakte gang aan de zijde van het Jan Willem Brouwerplein konden geïnteresseerden het ontwikkelen en kleuren van films volgen.

Aan ambities was geen gebrek. Een persbericht van het secretariaat in Den Texstraat 47 ronkte over “de ontzaglijke ontwikkeling van de filmindustrie in korten tijd”. De tentoonstelling moest een prachtige uitstalkast zijn van “alles wat behoort tot het gebied der Cinematografie, Fotografie, Theater- en Atelierinrichting”. Filmbedrijven uit de hele wereld zouden hun allernieuwste opnameapparatuur en filmprojectoren presenteren. Achteraf klinkt het als een voorloper van de International Broadcasting Conference (IBC) in de RAI, waar jaarlijks zo’n 40.000 professionals uit de hele wereld op afkomen.

 

Prikkelend

De filmmanifestatie van 12 augustus tot 21 september 1920 was veel meer dan een beurs voor vakbroeders. De bioscopen, die in de eerste decennia van de nieuwe eeuw met duizelingwekkende snelheid in alle steden en dorpen van de wereld uit de grond werden gestampt, lagen zwaar onder vuur. Moord, doodslag, ontrouw, overspel – ze gingen in de duistere zalen van de landen rond als een virus. Zelfcensuur ontbrak bij de filmmakers, plaatselijke overheden hanteerden regelmatig de schaar. Uit de rijen van opvoeders en kerken klonken de protesten luider en luider. Tegen bijvoorbeeld de Aufklärungsfilms, erotische films die onder het mom van wetenschap “de hartstochten moeten prikkelen”.
Het Concertgebouw was niet voor niets gekozen. De tentoonstelling moest film een betere naam bezorgen. Het was een laatste poging om Charles Chaplin, Abel Gance en al die anderen op één lijn plaatsen met Bach en Beethoven. Tegen de vooroordelen over film. Tegen ‘de excessen’. “Excessen gelijk echter ook in de litteratuur en bij het tooneel voorkomen, zonder dat men nu juist daarom literatuur en tooneel veroordeelt.” Ook film was kunst.

Het filmbedrijf kon in het Concertgebouw laten zien dat er sinds de rondreizende kermisbioscoop veel was veranderd. “Het zal dan ook de taak wezen op deze tentoonstelling, wil zij werkelijk vruchten afwerpen voor het bioscoopbedrijf, aan te toonen, dat de vermaaksbioscoop een nieuwe kunst is”, schreef bioscoopexploitant, regisseur en producent Johan Gildemeijer in het blad Kunst en amusement (1920).

Uniek was het Amsterdamse initiatief niet. De Franse filmindustrie had geijverd voor een soortgelijk evenement in het Grand Palais in Parijs. Maar in de schaduw van de Eerste Wereldoorlog weigerden de Franse organisatoren de belangrijke Duitse filmindustrie uit te nodigen. In de ogen van Gildemeijer, voorzitter van het uitvoerend comité van de Internationale Kino-Tentoonstelling, was de manifestatie in het neutrale Nederland ook een verzoeningpoging tussen de Franse en Duitse filmindustrie.  

 

Wegblijvers

Het zat de organisatoren niet mee. De oorspronkelijke openingsdatum werd niet gehaald. Burgemeester Jan Willem Tellegen, erevoorzitter van het organisatiecomité, bleef om onduidelijke redenen weg bij de opening. “De voornaamste filmfabrieken van Frankrijk, Italië, Denemarken, Duitschland, Oostenrijk, Engeland en Amerika zullen vertegenwoordigd zijn”, schreef de organisatie vóór de opening. Maar Amerikaanse firma’s lieten verstek gaan, de Engelsen waren mager vertegenwoordigd. De Duitse inzending, met onder meer de firma Krupp (“Ze laat haar kanonnenstaal nu omsmeden tot kino’s.”), overtrof in omvang de Franse, met Pathé en Gaumont. “Wie meende dat wij ons na den verloren oorlog van de wereldmarkt zouden laten afdringen, die had het mis”, lieten de Duitsers triomfantelijk weten. In de gelederen van Nederlandse bioscoopexploitanten klonk vooral gemor. Waarom werd de wekelijkse filmbeurs in Krasnapolsky, met in de buurt talloze fijne cafés en restaurants, verplaatst naar het verre Zuid?

Het charmeoffensief van het filmbedrijf leek niettemin te slagen. Minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen Johannes de Visser liet zijn gezicht zien op de tentoonstelling. David van Staveren, directeur van de gemeentelijke schoolbioscoop in Den Haag, leidde hem samen met filmproducent en filmmaker Willy Mullens rond. Ze demonstreerden onder meer de “zogenaamde stilstand-projector”, een apparaat speciaal voor het onderwijs dat “op ieder oogenblik tot stilstand kan worden gebracht – als de docent dit noodig acht – zonder dat hierdoor brandgevaar ontstaat”.

Ook was er nog de ‘Hochformator’ van de Duitse ingenieur en regisseur Fritz Kaufmann, waardoor “naast de tot dusver gebruikelijke dwars-beelden, ook hoogte-beelden” konden worden vertoond. “Dit is van het grootste belang, aesthetisch gesproken. Het tafereel of tooneel heeft bij de horizontale opname vaak iets gedrukts en hoogte-beelden, zooals een boom (bijv. een populier) en een toren (men denke bijv. aan eene Gothische kerk met hare opstrevende lijnen) komen slechts gedeeltelijk op het doek, of heel uit de verte.”

 

Schiettent

In de stand van de Universum Film Akt. Geselschaft (UFA) uit Berlijn kon De Visser zijn hart ophalen aan onderwijsfilms op welhaast elk gebied: van zoölogie, biologie, geografie en techniek tot landbouwkunde en medische wetenschap. Amsterdamse doktoren, verpleegsters en studenten bezochten een speciale vertoning van een film over geslachtsziekten. “Ze werden in al hunne afschuwelijkheid op het doek gebracht. De vertooning was niet toegankelijk voor het publiek. Wat eigenlijk jammer was. Want Jan Publiek kon hier veel leeren.”

De minister was enthousiast.“De film is een belangrijke factor in de cultuur gebleken, vooral in verband met de hoogere technische ontwikkeling van de Cinematographie verwacht ik voor het onderwijs veel van de film.” Andere autoriteiten noemden film “een bij uitstek nuttig element in onze volksbeschaving”, in te zetten “voor propagandadoeleinden van allerlei aard”.

Maar het programma van de tentoonstelling verraadde ook tweespalt. De kermis en het amusement waren niet ver weg. Sommigen zagen bioscoopexploitanten en filmdistributeurs als een soort filmboeren, een imago dat ze in het Concertgebouw niet helemaal konden wegpoetsen. In het “opneem theater” in de tuin werden de winnaars van een wedstrijd voor amateurdansparen op het celluloid vastgelegd. Net als het ‘mooiste meisje van de stad’ en een worstel- en bokswedstrijd voor amateurs.

Curieuze bezoekers waren er ook. De commandant van de Stelling van Amsterdam en zijn collega van de Burgerwacht toonden interesse in de “bioscopischen schietstand”, een schiettent waar het publiek kon mikken op “levende kino-beelden”. Zeg maar een verre voorloper van een videospelletje. “Zoodra een schot gelost is, vertoont zich in het doek – ter plaatse waar dit geraakt wordt – een lichtje, en blijft het beeld een paar tellen stilstaan, zoodat de schutter in staat is zijn schot nauwkeurig te controleeren.”

 

Annie Bos

Het artistieke hoogtepunt van de tentoonstelling was het optreden van de Deens-Duitse filmdiva Asta Nielsen. In de tuinstudio werd de korte film Vendetta opgenomen, met haar en de Duitse ster Erna Morena. Het resultaat was te zien in de tot bioscoop omgebouwde kleine zaal. De criticus van Het Volk schreef laaiend enthousiast: “Reeds in dit kleine ‘tooneeltje’ ging er iets van haar uit, dat het begrijpelijk maakte, hoe deze eigenaardige vrouw haar wereldnaam won. Haar gelaatsuitdrukking, het spel van haar wondere oogen, van haar nog vreemder tragische mond, van haar tengere, fijne, voorname en uiterst intelligente handen, het is alles zoo volmaakt, dat het allersprekendste eenemale overbodig maakt. Als de kanaljeuze vrouw, die in het leven van een man komt gelijk een ziekte, waaraan hij sterven moet, is zij wellicht het sterkst.”

De tentoonstelling ontpopte zich tenslotte ook als een minifestivalletje à la Cannes. Een jury met onder anderen Amsterdamse beeldhouwster Jo Schreve-IJzerman, de Amsterdamse beeldhouwer Abraham Hesselink en de schilder Simon Maris, aangevuld met een paar “geregelden bezoeksters van den bioscoop”, bekroonde uit naam van het blad De Kunst de drie meest artistieke films. La deuxième symphonie van regisseur Abel Gance won de eerste prijs, Es werde Licht (Richard Oswald) de tweede. L’Oiseau bleu (Jacques Tourneur) en The Cure (Charles Chaplin) deelden de derde plaats. Volgens Gildemeijer sloeg de wedstrijd bij het publiek enorm aan: het bezoek zou erdoor zijn verdubbeld.
De organisatie strooide ook met gouden en zilveren medailles en diploma’s, zoals in die tijd gebruikelijk op tentoonstellingen. Filmfabriek Hollandia in Haarlem ontving een medaille voor Cinematografie, het bekende portretfotoatelier van Jacob Merkelbach een diploma in de categorie Vakfotografie. De beste en interessantste technische inzending kwam van de Gemeente-Electriciteitswerken, verantwoordelijk voor de hoogspanningsinstallatie in de filmstudio in de tuin. En onze eigen eerste filmdiva Annie Bos ontving van gemeenteraadslid Arpad Weiss (Neutraal Blok aller Middenstanders) een vergulde zilveren medaille als de beste Nederlandse filmactrice die in het theater van de tentoonstelling had opgetreden.

 

Kritiek
De prijzenregen kon het fiasco niet verbloemen. Het aantal bezoekers viel tegen, de begroting vertoonde een gapend gat. Een paar dagen voor het slotfeest stelde Wieger Idzerda, cameraman, regisseur en auteur van boeken over fotografie, in De Groene een pijnlijke vraag of ons land wel de aangewezen plaats was voor een internationale filmtentoonstelling. Hij had de organisatoren geadviseerd de zaak af te gelasten: te weinig voorbereidingstijd, te veel onrust tussen Duitsland en Frankrijk. Zijn advies was in de wind geslagen.

Hij was gaan kijken. In de tuin van het Concertgebouw zag hij bij het licht van zes Jupiter-lampen de opname van een scène gespeeld door Willem van der Veer, Anna Waldeck en Jean Stapelveld. Zuinigjes: “Wat daar gegeven werd was een stukje toneel, geen modern filmspel. Doch ’t was wel aardig. ’t Publiek ziet een topje van den sluier opgelicht, niet te veel, om de illusie niet te verliezen.” Er was in zijn ogen van helaas slechts één conclusie mogelijk: “De Nederlandse filmstukken houden geen gelijke tred met die van andere landen.” Om eraan toe te voegen: “Voor 15 jaren stond de bioscoop op de Kermis. Zij staat er feitelijk nog.”  

HARRY HOSMAN IS JOURNALIST. HIJ WERKT AAN HET PROJECT EN HET BOEK ‘AMSTERDAM IN FILM EN TV-SERIE’. 

 

Collectie Stadsarchief Amsterdam

 

Juli/Augustusnummer 2020

Ontdek Ons Amsterdam

Wil jij alles weten over de fascinerende geschiedenis van Amsterdam?

Meld je aan Arrow right Geef cadeau Arrow right
Delen:

Buurten:
Zuid
Dossiers:
Kunst en Cultuur
Editie:
Augustus Juli
Jaargang:
2020 72
Rubriek:
Verhaal
Tijdperk:
1900-1950