Woonoord Atatürk in Noord

In de volksmond heette het woonoord in Noord ‘Turkendorp’. Tussen 1966 en 1978 woonden Turkse gastarbeiders in de wit houten barakken aan de Klaprozenweg. Hier, waar in de jaren tachtig sociale woningbouw verrees, ligt de bakermat van de Turkse gemeenschap in Amsterdam. Tijdens zijn twaalfjarig bestaan kreeg het woonoord de functie van een sociaal centrum voor alle Amsterdamse Turken.

“Mijne heren, het is een genoegen u welkom in Amsterdam toe te roepen. Wij vertegenwoordigen deze mooie stad, waar u nieuwe huizen voor de inwoners zult gaan bouwen.” Met deze woorden werden de eerste 27 Turkse bewoners van woonoord Atatürk, genoemd naar de grondlegger van het moderne Turkije, verwelkomd. De 27 bouwvakarbeiders waren door bouwonderneming Intervam naar Nederland gehaald om het personeelstekort in de bouwsector enigszins te lenigen. De naoorlogse woningnood was nog altijd niet opgelost en Amsterdam wilde bouwen in de Bijlmer, Banne Buiksloot en Noord. In de Bouwnota uit 1964 ging de gemeente uit van 4500 woningen per jaar. Men wilde in ambtelijke termen een “sprong voorwaarts” maken. Maar met het personeelsbestand van de bestaande bouwondernemingen lukte dat niet en op wervingsacties kwam te weinig respons.

Woonkamer met acht stoelen
De bouwbedrijven stonden hierin niet alleen. Na een moeizame wederopbouwperiode was begin jaren zestig de welvaart groeiende. Diverse bedrijven kampten met personeelstekorten en besloten tijdelijke werknemers uit de Antillen, Turkije, Ierland, Spanje en Italië in te schakelen. De overheid reguleerde dit door begin jaren zestig met een aantal landen internationale uitwisselingsverdragen te sluiten.
In 1964 besloot een ambtelijke werkgroep onder voorzitterschap van de directeur van de Dienst Personeelsvoorziening Turkse gastarbeiders aan te trekken voor de bouw van nieuwe woningen. Deze tijdelijke bouwvakarbeiders zouden worden ondergebracht in een nog te bouwen woonoord. De gemeente stelde grond in Noord ter beschikking en een bedrag van ƒ 2.000.000. Intervam en het in Zaandam gevestigde Indeco Coignet stelden zich garant voor het ‘vullen van de bedden’. In hoog tempo verrees aan de Klarozenweg woonoord Atatürk, oftewel Atatürk Yurdu, waar in totaal plaats was voor 272 mannen. Een informatieve Turkstalige uitgave uit die tijd toont foto’s van de 34 wooneenheden. Een woonkamer met een lange tafel en acht stoelen. Twee slaapkamers voor elk vier mannen, keurig kastje in het midden, een wasgelegenheid met een lange wasbak en een toilet. De uitgave bevatte verder algemene informatie over Amsterdam – een mooie stad met veel fietsers maar vooral woningnood.
De exploitatie van het woonoord viel deels onder Amsterdam en deels onder het rijk. De Nederlandse overheid had ruime ervaring op dit gebied. Zij was van oudsher afhankelijk geweest van mannen die tijdelijk huis en haard wilden verruilen voor werk aan polders of kanalen. Ook voor de werkverschaffing in de jaren dertig waren diverse woonoorden ontstaan. Midden jaren zestig beheerde het rijk naast een aantal woonoorden voor gastarbeiders onder meer kampen voor hen die werkten aan de afsluiting van de Lauwerszee, de inpoldering van de voormalige Zuiderzee en de aanleg van de Europoort. De beheerder van Atatürk Yurdu werd H. Jansen, iemand die dit werk al jaren deed.

Bloemkool en verkeersles
Om het vullen van de bedden te bespoedigen, werkten de bouwbedrijven samen met ‘koppelbazen’, die overal in Europa werknemers ronselden. Een van de Turkse bouwarbeiders die zo via Wenen in Amsterdam terechtkwam, was Ibrahim Serin. “In 1965 kwam een personeelschef van Indeco naar Oostenrijk om jongens te halen. Nederland mocht in Duitsland geen arbeiders ronselen, maar wel in Oostenrijk. Ze haalden hun werknemers overal vandaan. Zo’n personeelschef legde contact met een aantal Turken. Soms ging bij met een groepje uit eten. Samen stappen, met mooie meisjes. En dan waren er velen die de volgende dag hun spullen oppakten om te vertrekken.”
Het jaar erop vertrok ook Serin. Met zijn 24 jaar was hij een van de jongste bewoners van Atatürk – de meesten waren tussen de 25 en 35 jaar. Het woonoord was een dorp op zich. Naast de 34 wooneenheden waren er woningen voor de beheerder, de kantinebeheerder en voor meneer Tapan, de Turkse tolk. Verder was er een ziekenzaaltje, een garage voor reparaties aan auto of fiets en een kleine moskee. In de keuken kookten Nederlandse koks voor de bewoners. Naast gewoon bloemkool en aardappelen stond een enkele keer ‘Turks eten’ op het menu: rijst en goulash, linzensoep en ‘Spaanse erwten’.
Al snel na de opening werd de sociaal-culturele begeleiding van de bewoners ter hand genomen. Verantwoordelijk hiervoor was het generaal-directoraat voor werknemersoorden van het ministerie van Sociale Zaken. Men wist uit ervaring dat ontspanning voor bewoners een belangrijk punt van aandacht was. Elke zaterdagavond werd in Atatürk een film gedraaid. In het begin nog met Turkse vertaling op een bandrecorder, aangezien de eerste Turkse film pas eind 1967 beschikbaar kwam. Er werd een voetbal gekocht en de tolk begon met lessen Nederlands en verkeersveiligheid. Ondanks de hoopvolle start verliep exploitatie van het woonoord niet zoals verwacht. De ontwikkelingen in de bouwsector bleven achter en de exploitatiecommissie worstelde met het aantal lege bedden. Eerder door Indeco en Intervam gereserveerde bedden werden afgezegd en de gemiddelde bezetting kwam niet boven de 180 bewoners. De commissie opperde zelfs ideeën om in het woonoord studenten, bedlegerige ouden van dagen, politiemannen of toeristen te huisvesten.

NDSM’ers veranderden de sfeer
Een omslag kwam toen eind 1967 de Nederlandse Dok- en Scheepsbouw Maatschappij belangstelling toonde. De NDSM hoopte door het aantrekken van geschoolde gastarbeiders het jarenlange personeelstekort structureel op te lossen. De eerste grote groep NDSM-werknemers arriveerde nog in 1967 met de trein vanuit Istanbul. Het Amsterdamse scheepsbouwbedrijf had een grootse werving opgezet via arbeidsbureaus in Turkije. Zo’n 1100 mannen werd gevraagd mee te doen aan de selectieprocedure voor werk in Holland. Ze werden uitgebreid medisch gecontroleerd en moesten een examen afleggen. De mannen die uiteindelijk slaagden, reisden in twee groepen naar Amsterdam. Ismail Polat was een van hen: “Ik had al een redelijk goede baan, maar hoorde zoveel verhalen over Europa, dat het makkelijk verdienen was, dat ik besloot ook te gaan”. Voor velen van hen gold dat zij hun baan in Turkije verwisselden voor werk in Amsterdam. 
Met de komst van de geschoolde NDSM-werknemers veranderde de sfeer in het woonoord. Van de bibliotheek werd druk gebruik gemaakt en diverse werknemers lieten kranten en boeken uit Turkije overkomen. Bewoners en NDSM-werknemers richten het eerste Turkse voetbalelftal van Amsterdam op, Ataspor. De mannen trainden op het nabijgelegen terrein van de NDSM-bedrijfsvoetbalclub en ze speelden tegen bedrijfselftallen en elftallen van andere woonoorden, zoals de Turken van Bruynzeel en de Spanjaarden van Hoogovens. Daarnaast werd er een toneelgroep opgericht, die op speciale avonden voorstellingen gaf in de kantine. Mehmet Ali Dayan: “Geoefend werd er tussen ploegendiensten door. Kostuums maakten we zelf van wat voorhanden was. Een zo’n stuk ging over een zeer ouderwetse man die naar Nederland komt om te werken. Hij is verloofd met een zwaar gesluierde vrouw. Die werd gespeeld door een Nederlandse studente Turks. Aan het eind keert hij terug naar Turkije als hippie.” De toneelgroep gaf ook voorstellingen in andere Turkse woonoorden.

Massaal in eetstaking
De nieuwe bewoners eisten meer inspraak in de dagelijkse gang van zaken en dus kwam er een bewonerscommissie. Mustafa Tacettin, die al een beetje Nederlands sprak, werd tot voorzitter gekozen. De bewonerscommissie fungeerde als spreekbuis voor klachten. Tacettin: “In Turkije moesten we een contract ondertekenen. Daarin stond was we konden verwachten: warm water op de kamers, twee keer per week schoon beddegoed en Turks eten.” Met name het eten voldeed in de ogen van de bewoners niet. Over de kwaliteit liepen de meningen uiteen, maar de meeste mannen konden er niet aan wennen. Polat: “Koken op de kamer was verboden. Als je iets van salade maakte, kreeg je een boete. We konden zelfs geen thee of koffie zetten. Bovendien was er na zes uur ’s avonds niets meer te eten. Behalve als je moest overwerken, dan stond je op een lijst die de kok kreeg.”
De taalbarrière maakte het overleg over al deze zaken niet eenvoudiger. In december 1972 was het ontslag van de enige Turkse kok de druppel die de emmer deed overlopen. De bewoners gingen massaal in eetstaking. Twee weken lang weigerden ze het voedsel uit de keuken. Het conflict veroorzaakte veel commotie. De Nederlandse koks begrepen niets van de bezwaren tegen hun eten. Zij vonden het Turkse eten een verpauperd soort Franse keuken, waarbij yoghurt overal goed voor was. Polat: “Het was eigenlijk niet eens onwil van de kampleiding. Nederlanders hadden bedacht hoe het moest en zo moest het dan ook. Ze wilden best overleg, maar de Turken hadden het gevoel dat er niet naar hen geluisterd werd.” Gevolg was dat Jansen met pensioen ging en meneer Visser de nieuwe beheerder werd. Tacettin: “Er kwam een Turkse kok en het werd mogelijk zelf te koken. Bovendien werden vanaf toen sommige regels soepeler gehanteerd.”
Zelf koken was een belangrijk punt. De lunch die ze meekregen voor op de werf vonden velen onvoldoende en bovendien niet smakelijk. Ze wilden naast een Hollands broodje kaas ’s middags graag iets warms eten. Toen kookplaten hun entree deden op de kamers, ontstond een levendige handel in metalen lunchboxjes. Die waren niet in Nederland te koop en werden door Italiaanse collega’s die met vakantie gingen uit Italië meegenomen. De NDSM plaatste in de kantine een speciale warmhoudplaat voor het opwarmen van de lunchboxjes.

Sparen voor goed leven thuis
De Atatürk-bewoners leefden ondanks alles tamelijk geïsoleerd en weinigen verdiepten zich in de Nederlandse taal en cultuur. De beloning voor hard werken en flink sparen was immers een goed leven thuis. Slechts een paar jonge mannen hadden iets meer contact met Nederlanders; zij scharrelden met Hollandse meisjes uit de buurt. Maar de meesten kwamen alleen op het werk Nederlanders tegen. Veel tijd om hierin verandering te brengen was er door het harde werken niet. Bewoners leerden elkaar Nederlandse woorden die ze op de werkvloer hadden opgepikt. Ismail: “Iedereen dacht nog één jaar, misschien twee, en dan kan ik terug. We waren allemaal heel zuinig, je wilde zoveel mogelijk sparen voor thuis. Zo had bijna niemand een fototoestel. Je durfde daar geen geld aan uit te geven. Sommige mannen die al langer in het kamp woonden, hadden dat wel gedaan. Die vroeg je dan een foto te maken, tegen een kleine vergoeding.”
Een flink aantal mannen had twee banen. Ze werkten bij de NDSM of de Amsterdamse Droogdok Maatschappij (ADM) en elders ’s avonds als schoonmaker of in restaurant. Ook het woonoord zelf was vol bedrijvigheid: een scheepsbouwer maakte en verstelde in de avonduren kleiding, een ander repareerde horloges, er waren twee kappers, een schoenmaker en er werd aan auto’s gesleuteld. En op zaterdag werd er druk gehandeld op de eigen ‘zwarte markt’.
Langzaam maar zeker ontwikkelde Atatürk Yurdu zich tot een cultureel centrum voor de uitdijende Turkse gemeenschap. Elders wonende Turken kwamen langs voor een praatje met vrienden en collega’s, gingen naar de kapper of lieten zich een pak aanmeten. Veel belangstelling trokken de speciale avonden met muziek of buikdans en ook de wedstrijden van Ataspor en de zaterdagse filmvoorstellingen waren geliefd. Sommige mannen namen bij dit soort gelegenheden vrouw en kinderen mee.
In de kantine werd verloofd, getrouwd én gerouwd. Het woonoord kreeg zo ook een religieuze functie. Kazim Gezer volgde omstreeks 1973 Tacettin op als voorzitter van de bewonerscommissie, toen die na zijn huwelijk het woonoord verliet. Gezer: “Er was in Amsterdam geen moskee en het kamp had slechts een klein kamertje. De meeste mannen gingen naar Zaandam, daar was een grotere ruimte in het woonoord Saenden van Bruynzeel. De bewonerscommissie kreeg het voor elkaar dat de kantine gebruikte mocht worden voor het vrijdagsgebed en speciale feestdagen.” Vanaf dat moment werd de kantine regelmatig met grote rollen tapijt omgetoverd tot moskee.
Omstreeks 196 begon de leegloop. Steeds meer mannen lieten in het kader van de wet op gezinshereniging hun gezin overkomen. Na jaren van leven in groepsverband viel de gemeenschap uiteen in losse gezinnen, die nieuwe verbanden aangingen. Langzaam verwaterde de binding met het kamp en elkaar. In 1978 besloot Amsterdam het kamp op te heffen. De afbraak viel praktisch samen met de sluiting van de werven van de NDSM en de ADM begin jaren tachtig. Werkloosheid maakte voor velen een einde aan de hoop op een beter leven, de reden waarom zoveel Turken ooit naar Amsterdam gekomen waren. 

Delen:

Jaargang:
2000 52

Gerelateerd

‘In wrâldstêd’
‘In wrâldstêd’
28 november 2000
Stadsmodder, paardenmest en boekweitdoppen
Stadsmodder, paardenmest en boekweitdoppen
28 november 2000
Berlage contra Albert Heijn
Berlage contra Albert Heijn
28 november 2000