Woonboten. Wildgroei op het water

Een Amsterdam zonder woonboten is nauwelijks voor te stellen. Maar tussen woonbootbewoners en de gemeente heeft het nooit geboterd.  

Al in de 17de eeuw lagen er (semi-) permanente woonschepen in de Amsterdamse wateren. Duitse handelaren in aardewerk, grondarbeiders en dijkwerkers zakten de rivieren af om in Amsterdam geld te verdienen. Ze behoorden tot de armste soort migranten en ze hadden in het overvolle Amsterdam weinig andere keuze dan op een boot te wonen.  

Twee overlanders, een tekening van Reinier Nooms alias Zeeman toont twee van zulke vaartuigen: houten aken met een schamele tent-achtige opbouw. Op het linker schip spoelt een vrouw de was vanuit een opening in de romp, bovenop het platte dek wordt de natte kleding te drogen gelegd. Nicolaas Witsen heeft het in zijn boek Scheepsbouw en Bestier uit 1671 over ‘maeckzels, die van den Rijn komen, hoog, grof, en onbelompen werk. Hier woonen geheele huisgezinnen op’. 

Ook ambulante handelaren leefden op scheepjes en verkochten hun handelswaar, zoals aardewerk, potten, pannen of eetbare waren, vanaf het water. Het stadsbestuur had er weinig mee op. Water was de belangrijkste verkeersader, woonboten verstopten de drukbevolkte grachten en belemmerden de doortocht. De verkoop betekende bovendien concurrentie voor de eigen bevolking en er was het risico van brand.  

 

Vaste ligplaats 

Daarom liet het stadsbestuur tussen 1652 een keur uitgaan waarin het verordonneerde dat ‘geene uitheemsche persoonen of andere in eenige leggers, scheepen of toegemaeckte schuiten zullen moge wonen’. In 1682 herhaalden de bestuurders het verbod, waaruit blijkt dat het duidelijk niet meer ging om een handjevol woonboten. Het waren de eerste pogingen om het ‘probleem’ van het wonen op water te reguleren.  

Het overgrote deel van de woonbootbewoners had dus gewoon een dak boven zijn hoofd nodig. Sommigen waren kermisartiest, er waren mensen die hun inkomen verdienden met seizoensarbeid en hun woning met zich mee namen, anderen werkten juist op of met het water. De werklieden die de uitbreiding van de Singelgracht uitvoerden, zoals grondwerkers en baggeraars, wilden dicht bij de klus wonen. Ook bij de aanleg van de Westerdokskade in de eerste helft van de 19de eeuw woonden de dijkwerkers op woonschepen dicht in de buurt.  

Door de komst van de trein en groei van het wegvervoer in de tweede helft van de 19de eeuw verminderde het vervoer over water. En door de introductie van grotere, stalen schepen in de binnenvaart ontstond een overschot aan de kleinere houten schepen. Die werden afgedankt. Schippers moest werk zoeken aan de wal, maar bleven vaak wel op hun boot wonen. Het gevolg was dat een deel van de bewoonde schepen een vaste ligplaats kreeg. De Nieuwe Courant van 28 april 1901 meldt dat de volkstelling in Amsterdam 510.853 bewoners telde in 38.092 huizen, 691 permanente woonschepen en nog eens 714 tijdelijk aanwezige schepen. 

Verder lezen? Abonnees krijgen het komende nummer van Ons Amsterdam omstreeks 1 juli in de brievenbus! Dit nummer niet missen, maar nog geen abonnee? Meld je vóór vrijdag 1 juli 23:59 u. aan dan ontvang ook jij dit nummer thuis.

Ontdek Ons Amsterdam

Wil jij alles weten over de fascinerende geschiedenis van Amsterdam?

Meld je aan Arrow right Geef cadeau Arrow right
Delen:

Editie:
Augustus Juli
Jaargang:
Tijdperk:
1900-1950 1950-2000
Rubriek: