Winter-special: november-december 2010

OAM_11_2010-cover-145x212


Prijs: €6,-- Uitverkocht


Special: Amsterdam winters



Op het omslag: Roma-meisje in Amsterdam, 1985

- Roma ook in Amsterdam weinig welkom- Amsterdamse dropfabrieken
- Rumoer rond parkje in Plantage


- Na 10 jaar stopt de Opstapper


- Markante Amsterdammers: Jaap Boersma

-Architect Co Franswa


 





Koud, kouder, koudst


De allerbarste Amsterdamse winters


Tekst: Peter-Paul de Baar


416-winter_4Opwarmende aarde of niet, nog steeds kunnen Amsterdamse winters koud zijn. De laatste bijvoorbeeld. Maar echt strenge winters zijn veel zeldzamer dan in vroeger eeuwen. En ze maken minder indruk, want we zijn er beter tegen beschermd.


Welke waren de strengste Amsterdamse winters en wat richtten ze hier aan? Wie een duidelijk klassement verwacht, moeten we teleurstellen. Dat kunnen we alleen geven over de afgelopen 110 jaar, domweg omdat geen weerhistoricus aan een langere lijst zijn vingers wil branden. Weliswaar bestaan er temperatuurmetingen vanaf de 18de eeuw, maar die laten zich lastig vergelijken met de veel genuanceerdere cijfers van nu. Ook de criteria van de lijstjesmakers verschillen soms. Gaat het om de gemiddelde temperatuur of het aantal dagen met vorst? Worden duur en intensiteit van de sneeuwval in het totaalcijfer verwerkt? Een enkele onderzoeker probeert zelfs de ‘gevoelstemperatuur’ mee te rekenen: strenge vorst is voor mensen immers nog slechter te verdragen als daar snijdende wind bij komt.


De meeste klassementen zijn vooral gebaseerd op de gemiddelde temperatuur en het aantal vorst- en ijsdagen. Bij ‘objectief’ weerhistorisch onderzoek blijkt dan weleens dat winters die tijdgenoten “schreclijc” vonden, door moderne experts als “zacht” worden ingeboekt. De tijdgenoten herinnerden zich de extreme perioden en vergaten dat er tussendoor ook heel wat vorstvrije dagen waren. Wetenschappelijke indelingen van winters zijn gebaseerd op gemiddelden, die sterk kunnen afwijken van de subjectieve beleving.


De cijfermatige én de subjectievere gegevens zijn met veel sprokkelwerk te vinden in oude kronieken, dagboeken, rapporten, dagboeken en krantenberichten. Scheepstellingen, waterstanden en jaarringen van bomen geven indirecte informatie. Van dit alles een synthese maken is een heidense klus – maar gelukkig heeft historisch-geograaf, oud-aardrijkskundeleraar en amateur-meteoroloog  drs. Jan Buisman (geboren in 1925) te Dan Haag zich hieraan gewaagd, met hulp van het KNMI. Zijn magnum opus is de serie Duizend jaar weer, wind en water in de Lage Landen, waarvan tussen 1995 en 2007 vijf delen van ieder zo’n 750 bladzijden verschenen zijn en er nog drie op stapel staan – “alles bij leven en welzijn van de auteur”, zoals de uitgever terecht vaststelt. Eerder (1984) schreef Buisman Bar en boos. Zeven eeuwen winterweer in de Lage Landen.


 


Winterse watersnoden


Buisman begint zijn verhaal al in 763, maar Amsterdam komt pas veel later in beeld: in 1421, als (volgens geschiedschrijver Caspar Commelin) “de Zee over alle dijken henen” loopt” en “zeer grote schade om deze stad” veroorzaakt. In november 1421 volgde de Sint-Elisabethsvloed. Die zette grote delen van Holland onder water; de eerste Spaarndammerdijk werd weggespoeld en zuidelijker opnieuw aangelegd, nu wat hoger. Daarmee raken we meteen aan een aspect van de historische winters dat vaak onderbelicht blijft, maar voor Amsterdam een vaste plaag was: de watersnoden.


Watersnoden traden vooral op aan het begin of het eind van de winter. Sommige overstromingen werden veroorzaakt of verergerd door plotselinge dooi na langdurige sneeuwval. Meestal was zeer zware storm in combinatie met springtij de boosdoener. Dan werd de watermassa van de Zuiderzee (verbonden met de Noordzee) zo opgestuwd dat het water via het IJ over de dijken zwiepte en soms hele stukken dijk wegsloeg. Dat het hoge water in het Damrak geregeld over de Nieuwendijk en de Warmoesstraat heenliep, was men wel gewend. Al was het natuurlijk hinderlijk als op zondagmorgen in de Oude Kerk het water bijna zo hoog stond als het tafelblad van het altaar.


Maar in de directe omgeving van de stad, vaak laaggelegen en met houten huisjes, leverde zo’n stormvloed echte rampen op, waarbij tientallen of zelfs honderden mensen, koeien en paarden verdronken. Een zo’n ramp, in maart 1651, trof het gehucht Houtewaal alias Oetewaal evenals de hele Watergraafsmeer (zie ons laatste zomernummer).


Andere rampen vonden onder meer plaats in maart 1496, september 1510, oktober 1612, januari 1616, januari 1624 en 1 december 1665. Soms hadden stormrampen elders indirect grote invloed op de Amsterdammers. Op kerstavond 1593 vergingen vele Amsterdamse schepen voor de rede van Texel, een strop voor scheepsassuradeur Roemer Visscher, die zijn op (Maria-feestdag) 25 maart 1594 geboren dochter Maria Tesselschade doopte. Zij werd een beroemd dichteres.


 


Kleine IJstijd


Allang is bekend dat de 16de, 17de en 18de eeuw duidelijk kouder geweest moeten zijn geweest dan de eeuwen ervoor en erna. De Kleine IJstijd wordt die periode doorgaans genoemd. Een tikje overdreven misschien: de gemiddelde jaartemperatuur lag zo’n twee graden onder de huidige (gemiddeld 9,3 graden Celsius in de 20ste eeuw). Klimatologen vinden dat verschil groot, maar het is natuurlijk niets vergeleken met het barste deel van de Grote IJstijden uit de prehistorie, toen de gemiddelde jaartemperatuur hier vijftien graden onder nul lag.


Het Hollandse klimaat van de Kleine IJstijd is beter te vergelijken met het Zuid-Noorse van nu. Die periode eindigde volgens de meesten rond 1850, maar wanneer begon ze? Vaak noemt men 1550,  maar Buisman maakt aannemelijk dat we beter kunnen zeggen: omstreeks 1430. In de Middeleeuwen was het in deze streken redelijk warm geweest, met prachtige wijnoogsten. Tussen 1432 en 1443 waren er ineens veel strenge of zeer strenge winters, met ook nog eens veel sneeuw. Volgens Buisman lag het dieptepunt niet in de Gouden Eeuw, maar in het laatste kwart van de 16de eeuw, volgens hem de allerkoudste periode van het laatste millennium. Na 1625 worden de winters weer wat zachter, maar tegen het eind van die eeuw opnieuw killer.


In februari en maart 1503 waren volgens een kroniekschrijver het IJ en de Zuiderzee zó stevig bevroren dat het mogelijk was per slee van Amsterdam naar Kampen te reizen. Baas boven baas: in februari 1554 vertrokken liefst veertien sleeën volgeladen met wol naar de IJsselstad. Hoe lang de Zuiderzee dicht lag, werd het belangrijkste informele criterium voor de rangschikking van Amsterdamse winters. Het Zuiderzeewater bevroor niet gauw, met het nog redelijk zoute water en de getijdewerking. De Amstel lag veel vaker dicht.


 


Bevroren schrijfinkt


Omdat januari en februari meestal het koudste waren, ontstond het gebruik legendarische winters te vernoemen naar hun gedeelte na de jaarwisseling. Met “de winter van 1740” werd bijvoorbeeld die van 1739-1740 bedoeld. Zeer streng waren in ieder geval (tot 1850) de winters van 1511, 1565, 1595, 1608, 1621, 1663, 1672, 1679, 1681, 1684, 1695, 1697, 1709, 1716, 1740, 1762, 1784, 1789, 1795, 1814, 1830, 1838 en 1845. (De ‘gewoon strenge’ of simpelweg ‘koude’ of ‘normale’ winters zijn hier niet meegeteld.)


De allerstrengste winters van de Kleine IJstijd waren 1511, 1565, 1709, 1740, 1789 en 1824. Het verhaal gaat dat in eerstgenoemd jaar in Rotterdam een massale demonstratie werd gehouden op de bevroren Maas om dooi af te smeken. God verhoorde de bede wat al te haastig. Het ijs brak en 8000 Rotterdammers verdronken. (De Amsterdammers zagen van deze methode maar af.) In 1740 barstten volgens stadshistoricus Jan Wagenaar enkele bruggen. “Ook zyn er eenige menschen, bij nagt, op de straaten dood gevrooren.” In januari 1795 wisten de Fransen dankzij het ijs Amsterdam binnen te trekken. Dat was in het benauwde jaar 1672 nog mislukt doordat onverhoeds de dooi intrad.


Maar de extreemste vorsteffecten vonden niet per se plaats in de strengste winters. Neem december 1664 (een koude, maar niet strenge winter) toen Amsterdam werd getroffen door uitzonderlijk zware ijzel. Boomtakken van een duim dik zwollen zo zwaar op dat ze afbraken, boomstammen spleten. Meestal vergeefs probeerde men bomen te redden door er brandende pektonnen onder te zetten. De winter van 1767 was formeel gewoon ‘koud’, maar januari was een uitschieter. Op 8 januari schreef Jacob Bicker Raije in zijn dagboek: “Op het moment is de kou zeer bitter en het vriest zo sterk dat hoewel ik dit bij een heel groot vuur schrijf in een kamer waar de hele dag flink gestookt wordt, de inkt me in de pen bevriest.”


 


Hollandse Twaalfstedentocht


Sneeuw en ijs hadden natuurlijk hun vrolijke kanten. Meteen ging men massaal schaatsen of sleeën. Zo maakte Claes Claescooper uit Koog aan de Zaan volgens zijn dagboek op 19 december 1676 met twee vrienden vanuit Haarlem een Noordhollandse ‘twaalfstedentocht’: via Amsterdam, Weesp, Naarden, Muiden, Pampus, Monnickendam, Edam, Purmerend, Ouwendijk, Hoorn, Enkhuizen, Medemblik en Alkmaar naar Haarlem terug. En Keizersgrachtbewoner Bicker Raije noteerde in januari 1771: “Op de elfde dezer zijn er volgens mijn eigen telling ’s morgens van tien tot half twee en ’s middags van drie tot half vijf alleen al aan deze kant 357 arresleden mijn huis gepasseerd.”


Maar zeker als de vorst lang duurde, werd de toestand snel akeliger. Het grootste deel van het normale vervoer ging over het water en dat liep nu weken- of maandenlang vast. Geregeld was een groot gebrek aan levensmiddelen en drinkwater het gevolg. Onder meer in 1740 werden bakkerswinkels geplunderd.


Het winterse drinkwatertekort kon ontstaan doordat het Amsterdamse grachtwater ondrinkbaar was. Onder regie van de Amsterdamse bierbrouwers (grootverbruikers) werd sinds omstreeks 1500 schoon water uit de Vecht bij Weesp per waterschuit naar Amsterdam gebracht. Maar in strenge winters vroor de Amstel dicht. Daarom kochten de bierbrouwers annex waterverkopers in 1651 een ‘ijsbreker’ aan: een ramschuit met een ijzeren punt, voortgetrokken door soms wel 36 paarden. (Amsterdams eindstation was herberg D’Ysbreeker aan de Weesperzijde. Daar is nog steeds een café van die naam.)


Door de kosten van de ijsbreker steeg helaas ook snel de prijs van een emmer drinkwater, zodat de allerarmsten weer ziekmakend grachtwater gingen drinken…  En op 22 januari 1740 kwam volgens Bicker Raije zelfs de ijsbreker er niet meer door. De volgende dag noteerde hij dat een jongeman die te lang aan de Amstel naar de gestrande ijsbreker stond te kijken, was overleden: “Hij was zo door kou bevangen geraakt dat zijn ingewanden waren verstopt.”


Aan het eind van de Kleine IJstijd waren er nog zes zeer strenge winters: 1823, 1825, 1830, 1838, 1845 en 1855. Die hakten er nog stevig in, want economisch was de stad er slecht aan toe. In 1823 werden de bakkers weer bestormd en verkocht men op straat brokken ‘schoon’ ijs als drinkwater.


 


Bloemen op de ruiten


Na 1850 werd het klimaat zeker in Amsterdam duidelijk milder, misschien wel door de industrialisatie van de stad. De buitenlucht werd viezer en warmer tegelijk. Tientallen jaren bleven strenge winters uit. Des te harder kwam de zeer strenge winter van 1891 aan. Bij uitzondering was december de strengste maand, waardoor ze ook wel de “de barre winter van negentig” werd genoemd. Theo Thijssen, toen elf, zou deze maand nooit vergeten: “En nu is het of er één lange nachtmerrie komt. De beruchte strenge winter van 1890 doet z’n intrede; in de huiskamer brandt de kachel en in de keuken de hele dag het fornuis, maar de winkel is volgens moeder ‘een ijskelder’. ’s Morgens vroeg, als het nog donker is, moet ik al een emmer steenkolen halen. (…) En steeds is het maar koud, koud. Op de winkelramen staan altijd de bloemen, niemand kan van buiten af de uitstalling zien.” Aan het eind van de maand stierf Thijssens vader aan ‘de tering’.


Het winterklassement van de 20ste eeuw ziet u hiernaast. De pittige winter van 1917 was formeel niet extreem streng, maar kwam wel extra hard aan, omdat de Eerste Wereldoorlog nog gaande was. Nederland was weliswaar neutraal, maar het internationale handelsverkeer lag plat, zodat er grote tekorten ontstonden aan brandstoffen en voeding. De winter van 1929 werd legendarisch door de extreem koude februarimaand. Vanaf 2 februari vroor het licht tot matig, vanaf 19 februari zeer streng. Op 12 februari werd in Friesland een Elfstedentocht gereden en op dezelfde dag brandde het Flora-theater in de Amsterdamse Amstelstraat af. Dat leverde bijzondere krantenfoto’s op van ijspegels aan de gevel: meteen bevroren bluswater! De gemeente begon aan ‘behoeftigen’ warme maaltijden te verstreken voor vijf cent: de eerste dag waren er al 1409 gegadigden. De vorst hield aan tot begin mei!


 


Minder ontwrichtend


Een ongeluk komt zelden alleen: de Tweede Wereldoorlog begon met de zeer strenge winter van 1940, de strenge van 1941, en de weer zéér strenge van 1942. De vele sneeuw leverde weinig pret meer op. Het overbelaste tramverkeer liep vast. Voedsel en brandstoffen waren alleen ‘op de bon’ verkrijgbaar. De Hongerwinter van 1944-1945 heette meteorologisch ‘vrij zacht’, door een milde februarimaand. Maar januari was heel koud en vooral: alles en iedereen was óp. Subjectief was deze winter dus de ergste.


Objectief de op één na strengste winter van de 20ste eeuw was die van 1947. Vooral in februari en maart vroor het ook in Amsterdam geregeld meer dan 20 graden. De winter van 1963 werd eerste op de eeuwlijst. Op 18 januari volgden de meeste Amsterdammer de verslagen van de barste Elfstedentocht ooit (gewonnen door Reinier Paping), de meesten via de radio, een enkeling op tv. Door zware sneeuwval raakte het verkeer wekenlang ontwricht. Een gedenkwaardig feit was het afbranden van C&A op het Damrak op 15 februari: opnieuw bevroor het bluswater. De laatste zeer strenge winter van de 20ste eeuw was die van 1979. Al eind december 1978 vroor het keihard. In januari kwam daar veel sneeuw bij. En de winter duurde lang. Koninginnedag 1980 was de koudste ooit.


Toch was deze winter veel minder ontwrichtend dan voorheen. Sinds 1963 kreeg Amsterdam aardgas, centrale verwarming, dubbele beglazing. Al dat comfort maakt de strenge winters van nu misschien minder gedenkwaardig – maar zeker zijn ze beter door te komen!


 


De strengste winters na 1900 op volgorde


1.         1963


2.         1947


3.         1940


4.         1929


5.         1942


6.         1979


7.         1917


8.         1996


 




Op het ijs!


IJsvermaak is voor iedereen en van alle tijden


Tekst: Marius van Melle


422-ijsvermaak_uitsnede “Nooit had ik meer verblijen, als ’s winters in het rijen”, kraste Gerbrandt Adriaensz Bredero begin 17de eeuw op het papier. Schaatsliefhebbers van nu herkennen dat. Zoals Max Dohle in Op één nacht ijs (2004): “Glijden is vliegen, moeiteloos komen we bijna los van het aardse.” Wij kennen het beeld ook uit een jeugdgedicht van Multatuli: “En als uw schaatsen u vliegend doen zweven...” Sneeuw en ijs bieden veel aanleiding tot vermaak, maar schaatsen staat al eeuwen nummer één. Zolang Amsterdam bestaat is er ijsvermaak geweest.


 


In 1979 werd op de Nieuwendijk een middeleeuwse smederij opgegraven, waarbij een houten schaats tevoorschijn kwam die omstreeks 1225 gemaakt moet zijn. Het is naast een in Dordrecht gevonden schaats uit dezelfde tijd, de oudste echte schaats die aan het licht is gekomen. Al eeuwen eerder bewoog men zich op het ijs voort op glissen: ondergebonden bewerkte dierenbotten. Daar viel nauwelijks mee af te zetten, vooral niet tegen de wind in, dus gebruikte men prikstokken om vooruit te komen. De naam voor het ijzer onder de schaats, de schenkel, herinnert aan deze benen voorloper.


         Een van de weinige schriftelijke bewijzen van ijsvermaak in het middeleeuwse Amsterdam betreft niet het schaatsenrijden, maar het sneeuwballen gooien.


Op oudejaarsdag 1472 werd verordonneerd: “Nyemant en moet met sneecluyten werpen noch maecht noch wijff noch manspersoen.’ Spitsvondig merkte geschiedvorser Jan ter Gouw in zijn boek over volksvermaken in 1871 daarover op, dat het onduidelijk is of het verbod nu slaat op het gooien of het getroffen worden en dat jongens kennelijk hun gang konden gaan.


         De periode van ca. 1500 tot ca. 1700 wordt wel aangeduid als ‘kleine ijstijd’, omdat de winters in doorsnee kouder waren. Van de nood werd een deugd gemaakt. IJs nodigde uit tot allerlei vermaak. Op schilderijen van Pieter Brueghel de Oude is te zien hoe men zich in Vlaanderen op het ijs amuseerde. Na hem heeft Hendrick Averkamp de ijspret in Amsterdam in beeld gebracht, net als zijn vriend Arent Arentz Cabel en anderen. Op hun doeken wordt druk geschaatst, bewegen mensen zich voort op priksleetjes en grote arresleden, en is er vermaak met sneeuwballen gooien, klootschieten (nu als ‘curling’ een olympische sport) en kolven. Met een soort hockeystick moest in zo weinig mogelijk slagen een schijf naar een bepaald doel worden geslagen, bijvoorbeeld een vastgevroren roeiboot of een paaltje. Het ging om de laatste slag: wie het verst de schijf via het doel terug kon stuiten. De fervente schaatser Bredero had het er niet zo op, want je kon lelijk vallen als zo’n kolfschijf tussen je benen schoof.


 


Vrijheid op het ijs


Schaatsen was niet zonder risico. De de pret kon afgestraft worden, wist ook Averkamp. Ter waarschuwing schilderde hij op menig ijsgezicht galgen. Voorzichtige schaatsers reden met een lange stok, om niet onder het ijs te schieten als ze in een wak belandden. Bredero reed zonder – wat hem in de winter van 1618 fataal is geworden.


         De schaatsen hadden in de loop der tijd een enorme krul gekregen. Historicus Bernardino de Mendoça, die met het leger van Alva was meegekomen, vergeleek de vorm met Turkse pantoffels. Hij verbaasde zich erover dat men zo stevig op de schaats stond. Had zelfs vrouwen gezien die met een mand eieren op hun hoofd reden. En dan die snelheid! Menigeen reed een paard eruit, toentertijd het snelste vervoermiddel. Met ijszeilen kon nóg meer vaart gemaakt worden, ontdekte men niet veel later. Een lang doorverteld verhaal gaat over een ijszeiler op het IJ die het idee kreeg om voorwaarts een pijl af te schieten. Hij ging zo snel dat de pijl naar achteren leek te vliegen.


         Het ‘vliegend zweven’ van schaatsen, de snelheid die je kon maken, was een sensatie die iedereen greep zodra hij de slag te pakken had. Schaatsen appelleerde ook aan het gevoel van vrijheid. P.C. Hooft dichtte: “Hier vraagt men naer geen stand, hier is men vranck en vry.” IJsvermaak hield zich niet aan rangen en standen. En omdat men zich op het ijs vrijer bewoog, golden omgangsconventies minder. “Op het ijs is alles gemeen, wie geen meisje heeft die kiest er een”, was een volksgezegde. IJs was de sullebaan [glijbaan] der liefde, volgens Hooft.


         Des te aangenamer werd het nog doordat er overal koek-en-zopietentjes op het ijs verschenen. Warm bier met kruidnagel en een flinke scheut brandewijn erdoor, flip genoemd, was erg geliefd. Deventer koek en rozijnen gingen er ook wel in. Die bevroren niet zo gauw, in tegenstelling tot brood. Bij tijd en wijle werd er zelfs een kermis op het ijs gehouden, in strenge winters zowel op het IJ als de Amstel.


 


Gauwdiefjes te schaats


De koek-en-zopies kregen dan gezelschap van allerlei andere tentjes met koopwaar, goochelaars en potsenmakers vermaakten het publiek, fraai versierde arresleden met gemaskerde dames gleden af en aan: men ging niet over één nacht ijs om er iets van te maken. De overheid keek bij gelegenheid de andere kant op, want ze had weliswaar de jurisdictie over land en water, maar ijs was geen van beide. Daar wisten gauwdiefjes te schaats gebruik van te maken.


          Wedstrijden werden wel gereden, maar erg populair waren ze niet. Dat had te maken met de schaatstechniek. Op die krulschaatsen werd ‘buitenover’ gereden, zwierend, door het gewicht van het ene been naar het andere over te brengen en daarbij sterk over te hellen. Een sierlijk gezicht en ook energiebesparend, want de afzet gebeurde als vanzelf door het gewicht te verplaatsen, maar geen methode om snelheid te maken. Uit dit zwieren ontwikkelde zich schoonrijden, waarbij met rond geslepen ijzers fraaie krullen en zelfs namen in het ijs gekrast konden worden.


         In Friesland was dat anders: in deze waterrijke provincie met een slecht wegennet waren ‘ijswegen’ ideaal om snel ter bestemming te komen. Daar werd hardrijden op de korte baan ongekend populair. De schaatsen werden daartoe aangepast. De schenkel verloor zijn krul en kreeg een vrij rechte lijn. Zo kon er meer vaart gemaakt worden. Het ijzer bleef wel eindigen onder aan de hak, want dat kwam de afzet bij een sprint ten goede. Pas in de 19de eeuw werd het ijzer verlengd tot voorbij de hak: de Friese doorloper.


         Vanaf eind 18de eeuw groeide de populariteit van wedstrijdschaatsen. Er werd om geld gereden, eerst uitgeloofd door kasteleins en later ijsclubs. Of om voedsel, wat vaak een pijnlijke vertoning werd, omdat het gekrabbel van de armen slechts leedvermaak opleverde. Sociaal voelende hardrijders reden dan soms ‘voor spek en bonen’ mee en deelden het gewonnen voedsel uit aan de deelnemers. In 1865 organiseerde de net gestichte Amsterdamsche IJsclub (AIJC) ook zo’n wedstrijd met voedsel als prijs, maar gooide dooi roet in het eten.


 


Gloriejaren ijsclub


Het zou lang duren voordat de hegemonie van de Friezen in het hardrijden zou worden doorbroken. De AIJC had in 1879 de beschikking gekregen over een vijver in het Vondelpark en organiseerde er voor zijn leden ook dansfeesten. “Het schijnt alsof alle Hollandsche stijfheid en Amsterdamsche nuffigheden geweken zijn, zoodra de schaats is aangeschoten en de vrije winteradem jong Holland de kaken kleurt”, schreef het Algemeen Handelsblad enthousiast. Het moet in deze winter zijn geweest dat Aletta Jacobs, die net als vrouw het universitaire mannenbastion had genomen, veel op de schaats in het Vondelpark was te vinden. In haar memoires denkt ze zelf een jaar eerder, maar dat was een slappe winter.


         Jacobs schrijft dat zij opzien baarde met haar schaatsende verschijning als dame alleen, maar dat men eraan wende. Het was een baanbrekende actie. De standsverschillen waren toegenomen en anders dan in vroegere eeuwen was het niet meer gewoon dat dames zich op de schaats voortbewogen. In Friesland kleedden boerenmeisjes zich voor een wedstrijd half uit en dat vonden de gegoede heren en dames van de AIJC maar onzedelijk. De ijsclub zou zijn gloriejaren hebben tussen 1890 en 1935, toen de basis het Museumplein was. Men moest verhuizen naar een winderig terrein achter het Olympisch Stadion, dat nooit een groot succes werd, ook omdat er na de oorlog concurrentie kwam van sproeibanen (besproeide tennis- en sintelbanen). Inmiddels is het ijsclubterrein opgeslorpt door een andere sportaccommodatie.


         In de jaren tachtig van de 19de eeuw ontstonden internationale contacten tussen hardrijders. De Noor Axel Paulsen bleek onverslaanbaar op zijn ‘hoge noren’, waarop de schaatstop die direct ook aanschafte. Weldra stak natuurtalent Jaap Eden met kop en schouders boven iedereen uit. Paulsen legde zich maar toe op kunstschaatsen en bedacht de dubbele axel. Het kunstschaatsen, iets anders dan schoonschaatsen, was uitgevonden door balletmeesters om te dansen op ijs en overgewaaid uit Amerika. Daar rezen overdekte ijshallen uit de grond voor dit doel.


 


Opkomst toerschaatsen


Het is hier ook geprobeerd: in het Paleis voor Volksvlijt werd in 1879 zonder succes een ‘skating rink’ geopend. Pas na de komst in 1937 van zo’n baan in de Apollohal, werd er enthousiasme voor kunstschaatsen gewekt. De Amstelveense Sjoukje Dijkstra begon in 1948 er op zesjarige leeftijd mee, op schaatsen gemaakt door de Amsterdammer Jaap Haverkotte, de stichter van de Viking schaatsenfabriek. Twee maanden later brak ze in de Apollohal haar been toen een achteruitrijdende pastoor bovenop haar viel. Maar ze zette door, oefende vanaf 1951 in Den Haag omdat de baan in Amsterdam werd gesloten, en werd in 1964 olympisch kampioen.


         De grote opkomst van het toerschaatsen begon eigenlijk met de (officiële) Elfstedentocht, waarvan de eerste in 1909 werd gereden. De twee volgende edities won geen Fries, maar de in Edam geboren Coen de Koning. De tocht kreeg in Noord-Holland navolging, ondanks flinke tegenwerking van de KNSB. De schaatsbond stond pal voor het amateurisme en sloot zowel ‘beroepsrijders’ uit die om geldprijzen schaatsten, als rijders die in wedstrijden waren uitgekomen waaraan beroepsrijders hadden deelgenomen. Deelname aan wedstrijden van niet-aangesloten ijsclubs was ook taboe.


         De in 1895 gestichte IJsbond Hollandsch Noorderkwartier stond daarom op slechte voet met de bolknakken van de KNSB, die geleid werd door de Amsterdamse effectenmakelaar Gerrit van Laer. De oppositie kreeg tijdens de Tweede Wereldoorlog vleugels, vooral toen de NSB – van de Duitsers moest het koninklijke eraf – eiste dat de “schaatstoeristen” zich aansloten bij de ANWB. Na de bevrijding opposieleider mr. H.W. Vliegen, de Amsterdamse gemeenteadvocaat, KNSB-voorzitter.


         Wat niet veranderde was de bond als mannenbolwerk. Vóór de oorlog had Gonne Donker uit Ilpendam moeten vechten om uitgezonden te worden naar internationale wedstrijden. En nog in de jaren zestig werd Carry Geijssen uit de Indische buurt flink tegengewerkt. Het ijs was pas gebroken toen ze in 1968 een olympische titel behaalde. Ze had haar talent kunnen ontplooien op de in 1961 geopende Jaap Edenbaan. Niet de eerste kunstijsbaan in Amsterdam: van 1934 tot de oorlog floreerde ’s winters het tot ijsbaan omgetoverde Sportfondsenbad in de Linnaeusstraat.


         Onder auspiciën van buitenstaanders kwamen ook toertochten annex wedstrijden tot stand, zoals de Waterlandrondritten die Elka Watch Company (Kalverstraat 206) in de jaren twintig organiseerde en de Grachtentocht in 1956 op initiatief van Het Vrije Volk. Van 1938 tot 1962 organiseerde de IJsbond de Noordhollandse dorpentocht van circa 100 km, met steeds meer deelnemers. Daarna gingen de ijsclubs toertochten zelf organiseren en nam het massatoerisme een aanvang. Maar ook zonder organisatie is een tochtje machtig mooi. 





De huiselijke haard door de eeuwen heen


Tekst: Peter-Paul de Baar


Buiten kan het ’s winters gevaarlijk koud zijn, maar ook binnenshuis is het soms geen pretje. Hoe hield men het huis toch nog een beetje warm? Een overzicht in sneltreinvaart. (Tekening Christiaan Andriessen, 1806)


 413-inhoud_3


Van gat in dak tot schoorsteen


In de Middeleeuwen was de haard nog letterlijk het middelpunt van het huizen. De eerste houten stadshuizen, met rieten daken, bestonden uit één vertrek, met zadeldak. In de nok zat een groot gat. Daardoor ontsnapte de rook van het open vuur, dat pal daaronder, in het midden van de ‘zaal’, werd gestookt. De kookpot hing aan een ijzeren rekje erboven. Vanwege het brandgevaar bepaalde het stadsbestuur dat de breedte van een huis waarin werd gestookt tenminste elf voet moest zijn, ruim drie meter. Nadeel van de rookafvoer rechtstreeks van de vloer naar de nok van het dak was vooral dat je geen (doorlopende) tussenverdieping kon maken. Terwijl het toch heel verleidelijk was om onder het zadeldak een vloertje te leggen om daar goederen op te slaan.


Na de dramatische stadsbranden van 1421 en 1452 bepaalde het stadsbestuur dat huizen voortaan stenen muren moesten krijgen (ook werd ’s nachts stoken verboden). Dat stimuleerde een nieuw systeem: een rookkanaal in de zijmuur naar een uitgang aan de gevel, eerst van hout, later gemetseld. Daardoor kon het vuur naar de zijmuur verhuizen, wat extra ruimte gaf in het woonvertrek en het mogelijk maakte alsnog een hele vloer boven de begane grond te maken, en misschien nog wel een verdieping meer.
De rook werd opgevangen door een naar voren uitstekende kap boven de stookplaats: de ‘rookvang’. Die werd vaak ondersteund door houten balken of planken aan weerszijden, de ‘wangen’ Ook die rookvang werd al snel ‘versteend’, met zuiltjes of zijmuurtjes ter ondersteuning. Zo was de schoorsteen geboren. Dat woord sloeg aanvankelijk op die overkapping boven het vuur: ‘schoren’ betekende ‘uitsteken’.


Aanvankelijk werd de rook via het rookkanaal ‘geloosd’ door een gat hoog in de zijmuur. Dat vonden buren doorgaans niet fijn. Dus kwamen er in plaats daarvan pijpen op het dak.


 


Schouw en schoorsteenmantel


Die rookvang boven het vuur, ondersteund door zuiltjes of zijmuurtjes, werd in de 16de eeuw steeds meer verfraaid en opgenomen in de architectuur. Deze verbeterde en verfraaide stookplaats in de zijmuur kreeg ook een nieuwe naam: de schouw. Ze ging er op den duur meer uitzien als een nis dan als een uitbouw. Rookvang plus ondersteuning heetten nu ‘schoorsteenmantel’. In de huizen van de rijken werd die bij voorkeur in marmer uitgevoerd.


Zo’n hoog oplaaiend vuur was een mooi gezicht, maar had ook een nadeel: mét de rook ontsnapte veel te veel warmte door de schoorsteen. Daarom werd de schouw in de 18de eeuw steeds vaker verlaagd. De bovenkant van de schoorsteenmantel kwam nu op borsthoogte. Een mooie plek om grote spiegels op te zetten.


 


Kachels in soorten en maten


Nadeel van de open haard was dat veel warmte verloren ging via de schoorsteen, terwijl tegelijk rook en roet onbedoeld de kamer inkwamen. Alleen dichtbij het vuur was de warmte intens en tegelijk zoog het vuur lucht aan. Effect: van voren werd je geroosterd, van achter


bleef je bevroren. De kachel bood uitkomst: een grotendeel gesloten holle kolom, waarin of waaronder het vuur brandde. Oorspronkelijk waren kachels van steen, later van metaal. Het waren vaak hoge cilinders, want hoe groter het wandoppervlak, hoe gelijkmatiger de warmteverspreiding.


Tot ruim na 1800 werden Amsterdamse haarden en kachels gestookt met hout, turf en soms houtskool. Hoewel in de 18de eeuw in Engeland al welbekend, werd in Amsterdam pas in de 19de eeuw steenkool populair, eerst voor de industrie en na 1850 ook voor de huisverwarming. Aan het eind van de eeuw werden ook in ons eigen Limburg kolenmijnen geopend. Deze kolen waren betaalbaar, maar lang niet zo goed als de veel duurdere kolen uit Engeland en vooral Wales. Met de kolenkachel werden ook het kolenhok en de kolenkit onderdeel van het ‘nette’ Amsterdams huishouden. In scholen en andere openbare gebouwen verschenen imposante kolenkachels. De ‘kolenboer’ werd een begrip.


Kachels stonden meestal alleen in de huiskamer. In de kille slaapkamer dook men zo snel mogelijk onder de warme dekens.


 


Olie, gas en centrale verwarming


Na 1950 werden oliekachels populair. Door optimale verbranding produceerden die geen nare bijproducten als roet of gassen. Maar olie was wel duur. Al snel werd het veel goedkopere aardgas geïntroduceerd. Door het aansteken van een vuur bij het Amstelstation gaf burgemeester Van Hall op 4 oktober 1960 het sein voor de grootse actie waarbij heel Amsterdam van aardgas werd voorzien. Studenten en andere kleinbehuisden behielpen zich met walmende ‘alladins’ (walmende, kleine petroleumkachels) of losse kachels die gestookt werden op butagas, geleverd in loeizware gasflessen.


Mede dankzij het aardgas als goedkope en makkelijke brandstof, werd het rendabel in fabrieken, kantoren en woonhuizen centrale verwarming aan te leggen: verhit water loopt door buizen en radiatoren en verwarmt zo het hele pand. De cv is nu verreweg de meest toegepaste verwarmingsmethode. Als aanvulling staat hier en daar nog wel een open haard, maar dan als luxe sfeerelement.


 





Honger eiste 5000 doden


Laatste oorlogswinter was onverwacht zwaar


Tekst: David Barnouw


413-inhoud_4Begin september 1944 was er even de hoop op een snelle bevrijding. Maar die kwam niet. En daarna bereidden kou en gebrek de Amsterdammers een lange winter vol ontberingen. De Hongerwinter heeft decennialang het beeld van de oorlog bepaald. Hoe sloeg de stad zich er doorheen? (Foto MAI / Sem Presser)


In 1947 werd aan de gevel van de Oosterkerk aan de Oostenburgergracht een gedenksteen van Hildo Krop onthuld. Zijn talloze brugversieringen en andere ornamenten in de stad hebben hem beroemd gemaakt, maar dit is een wel heel bijzondere Krop. Er ligt een scheepje te water met een man die een goed gevulde zak op zijn schouders draagt en op de wal wacht een vrouw met twee kinderen op wat hij meebrengt. ‘Interkerkelijk Komite 1945’ staat erboven. Zonder verdere tekst zouden wij niet meer weten wat het voorstelt. Maar eronder lezen we: “Wat liefde samenbracht in ’t jaar van barre nood, heeft menig oude en kind gered van hongerdood. Dit monument vertolkt de dank van heel de buurt. Dank, die in ’t hart van God een eeuwigheden duurt.” Eigenlijk hoort deze gevelsteen in Friesland thuis, want daar (en uit Groningen) kwamen dankzij de contacten van het comité met kerken aldaar, de scheepjes met voedsel vandaan voor de hongerende bevolking van de Oostelijke Eilanden in de eerste maanden van 1945. De plaquette is bij mijn weten het enige gedenkteken voor de Hongerwinter in Amsterdam; waarschijnlijk omdat de naoorlogse aandacht decennialang uitging naar de helden en niet naar de slachtoffers.


De Hongerwinter was onverwacht gekomen. De tweede helft van het vierde oorlogsjaar had juist grote verwachtingen gewekt bij degenen die hunkerden naar de bevrijding van de nazi-overheersing. Voor de joden in Amsterdam was het al te laat; het overgrote deel was via Westerbork naar Auschwitz of Sobibor gedeporteerd om daar te worden vermoord. De Jodenbuurt was een spookachtige verzameling straten geworden, waar bijna alle huizen verlaten waren, en Nederlandse collaborateurs maakten meedogenloos jacht op de weinige ondergedoken joden.


 De geallieerde invasie in Normandië op 6 juni, de onverwacht snelle opmars van generaal Patton met zijn tanks en de mislukte aanslag op Hitler op 20 juli deden de spanning toenemen. Toen na Parijs ook Brussel werd bevrijd, werd door de Nederlandse radio in Londen, Radio Oranje, een gerucht voor waar verspreid. Minister-president Gerbrandy maakte bekend dat de geallieerde legers de Nederlandse grens hadden overschreden. De dag na de uitzending, 5 september, is de geschiedenis ingaan als Dolle Dinsdag. Vluchtende NSB’ers werden bij de stations uitgejouwd en op de Amstelveenseweg stonden Amsterdammers de geallieerden op te wachten. Tevergeefs: ze waren in geen velden of wegen te bekennen.


 


Verdeling van de schaarste


Twee weken later vond ‘Operatie Market Garden’ plaats, die voor de bevolking in West-Nederland tot rampspoed zou leiden. Nederland ten zuiden van de grote rivieren werd bevrijd, maar de sprong over de Rijn bij Arnhem mislukte. Het grootse plan van bevelhebber Montgomery om na Arnhem naar het oosten af te buigen en Duitsland binnen te vallen, bleek echt een brug te ver te zijn. Intussen had de Nederlandse regering in Londen de Nederlandse Spoorwegen opgeroepen om in staking te gaan en dat gebeurde ook. Om deze staking te breken, besloten de Duitsers het vervoer van levensmiddelen en brandstof uit het oosten en het noorden naar het westen te verbieden. De algemene gedachte was dat het niet lang zou duren, maar dat bleek een grondige misrekening.


Tot dan had niemand in Nederland honger hoeven te lijden. Natuurlijk was het dieet versoberd en uitheemse producten zoals koffie, thee, cacao, tabak en tropische vruchten waren nauwelijks meer te krijgen. Maar al vóór het uitbreken van de oorlog was een fijnmazig systeem van voedseldistributie opgezet, om de schaarste zo eerlijk mogelijk te verdelen. Via een bonnensysteem waren de verschillende zaken te koop – voor zover er voorraad was, natuurlijk. Distributie en rantsoenering gingen hand in hand: halverwege 1944 was alleen vis vrij (dus zonder bon) verkrijgbaar. Leveranciers en klanten verfoeiden het systeem, maar het leidde wel tot een rechtvaardige verdeling van het weinige wat er was.


Natuurlijk ontstond er direct een zwarte markt, waarbij boeren een deel van hun landbouw- en veeteeltproducten buiten de distributie om zélf of via tussenpersonen op de markt brachten. Daar hadden natuurlijk degenen met het meeste geld of de beste connecties voordeel van. De overheid poogde van alles om de ‘sluikhandel’ tegen te gaan en ook werd er tegen clandestien slachten gewaarschuwd, omdat dat de volksgezondheid in gevaar kon brengen. Illegaal slachten werd zwaar gestraft. De daders konden zelfs in een concentratiekamp belanden; enige honderden zijn zo om het leven gekomen.


 


Op zoek naar brandstof


Zwarte handel werd door betrokkenen niet als fout gezien. Het geweten werd gesust met het idee dat die zaken anders toch maar bij de Duitsers terecht zouden komen. Ten dele was dat ook waar, omdat er aparte Duitse organisaties waren opgericht die zwarte goederen opkochten in Nederland. De Jordaan, de Zeedijk en het Rembrandtplein waren populaire plaatsen waar zwart werd gehandeld. De pers schreef er ook over: “En die adresjes … zij waren een openbaar geheim.”(Algemeen Handelsblad,14 september 1942). De gelijkgeschakelde pers moest afschrikwekkende foto’s plaatsen en door middel van affiches werd de bevolking gewaarschuwd.


Door de bevrijding van het zuiden was er geen toegang meer tot de Limburgse kolenmijnen en dat was extra lastig omdat het weer van oktober 1944 tot maart 1945 uitzonderlijk slecht was. Mensen konden door gebrek aan brandstof nauwelijks verwarmen en koken. De levering van gas en elektriciteit werd steeds vaker onderbroken en tegen het eind van 1944 helemaal niet meer.


Overal werd nu naar brandstof gezocht. Op rangeerterreinen waar kolen waren gelost en bij fabrieken waar veel kolen werden gebruikt. Veel was er niet, soms slechts kolengruis, maar alle beetjes hielpen. Een oude brandstof als turf werd herontdekt. Een handelsvertegenwoordiger uit Amsterdam kon eind oktober in Vinkeveen maar liefst 3500 turven kopen, waarvan hij er 200 op zijn fiets naar huis wist te vervoeren. “Pook het fornuis op Moeder zeg ik, het kan vandaag nog lijden”, schreef hij tevreden in zijn dagboek. Plantsoenen en parken werden kaal geroofd en Het Nieuws van de Dag schreef op 13 maart 1945 over de “Ontgroening van Amsterdam”. Ook parkbankjes en houten bruggetjes werden meegenomen om op te stoken, terwijl leegstaande huizen van het binnenhout werden ontdaan. Dat was een gevaarlijke bezigheid, want het weghalen van de steunbalken uit de toch al bouwvallige huizen kon fataal aflopen. In de verlaten Jodenbuurt vielen bij het slopen dan ook verschillende doden. De bevolking bleek inventief: zodra duidelijk was dat er tussen de tramrails houten blokjes zaten, werden die ook weggehaald. De trams reden toch al niet meer.


 


Voedsel voor de jeugd


Eigengemaakte nood- of wonderkacheltjes zorgden voor een klein beetje warmte en er kon eten op worden bereid. Met bonnen was steeds minder te krijgen, dus ging de bevolking zelf naar de producenten toe – naar de boeren dus. Deze zogeheten hongertochten hebben het beeld van de Hongerwinter bepaald: sjofel geklede vrouwen op fietsen zonder banden of lopend met een kinderwagen om een mud aardappelen of wat graan te bemachtigen. Het ging om ruilhandel en al gauw deden geruchten de rond dat de kasten van de boeren uitpuilden van kleding en sieraden en dat sommigen wel drie piano’s hadden. Natuurlijk waren er boeren die misbruik van de situatie maakten, maar anderen waren dag en nacht in touw om al die stadsmensen te helpen. Wie pech had, zag het moeizaam verworven voedsel door Duitsers of hun Nederlandse handlangers in beslag genomen.


Daarnaast probeerden bedrijven voor hun personeel voedsel te bemachtigen. Zo schreef de directeur van het Zoölogisch Museum in Amsterdam al zijn relaties aan. Bijvoorbeeld in januari 1945 de Verkadefabriek in Zaandam: “Terwijl vroeger Uw Firma bij ons kwam met het verzoek den Heer Voerman behulpzaam te zijn bij het vervaardigen van zijn aquarellen voor de albums, komen wij thans tot U met het verzoek, indien mogelijk, te willen helpen ons personeel door deze donkeren tijd heen te helpen.” Of het resultaat had, is onbekend.


Ook werden buurtcomités gevormd, die vaak via kerkelijke organisaties liepen en op grotere schaal voedsel probeerden te verwerven, meestal uit Friesland of Groningen. Het vervoer gebeurde vaak door binnenvaartschepen, die het gevaar liepen óf door geallieerde vliegtuigen te worden beschoten óf door Duitsers in beslag te worden genomen. Deze organisaties brachten ook kinderen naar Friesland en Groningen, om aan te sterken en het eind van de oorlog af te wachten. Binnen de ‘Interkerkelijke Bureaus’ (IKB’s) leek de verzuiling doorbroken, maar in de noordelijke provincies waren rooms-katholieke kinderen niet overal welkom. Uit het verslag over de voedselhulp aan de Amsterdamse schooljeugd in de Hongerwinter blijkt interconfessionele wrevel: “Riep niet het Hoofd van de Centrale Voedselvoorziening: ‘Ik begrijp het niet, ik zie steeds maar kapelaans en pastoors, wanneer komt er nu ook eens een dominee?’”


 


5000 doden


Intussen werd op hoog niveau overleg gevoerd om de hongerende provincies van voedsel te voorzien, want de Duitsers moesten er natuurlijk in toestemmen. Het Rode Kruis en neutrale landen als Zweden en Zwitserland speelden een grote rol in de voedselhulp. Eind januari kwamen de eerste twee schepen met voedsel in Delfzijl aan en enkele weken later kon men in Amsterdam, Den Haag en Rotterdam ‘Zweeds wittebrood’ krijgen. Hoewel ook Zwitserland hielp, is Zweden als grote hulpverlener bekend gebleven. Al was dat oorspronkelijk niet zo, getuige het gedicht Zwitserland (Amsterdam, 28 februari 1945):


 


Het daghet aan de kimmen


Van een weer zonnig huis.


Waar wij het brood ontvingen


Van ’t Zwitsers Roode Kruis.


Een woord van dank en hulde


Gericht aan Zwitserland.


Dat toen het hart vervulde


Van stervend Nederland.


 


Nog meer tot de verbeelding spreken de geallieerde voedseldroppings, die vanaf eind april 1945 tien dagen lang boven West-Nederland werden uitgevoerd. Niet alleen het voedsel leidde tot grote vreugde, maar ook het feit dat de geallieerde vliegtuigen ongestoord hun werk konden doen. Dat de Duitsers niets deden, was een teken dat de bevrijding niet lang meer op zich zou laten wachten.


Amsterdam had meer dan 5000 Hongerwinterdoden te betreuren. De Zuiderkerk deed tijdelijk dienst als ‘Gemeentelijke Doodenbewaarplaats’, waar een plaquette aan de buitenzijde aan herinnert. Ouderen zonder relaties en baby’s liepen de grootste kans om te komen. Mensen die in de Hongerwinter zijn geboren, ondervinden nog steeds de gevolgen van de ondervoeding. Er zijn aanwijzingen dat arme mensen beter met de nood om konden gaan dan rijke mensen, gewend als ze waren al in gewone omstandigheden te sappelen en ritselen. En als geld weinig of niets meer waard is, kom je daar ook niet ver mee.


De Hongerwinter heeft heel lang het beeld van de oorlog bepaald; zozeer zelfs dat het leek alsof de Hongerwinter vijf jaar lang had gewoed. Toen de Utrechtse historicus Gerard Trienekens in 1985 zijn studie Tussen ons volk en de honger. De voedselvoorziening 1940-1945 publiceerde, was hoon zijn deel. Hij stelde dat men tot aan de Hongerwinter geen honger had geleden, omdat de voedseldistributie goed en rechtvaardig werkte. Twintig jaar later schreef zijn collega Hein Klemann hetzelfde en reageerde niemand. Wellicht was men gewend geraakt aan het idee dat de Hongerwinter een geïsoleerde gebeurtenis aan het einde van de oorlog was geweest. Maar waarschijnlijker is dat de Hongerwinter niet meer beeldbepalend is voor de Duitse bezetting: dat is de Holocaust geworden.


 





De zegetocht van de kerstboom


Vehikel voor blijde boodschap groeide uit tot allemanstraditie


Tekst: Ron van Gelderen


413-inhoud_5Kerst rond de kerstboom is een relatief jonge traditie. Duitse immigranten brachten haar anderhalve eeuw geleden mee naar Amsterdam. De feestelijke gewoonte werd door ambitieuze dominees aangewakkerd en populair gemaakt door slimme middenstanders.


De jonge Elise vermaakt zich tijdens kerst 1842 samen met andere gasten rond een lange, lage tafel in de woonkamer van Kalverstraat 183 (huidige nummering). Speciaal voor zijn Duitse nichtje heeft oom Herman Nalop flink uitgepakt. Uiteraard zijn er kaarsen, natuurlijk is er snoepgoed én ook een rijk versierde kerstboom in dit Kistenmakerspand, waar later de Bonneterie zal verrijzen.


         De anderhalf meter hoge boom is in 1842 een onalledaags gezicht voor het Amsterdamse deel van de gasten. Terwijl families in enkele Duitse staten al veel langer kerst rond de dennenboom vieren, duurt het tot halverwege de 19de eeuw voordat het gebruik in Nederland doordringt. De Amsterdamse handelaar Herman Nalop, die zijn leven tussen 1842 tot 1846 heeft vastgelegd in een schetsboekje, is om verklaarbare redenen een van de trendsetters. Hij heeft een Duitse vader en bovendien is zijn zus Anna Beata met een Duitser getrouwd. Als zij met haar dochtertje uit Duitsland overkomt, haalt hij dan ook met plezier een boom in huis.


         De entree van de kerstboom in Amsterdam hangt nauw samen met de komst van Duitse immigranten. De stad telt volgens de volkstelling van 1849 ruim 7000 Duitse immigranten, onder wie relatief veel bakkers, klerken, kleermakers en bierbrouwers. Ze gaan al snel in de massa op. Hun integratie verloopt voorspoedig. De meeste Duitse mannen trouwen met Amsterdamse vrouwen. Nederlandse gebruiken worden in ere gehouden, enkele Duitse gebruiken worden geïntroduceerd.


         Van deze Duitse gebruiken spreekt de ‘Weihnachtsbaum’het meest tot de verbeelding, niet in de laatste plaats omdat ook koning Willem III en zijn Duitse vrouw Sophie graag kerst rond de boom vieren. Wanneer de half-Duitse families voldoende geld hebben en ruim genoeg wonen, wordt voor kerst een dennenboom opgetuigd met appels, noten, kransjes, kaarsjes en soms ook uitgeblazen eieren. Naar goed gebruik mogen de kinderen pas op kerstavond de kamer betreden, waar onder de kerstboom voor ieder gezinslid een cadeautje ligt.


 


Kaarsjes en kransjes


Het zaadje voor een nieuwe traditie is gelegd. Want wat de buurman heeft, wil de buurvrouw ook. De Weihnachtsbaum – door Duitsers uit sommige regio's ‘Christbaum’ of ‘Tannenbaum’ genoemd – verovert langzaam een plek in de Amsterdamse huiskamers. Blijkens dagbladadvertenties groeit het aanbod van kerstbomen gestaag. De prijs daalt navenant: van minstens ƒ 1,- in 1858 bij een bloemist in de Spiegelstraat tot ƒ 0,35 in 1879 bij een handelaar op de Leliegracht. Ook de handelaren op de Bloemenmarkt op de Nieuwezijds Voorburgwal (later het Singel) gaan steeds meer bomen verkopen. Langzaamaan komt de boom binnen bereik van gezinnen met een kleinere beurs, mits ze natuurlijk een beetje fatsoenlijk zijn gehuisvest.


De nieuwe kersttraditie wordt gretig aangewakkerd door de Duitse middenstand in Amsterdam. De Duitse bakker C. Nölken, die zich in 1844 vestigt op de Dam ‘achter het Commandantshuis’, zet jaarlijks een kerstboom met kaarsjes en kransjes in zijn winkel. Hij belooft zijn klanten in een advertentie in het Algemeen Handelsblad van 26 december 1846 ’s avonds tussen acht en tien uur “de luisterrijke illuminatie eener magnifique kersboom” en tevens “verscheidene ververschingen, ijs, punsch á la Romaine, etc., etc.” De eveneens Duitse concurrent H.P. Hunck , aan de zuidkant van de Dam bij de Damstraat, komt tegemoet aan gemakzuchtige klanten. Hij biedt ze “geheel versierde kersboomen, zoo als zij behooren te zijn, tegen civiele prijzen.”


         Andere winkeliers volgen. Het Nieuw Magazijn van Kinderspeelgoed, Kalverstraat 57 (huidige nummering), verkoopt speelgoed rond een kerstboom. De van oorsprong Haagse eigenaar D.W.J. Esser plaatst eind december 1846 een verlichte “Weihnachts- of Kersboom, gelijke dit buiten ’s Lands, en wel bijzonder in Duitschland gebruikelijk is.” De boom en het omringende kinderspeelgoed kan op twee avonden worden bewonderd door eenieder die ƒ 0,50 wil betalen. Zeer actief is ook het Verkoophuis, niet verwonderlijk daar de Duitse immigrant Friederich von Windheim er de scepter zwaait. Het ramsjwarenhuis op Vijgendam 20 (links van het Beurspoortje) maakt jaarlijks reclame voor uiteenlopende kerstcadeaus, variërend van kinderboeken tot poppenkamers en van speldendoosjes tot sigarenkokers.


 


Blijde boodschap


Deze artikelen zijn in het Verkoophuis steevast rondom kleine kerstboompjes uitgestald. Ook de krantenadvertenties van deze winkel worden doorgaans met een kerstboom geïllustreerd. Op 24 december 1859 maakt het Verkoophuis een kleine faux pas. Wie goed kijkt, ziet in de advertentie in het Algemeen Handelsblad dat de kerstboom wordt vastgehouden door de ‘Weihnachtsmann’. Andere middenstanders houden deze Duitse Kerstman juist zorgvuldig buiten beeld voor de autochtone klanten, die Sinterklaas verkiezen boven die andere verklede oom.


         Winkeliers als Nölken, Hunck, Esser en Von Windheim zetten niet alleen in Amsterdam maar ook elders in het land de toon. Door de krantenadvertenties is hun invloed op de rest van Nederland groot. “Uit de vergelijking komt duidelijk naar voren dat Amsterdam via de advertenties in het Algemeen Handelsblad als gangmaker voor andere steden en kranten heeft gefungeerd”, concludeert A.J. Dekker van het Meertens Instituut in december 1982 in het Volkskundig Bulletin na uitvoerig onderzoek naar de introductie van de kerstboom in Nederland.


Deze introductie wordt halverwege de 19de eeuw gestimuleerd door protestantse dominees. Zij zien in de kerstboom een fraai vehikel voor de blijde boodschap. Een van de warmste pleitbezorgers is O.G. Heldring, predikant in het Betuwse Hemmen, voorman van de protestantse opwekkingsbeweging Réveil, weldoener voor “gevallen vrouwen”, bovendien stamvader van de Amsterdamse ondernemers- en bankiersfamilie en overgrootvader van columnist J.L. Heldring. Dominee Heldring, wiens moeder Duits is, voert al in 1837 in de Gelderschen Volks-Almanak pr voor het “huisselijk feest” met “groenend denneboompje”.


         Heldring acht het kerstfeest een goede gelegenheid kinderen vertrouwd te maken met christelijke rituelen. Bovendien verwacht hij dat huiselijk vertier de man des huizes buiten kroeg en bordeel kan houden. Geluk heerst immers daar “waar de huisvader, afkeerig van uithuizigheid, elke gelegenheid aangrijpt om, met vrouw en kinderen, een schuldloos vermaak te genieten.” Ook een lichte afkeer van de voor katholieken heilige Sinterklaas, speelt voor Heldring en andere protestanten mee in hun liefde voor het groene boompje. Heldring vindt het kerstfeest “misschien zelfs edeler in zijn bedoeling” dan het Sinterklaasfeest.


 


Flikkerende lichtjes        


Op de protestantse zondagsscholen komen veel kinderen voor het eerst in aanraking met de kerstboom. Vanaf 1841 opent in Amsterdam de ene na de andere zondagsschool. Jezus staat op deze scholen centraal en zijn geboorte wordt jaarlijks dan ook uitbundig gevierd. De kerstboom neemt al snel een centrale plaats in op de kerstfeesten, waaraan soms wel f 1000,- wordt besteed. Het verhaal gaat dat sommige ouders hun kinderen bewust naar de zondagsschool sturen waar de meeste geschenken werden gegeven.


         Groots zijn de feesten van enkele zondagsscholen in het gebouw van de Vrije Gemeente op de Weteringschans (nu Paradiso), met zo’n 600 kinderen in de zaal en veel ouders op de galerij. Na een preek van de vrijzinnige dominee P.H. Hugenholtz zingen de kinderen er behalve enkele protestantse liederen ook een aantal populaire kerstliedjes. Ze krijgen er chocolademelk te drinken én – opvallend genoeg – een sint-nicolaaspopje te eten. Het meeste indruk maken de berg kinderpoppen en andere cadeaus bij de uitgang en de tien meter hoge kerstboom voorin de zaal.


“Er stond een reusachtige kerstboom vol flikkerende lichtjes”, vertelt onderwijzer/schrijver Theo Thijssen in zijn jeugdherinneringen In de ochtend van het leven over zijn bezoek aan de kerstviering op de Weteringschans in december 1888. “Ik wees m’n moeder op de brandweerman die met z’n helm op de wacht hield bij de kerstboom en zei toen niet wat ik hoopte: dat de boom in de brand zou vliegen en dat die brandweerman de ladder die tegen de muur op de grond lag, overeind zou zetten en de brand zou blussen. Dat zou iets geweldigs zijn geweest om thuis aan vader te vertellen!


 


Boom met bromtol


Kritiek op al te uitbundige kerstvieringen is er ook. Critici van christelijke huize ageren tegen “de verlaging van het kerstfeest tot pretfeest en krijgfeest.” De christelijke boodschap behoort voorop te staan, schrijft een lezer in januari 1880 in het blad Christelijke Familiekring. Met genoegen kijkt hij terug op de sobere kerstviering op de zondagsschool op Bloemgracht 79, waar ongeveer 150 kinderen zijn getrakteerd op gebed, psalmen, gezangverzen, een boekje en een klein geschenkje: “Laat uwe Kerstviering met de kinderen onzes volks toch door eenvoud en ernst gekenmerkt worden. Vooral nu de wereld in onzen tijd de Christelijke feesten voor zulk onchristelijkend vreugdebetoon wil aanwenden. Men loopt zoo licht gevaar om over boom, geschenken en gezang uit te weiden en Hem, den Christus Gods, als middelpunt des feestes voorbij te gaan.”


De discussie rond de kerstboom – voor de één te christelijk en voor de ander juist niet christelijk genoeg – vertraagt zijn opmars. Hoe langzaam de nieuwe kersttraditie zich de eerste decennia verspreidt, blijkt uit het antwoord van een Amsterdammer die in 1969 door het Meertens Instituut onder andere over kerstbomen is bevraagd. “Ik zal circa acht jaar (1892) geweest zijn, toen ik ten huize van vaders broer (hoofdambtenaar bij de Gemeente) een kerstboom zag”, vertelt de Amsterdammer. “Er zullen kaarsen op gebrand hebben, want de verlichting van de woning kwam uit gas-vleermuisbranders (ook iets nieuws). Wat me altijd bij is gebleven was het geschenk van een muziek-bromtol bij die gelegenheid.”


         Het duurt nog tot circa 1906 voordat de ouders van deze Amsterdammer zelf een kerstboom kopen. Zijn antwoord ligt keurig uitgetikt in de archieven van het instituut voor volkskunde: “Thuis, bij andere families en bij kennissen werd alleen het Sinterklaasfeest met cadeautjes gevierd. Nog daarna in 1901 werd ons gezin verrijkt met een manlijke nakomer. Toen die vijf of zes jaar oud was, werd er op de Bloemenmarkt aan het Singel een sparreboompje gekocht en door m’n zuster en mij versierd en verlicht met kaarsjes.”


 


Katholieken overstag


Een kwart eeuw later heeft de kerstboom verder aan populariteit gewonnen, constateert tijdschrift De Favoriet in 1929: “Een kerstboom prijkt in menig huis. En waar geen kerstboom is, daar vindt men toch meestal altijd dennegroen of hulst om het huis een feestelijk aanzien te geven.” Het is tussen 1842 en 1929 wel van een gulle Duitse boom een keurige Nederlandse boom geworden. Met een enkele uitzondering liggen er geen kerstcadeautjes meer onder. “Daar waar men het St. Nicolaasfeest nog in eere houdt, ontbreken de kerstgeschenken.” Al wil de Amsterdamse actrice/illustratrice/schrijfster Willy Schermelé in haar rubriek in hetzelfde nummer best enkele tips kwijt hoe moeders van ijzerdraad, papier-maché en vilt zelf een kerstcadeautje voor de kinderen kunnen maken. Want: “Langzamerhand raakt de oude St. Nicolaas op den achtergrond en de gulle Kerstman neemt zijn plaats in.”


Hoewel ook anderen achter de kerstboom de Kerstman ontwaren, blijft de vertrouwde Sinterklaas in de 20ste eeuw fier overeind. Opvoedkundige J.F. Jacobs-Arriëns schrijft in 1938 in het tijdschrift Het Kind dat de twee tradities prima samengaan, zolang de Kerstman maar buiten de deur wordt gehouden: “Een kerstboom in huis? Ja, waarom niet? Hij brengt ons dennegeur, hij brengt ons warm stralend licht.” Maar “’t kerstmannetje? Och neen, dat hebben we hier in Holland niet nodig. Wij hebben immers St. Nicolaas.”


         Als halverwege de 20ste eeuw duidelijk wordt dat de heilige Sinterklaas geen schade ondervindt van een kerstboom zonder cadeautjes, gaan als laatsten ook de katholieken overstag. Het kindeke Jezus ligt in katholieke huiskamers vanaf dan in de traditionele kerststal onder een haag van dennentakken. De Amsterdamse persfotograaf Sem Presser maakt in 1947 een sfeervolle foto van een dergelijk oecumenisch tafereel. Iets meer dan een eeuw na de Nalops is kerst rond de boom uitgegroeid tot een wijdverbreid volksgebruik, al doet een enkele strenggelovige het nog steeds af als “mode”, “nadoenerij” en “malligheid”.


 




 


Rumoerig het nieuwe jaar in


Oud & Nieuw in Amsterdam


Tekst: Charlotte Goede


413-inhoud_6Hoe vierde men door de eeuwen heen Oud en Nieuw in Amsterdam? Behalve ‘de beste wensen’ speelden licht, vuur, lawaai, baksels en drank vanouds een grote rol. Toch is er in de gebruiken meer veranderd dan menigeen beseft. Het nieuwjaarsvuurwerk bijvoorbeeld is een nog tamelijk jonge traditie.


 Dat we op 1 januari het nieuwe jaar inwijden, is niet vanzelfsprekend. De oude Romeinen deden dat weliswaar al, maar na de val van hun rijk werden her en der ook andere data gangbaar, zoals 25 december (Kerstmis), 6 januari (Driekoningen) en met Pasen.


In 1575 hakte de Spaanse landvoogd over de Nederlanden Luis de Zúñiga y Requesens de knoop door en bepaalde dat de Romeinse traditie weer overal zou gaan gelden. Mogelijk sloot de datum ook goed aan op oude tradities die deze veroveraars in onze gebieden aantroffen en een lang leven hadden. De weken waarin ‘de nachten weer gingen lengen’ waren altijd al een feestelijke tijd, vol vruchtbaarheidsrituelen en kabaal om boze geesten te verjagen. Maar daarover is bar weinig zeker. De eerste berichten erover, vooral van missionarissen die hier het christendom kwamen brengen, zijn vaag en vaak tendentieus. En in de  reconstructies van 19de-eeuwse volkskundigen werden nog bestaande ruige plattelandspraktijken zonder enig bewijs, maar met veel romantische fantasie, betiteld als voortzetting van oeroude Germaanse rituelen. Want onze ‘nationale’ cultuur kon niet oud en eerbiedwaardig genoeg zijn.


Eén ding is zeker: Oud en Nieuw zonder lawaai is ondenkbaar en dat is al eeuwen zo. Net als nu nóg hier en daar in het oosten des lands, zullen daarvoor ook in de stad misthoorns en pannendeksels zijn gebruikt. Maar na de komst van het buskruit naar Europa werd vooral het lossen van vreugdeschoten razend populair. Tot zeker halverwege de 19de eeuw was het heel gewoon om klokslag twaalf wild in het rond te schieten. Schiettuig was er genoeg, want vóór 1896 bestond er nauwelijks wapenwetgeving. Stadshistoricus Jan ter Gouw (1814-1894) schrijft erover in De Volksvermaken (1871): “Maar te Amsterdam was ’t een leven of de wereld verging. Langs de straten trokken heele troepen jongelingen rond, om te schieten: schot op schot knalde uit koffij- en wijnhuizen, en de burgers schoten uit hunne stoepen. De meeste Amsterdammers hielden er een klein kanonnetje op na, dat op een blok hout bevestigd was, en ’t heele jaar op den zolder lag, maar in den oudejaarsmorgen afgehaald en schoongemaakt werd.”


 


Loeiende sirenes


Het schieten liep regelmatig uit de hand en werd meermalen verboden. Maar omdat het zo’n oude gewoonte was, werd het oogluikend toegestaan. Totdat het schieten in de nacht van 1760 op 1761 zo uit de hand liep dat het nu toch echt ten strengste verboden werd. Alweer zonder handhaving, constateert Ter Gouw: “Nog in mijne jeugd dreunde de Kalverstraat op hare fondamenten als ‘’t oude in ’t nieuwe’ geschoten werd, en ieder huismoeder zorgde schrikpoeders in huis te hebben.”


Vanaf het eind van de 19de eeuw tot en met de Tweede Wereldoorlog werd in Amsterdam het kabaal maken aan professionals overgelaten. Om middernacht luidden de kerkklokken, de stoomboten op het IJ lieten hun sirenes huilen en de locomotieven met hun stoomfluiten deden gezellig mee. Na middernacht gingen maar weinig Amsterdammers de straat op. De openbare orde kwam zelden in gevaar, hooguit door wat dronkemansgeknok.


Na de oorlog veranderde dat. Pas toen ging vuurwerk in Amsterdam deel uitmaken van de nieuwjaarsfolklore. Ja, ook voor de oorlog staken stoere jongens rotjes en voetzoekers af, maar dan op Hartjesdag, het baldadige volksfeest in augustus, dat rond 1960 ‘uitstierf’ – om pas rond 2000 in nieuwe vorm te herleven. In de jaren zestig en zeventig kwam er naast die simpele knallers steeds meer siervuurwerk in omloop, mede dankzij Chinese immigranten. Door de groeiende welvaart werd het vuurwerk na 1970 ook steeds massaler ingeslagen. De knallers waren gewoon te koop bij V&D en in de jaren zeventig maakte feestartikelenwinkel Witbaard in de Ferdinand Bolstraat indruk met zijn uitgebreide collectie vuurpijlen.


In de nieuwjaarsnacht verplaatste het feest zich naar de straat. Tegelijk werd het steeds baldadiger. Toen de politie in de vroege uurtjes van 1959 een eind wilde maken aan een te hoog opgelaaid kerstbomenvuur in de Anjeliersstraat, braken de hel los. Terwijl brandweerlieden de blusslang uitrolden werden ze bekogeld met stenen en flessen. Toen een 17-jarige ‘belhamel’ hoofdagent L.J. Willemse met een stuk hout op het hoofd slaat was de maat vol en werd de straat leeg geveegd.


 


Oliebollen eten


In sommige buurten kreeg de jeugd er lol in de rijweg te versperren met uit de grond getrokken verkeersborden en brandstapels van kerstbomen en autobanden. In de jaren zestig was vooral de Zeilstraat berucht. “De Nieuwjaarsviering begint steeds meer op Hartjesdag en Luilak te lijken,” verzuchtte ‘Dagboekenier’ Henri Knap in januari 1965 in Het Parool. Later bouwde Floradorp in Noord met ferm verdedigde ‘vreugdevuren’ een roerige reputatie op.


Begin jaren tachtig werd de Nieuwmarkt een populaire plek om buiten Nieuwjaar te vieren. Buurtbewoner en socioloog Herman Vuijsje denkt dat de ontwikkeling vooral te danken is aan het feit dat de Nieuwmarkt in die tijd veranderde van troosteloze parkeerplaats in een studentenplein. Een echte verklaring voor een verschijnsel heeft hij niet. Toen het jaar 2000 naderde, bedacht de gemeente in navolging van Londen, Parijs en Berlijn een groot centraal feest op de Dam. Sinds 2002 werd dit een jaarlijks evenement, tot het (wegens overlast voor centrumbewoners) vorig jaar naar het Museumplein werd verplaatst.


Alle lawaaimakerij en andere heisa ten spijt, was de viering van het nieuwe jaar tot ver in de vorige eeuw een huiselijk gebeuren. Journalist Piet Bakker (1897-1960), geestelijk vader van Ciske de Rat, beschrijft in het boek Amsterdam zooals het leeft en werkt (1933) de Oudejaarsavond als: “de avond van vreugde en droefheid, van herinneringen van velerlei aard.”  De straten en trams, de cafés en restaurants waren leeg. Rijke families nuttigden rond elf uur ’s avonds thuis een souper. Veel andere gezinnen doen spelletjes en eten oliebollen.


Wanneer de eerste oliebollen werden gegeten, is niet zeker. Het eerste recept staat beschreven in De Verstandige Kock uit 1667. De oliebol was toen nog plat en heette ‘oliekoeck’. De oliekoeken werden ’s winters waarschijnlijk door de rijken uitgedeeld aan de armen die aan de deur kwamen bedelen. Ze werden bereid met ingrediënten die lang houdbaar bleven en voor de hongerige magen waren ze lekker vet. In de loop van de tijd werd er bij het bakken meer en meer olie en gist gebruikt, waardoor de oliekoeken steeds boller werden. Sinds wanneer oliebollen vast onderdeel werden de van oudejaarstraditie blijft onduidelijk; waarschijnlijk pas rond 1900.


 


De beste wensen


Met Nieuwjaar wenst van oudsher iedereen elkaar het beste – in de hoop zelf niet vergeten te worden.  Dat kan en kon op allerlei manieren. In de Middeleeuwen gingen de armen op Nieuwjaarsdag de deuren langs om met een speciaal lied wat voedsel bij elkaar te bedelen. Dat werd niet steeds op prijs gesteld; sommige zangers hadden de hebbelijkheid het huis binnen te dringen en de aanwezige lekkernijen soldaat te maken. In 1578 werd het nieuwjaarszingen om die reden verboden, maar daar trok niemand zich iets van aan. Jan ter Gouw schrijft dat het gebruik ook in zijn tijd – begin 19de eeuw – nog voorkwam. Omdat je met een droge keel niet kan zingen, werd er terloops bij gebedeld om drank. Sommige rijke families verstopten zich daarom in de achterkamen en doofden de lichten, alsof ze niet thuis waren.


Later gingen ook bepaalde beroepsgroepen met een nieuwjaarswens de huizen langs in de hoop op een fooi, zoals nu nog steeds de krantenbezorgers doen. Tot een eeuw geleden moest je wat meer hebben klaarliggen dan nu, want je kon bezoek verwachten van lantaarnopstekers, de nachtwacht, straatvegers, porders, asophalers en torenwachters. Zij zongen nog maar zelden, maar bezorgden wel fraai gedrukte prenten met berijmde wensen. De verzen werden in opdracht gemaakt door gelegenheidsdichters, vaak onderbetaalde schoolmeesters.


In 1950 schreef Jaap Kruizinga in Ons Amsterdam dat de oudste nieuwjaarsprent in het Gemeentearchief dateerde uit 1698. Die werd door de ‘Porders en de Ratelaars’ aangeboden aan de bewoners van ‘Amstelredamme’. Maar intussen blijkt het Stadsarchief een nog oudere te bezitten: die van de Amsterdamse ratelwachters uit 1669!


 


Briefkaarten verzenden


De dienstmeisjes mochten veelal de fooien uitreiken, want op Nieuwjaarsdag waren meneer en mevrouw zelf druk met visiterijden. Per (al dan niet gehuurde) koets maakten ze een ronde over de grachten om hun beste wensen over te brengen aan familie en kennissen. Wel vroegen eind 19de eeuw B&W meermalen per advertentie om daarmee pas na twaalven te beginnen, ten einde het kerkbezoek niet te hinderen. Als de mensen van het bezochte adres zelf aan het rijden waren, werd (vaak opgelucht) een kaartje afgegeven. Op de eerste nieuwjaarsprentjes stonden vaak varkens afgebeeld. Een varken was vet en stond symbool voor voorspoed en een goed jaar. De meeste werden in de Jordaan gedrukt, waar veel drukkerijtjes en uitgevers zaten. Bekend was de drukkerij van de gebroeders Koster op Leliegracht 28 die in 1895 ook al een mooie scheurkalender aanbood.


Met de Wet tot regeling der Brievenposterij, die op 1 april 1892 inging, werd het voor iedereen mogelijk om briefkaarten te verzenden. Snel werd de afgegeven nieuwjaarswens verdrongen door de nieuwjaarskaart. Dat leverde de postbeambten veel drukte op, blijkt uit ‘Oudejaar in het Postkantoor’, een reportage in het Algemeen Handelsblad van 1 januari 1905. De verbazing over de hoeveelheid post met Oud en Nieuw is groot. De lezer wordt op het hart gedrukt dat hij niet bang hoefde te zijn dat de sorteerders de ansichten zouden lezen: daar hadden ze echt geen tijd voor.


In de 19de eeuw kwam er nog een nieuwjaarstraditie bij. Na de middagvisites op 1 januari maakte de crème de la crème van Amsterdam zich op naar de traditionele opvoering van Vondels Gysbrecht van Aemstel te gaan. Op 3 januari 1638 was dit stuk voor het eerst opgevoerd in de gloednieuwe schouwburg aan de Keizersgracht. Na een paar jaar werd het gewoonte het ieder jaar in de kersttijd op te voeren en dat gebeurde (nadat de oude schouwburg afbrandde) sinds 1774  ook in de schouwburg op het Leidseplein, maar pas sinds 1841 steevast op 1 januari. De aanwezigen – de burgemeester en vooraanstaande burgers – kwamen ruim op tijd om elkaar een gelukkig nieuwjaar te wensen en een babbeltje te maken. Elke acteur die een rol in het stuk op zich mocht nemen, werd uitgebreid vergeleken met zijn voorgangers.


 


Thomasvaer en Pieternel


Om de toeschouwers nog een beetje te laten lachen na dit treurspel, werd er vanaf 1707 een luchtig naspel aan toegevoegd. De Bruiloft van Kloris en Roosje, was een klucht waarbij de acteurs aan een lange tafel zaten en door sponsors geleverd eten verorberden (wat overbleef werd onder de acteurs verdeeld). De klucht werd geopend met een nieuwjaarswens van het echtpaar Thomasvaer en Pieternel, waarin zij afgelopen jaar satirisch doornamen en hoogwaardigheidsbekleders op de hak namen. Eigenlijk was dit de oervorm van de oudejaarsconference, in 1954 door Wim Kan als apart genre op de radio gepresenteerd.


Ongetwijfeld vonden veel notabelen de Gijsbreght een lange zit en smachtten ze intussen naar de sketch van Thomasvaer en Pieternel en naar de borrel achteraf. Maar dat de Gijsbreghttraditie ooit verloren zou gaan, kon niemand zich voorstellen. De opposanten tegen het ‘verkalkte toneelbestel’ kregen het toch voor elkaar. De voorstelling van 1 januari 1968 zou de laatste blijken in de lange reeks. Sindsdien is Vondels stuk alleen nog incidenteel vertoond.


Dat betekende niet dat Amsterdamse elite elkaar niet meer kon zoenen en de hand schudden op de avond van Nieuwjaarsdag.  De nieuwjaarsreceptie van de burgemeester, die sinds de jaren twintig rond 5 januari gegeven werd (meestal in het Stedelijk Museum) werd alert naar 1 januari verplaatst. Nog altijd houdt op Nieuwjaarsavond de burgemeester een zorgelijke rede, waarna de stadsbestuurders en hun gasten opgewekt de dansvloer opgaan.


Zo vierden en vieren Amsterdammers dus de jaarwisseling. Allemaal? Nou, nee. Misschien wel even representatief is dit verslag op een internetforum: “Een nieuw kalenderjaar, en wat dan nog? Ik blijf lekker thuis, lees een mooi boek, schenk me nog eens in en troost de katten. Die houden niet van vuurwerk.” 


Delen: