Wegbereider van de Nederlandse verpleegkunde: Anna Reynvaan (1844-1920)

Voor verpleegkundigen wereldwijd is 2020 een gedenkwaardig jaar, want 200 jaar geleden kwam Florence Nightingale ter wereld. De Nederlandse verpleging heeft nog een andere reden: een eeuw geleden stierf op 19 maart 1920 de Amsterdamse pionier Anna Reynvaan. Ook wel de Nederlandse Nightingale genoemd.

De Amsterdamse verpleegkundige Anna Reynvaan wordt als pionier van de moderne verpleging vaak vergeleken met haar beroemde Britse collega Florence Nightingale. De overeenkomsten tussen de twee vrouwen zijn frappant: beiden leefden grotendeels in de 19de eeuw, kwamen uit een­ welgesteld nest, bleven onge­huwd en kozen op latere leef­tijd, tegen de zin van hun fami­lie, voor werken in de ver­ple­ging. En van beiden gaat het verhaal dat ze bij nacht en ontij, slechts gewa­pend met een klein olie­lamp­je, over donkere ziekenza­len patrouilleerden.

Nightingale geldt als de grondlegster van het verpleegkundig beroep en verpleegkundigen over de hele wereld viert op 12 mei – haar verjaardag – de Internationale Dag van de Verpleging. Verdient Anna Reynvaan ook zo’n eerbetoon? Zij was tussen 1883 tot 1895 adjunct-directrice van het Buitengasthuis in Amsterdam, later het Wilhelmina Gasthuis, en zette zich toen met hart en ziel in om ziekenverpleging in de stad te verbeteren. Na 1895 zat ze in diverse commissies en besturen van organisaties die zich met verpleging en vooral met maatschappelijke zorg bezighielden.

De verering voor haar persoon begon al tijdens haar leven in 1918 met de bio­gra­fie over Jeltje de Bosch Kemper (1836-1916), geschreven door Johanna Naber, waarin ook uitgebreid aandacht is voor Anna Reynvaan. Nabers heroïsche, gezwollen schrij­f­stijl was erop gericht om vrouwen aan de verge­tel­heid te ont­trek­ken, en heeft tot de dag van vandaag het beeld van beiden bepaald. Na Reynvaans overlijden werd de verering voortge­zet door verpleegster-docente Catharina Vernède in haar boek Geschiedenis der Zieken­verple­ging uit 1927, tot de jaren zestig gebruikt in verpleegkundeopleidingen. In 1963 verscheen Anna Reynvaan van Martha van Brink-Poort, die haar rol als baanbrekende pionier nog eens bevestigde. Zulke verheerlijkende persoonsbeschrijvingen waren in de verpleging niet ongewoon, want zo kon het jonge beroep zich met de daden van spraakma­kende vrouwen vereenzelvigen.

 

Verzet

Zelf was Anna Reynvaan bescheiden over haar bijdrage aan de modernisering van de verpleging, maar haar tijdgenoten dachten daar duidelijk anders over. Een goed beeld geeft het ‘Huldeblijk aan mejuffrouw J.P. Reijnvaan’ bij haar 70ste verjaardag op een zonnige 6 april 1914 in de met bloemen en groen rijkversierde kerkzaal van het Wilhelmina Gasthuis. Voor de speciale gelegenheid was ook een zusterkoor samengesteld. Er waren zoveel genodigden komen opdagen, dat de zaal bijna uit zijn voegen barstte. Klokslag vier trad zij binnen onder de klanken van de ‘Bruidsmars’ uit Lohengrin van Richard Wagner.

De tien (!) sprekers waren allen vertegenwoordigers van maatschappelijke welzijnsorganisaties waar Reynvaan in haar leven bij betrokken was geweest. Zo spraken H. de Wal namens de Commissie van Toezicht over de Gasthuizen, Nicolaas Josephus Jitta als Amsterdams wethouder van het Armwezen, Louis Blankenberg namens de vereniging Hulp voor Onbehuisden en René van Ouwenaller voor de Rekkense Inrichtingen.

Geneesheer-directeur Jan Kuiper van het Wilhelmina Gasthuis stak de loftrompet over Reynvaans grote verdiensten voor het ziekenhuis aan de Eerste Helmersstraat. Tien jaar voordat Kuiper in 1893 aantrad als opvolger van Jacob van Deventer was zij begonnen als adjunct-directrice in het oude Buiten Gasthuis, een verzamelplaats van ongeneeslijk zieken, krankzinnigen en lijders aan besmettelijke ziekten. Met de hygiëne en patiëntenzorg was het er destijds droevig gesteld. Samen met Van Deventer en diens vrouw Antonia Stelling (ook verpleegster) had ze de ergste misstanden de kop in weten te drukken. Een van de vernieuwingen was de introductie van uniformen voor het personeel. De veranderingen riepen veel verzet op. Enkele personeelsleden dreigden haar zelfs “de poten te breken” nadat zij de nachtdienst had ingevoerd en in de kleine uurtjes zelf de controle deed.

 

Diploma

Het sprak niet vanzelf dat een meisje als Johanna Paulina Reynvaan voor het verpleegstersvak koos. Toen ze tien jaar was, overleed haar moeder, Maria Cornelia van de Poll. In het grote gezin van vader Apolonius Johannes Reynvaan, tabakshandelaar in de Doelenstraat, was de hulp van dochter Anna voor de broertjes en zusjes vanzelfsprekend. Ze trouwde niet en om haar leven inhoud te geven richtte ze zich op de verpleging. In de tweede helft van de 19de eeuw werd ziekenzorg nog vooral thuis gegeven; het werk in een gasthuis stond in een slecht daglicht. De komst van de eenjarige verpleegstersopleiding door de Noord-Hollandsche Vereeniging Het Witte Kruis in 1878 bracht daar verandering in. Anna’s vader niet stond te juichen, maar hij gaf zijn dochter toch toestemming om de opleiding te volgen. In 1880 behaalde zij het Witte Kruisdiploma en was hiermee een van de eerste zeven gediplomeerde verpleegsters van Nederland.

Na een mislukte poging om in het Binnen Gasthuis aan de slag te gaan, werd Reynvaan in 1883 adjunct-directrice in het Buiten Gasthuis, een nieuwe functie. Ze zag het als haar opdracht de onbeschaafde gasthuisbe­woners en het vloe­kende gast­huispersoneel te heropvoeden, be­schaving te bren­gen waar die ont­brak en orde waar wanorde heerste. Samen met directeur Van Deventer zette ze een eigen verpleegstersopleiding op, waar ze zelf de lessen verpleging gaf. Andere ziekenhuizen volgden hun opleidingsmodel. Bij haar 12,5 jarig jubileum in 1895 kreeg ze als cadeau het Johanna Paulina Reynvaan Fonds, een fonds ter ondersteuning van zieke verpleegsters van beide Amsterdamse gasthuizen.  

 

Bond

Anna Reynvaan en haar kompaan Jeltje de Bosch Kemper waren vanaf de oprichting op 21 januari 1893 nauw bij betrokken bij de Nederlandsche Bond voor Ziekenverpleging. Het idee kwam zelfs uit hun koker. Zo’n organisatie met een eigen vakblad, het Maandblad (later: Tijdschrift) voor Ziekenverpleging, zou de beroepsgroep – katholieke en particuliere zusters, protestantse diaconessen, leken- en wijkverpleegsters – kunnen verbinden.

Daar was alle reden toe, want de ziekenverpleging maakte een chaotische beginperiode door. Er was in korte tijd grote behoefte ontstaan aan opgeleide verpleegsters, maar bestaande organisaties als het Witte Kruis en het Rode Kruis konden de stroom examenkandidaten niet aan. Het gevolg was dat verpleegstersopleidingen als paddenstoelen uit de grond schoten. Aan de wirwar van opleidingen en het gebrek aan uniformiteit wilden Reynvaan en De Bosch Kemper met de oprichting van de bond een eind maken.

Op de ‘huldeblijk’ ter gelegenheid van Reynvaans 70ste verjaardag in de kerkzaal van het Wilhelmina Gasthuis was het geneesheer-directeur Adrianus Couvée van het Nederlands-Israëlitisch Ziekenhuis, die vaststelde dat de bond mede dankzij haar inspanningen een succes was geworden en dat Nederland daardoor “een der beste verplegingen der wereld, zoo niet de beste” kende.

Na de toespraken van Wilhelmina Asser-Thorbecke van de tentoonstelling De Vrouw 1813-1913, Anna Nachenius van de Amsterdamsche Wijkverpleging en Pieter Barnouw van de Amsterdamse Afdeling Ziekenverpleging van het Witte Kruis, kreeg Reynvaan als laatste zelf het woord. Ze liet de jaren en de mensen nog eens de revue passeren. Met de woorden “het is een zegen om te leven; het leven is de moeite waard om geleefd te worden” sloot zij af. Aansluitend was er thee met lekkers en gelegenheid tot feliciteren.

 

Roeping

De Spaanse Griep maakte in 1920 een einde aan haar leven. Sinds 1992 is er een jaarlijkse Anna Reynvaanlezing in Amsterdam en aan haar naam zijn prijzen verbonden. Kunnen we haar ook de Nederlandse Nightingale noemen? Zonder twijfel was zij een belangrijke pionier bij de vroege professionalisering van de ziekenverpleging, maar die vergelijking gaat toch niet helemaal op. Florence Nightingale trotseerde de gevaren van het slagveld om tijdens de Krimoorlog (1853-1856) de verpleging aan te pakken, stichtte de eerste verpleegstersopleiding, streed voor salarissen voor verpleegsters, leverde een bijdrage aan de medische statistiek, schreef brieven en boeken en adviseerde de overheid over gezondheidskwesties.

Anna Reynvaan was behoudender van aard. Ze zag de verpleegkunde als een roeping en het beroep als ‘typisch vrouwelijk’, ondergeschikt aan de arts. Kwesties als salariëring, arbeidsomstandigheden en maatschappelijk aanzien vond ze minder belangrijk. Reynvaans drijfveren waren vooral haar sociale bewogenheid en de taak om patiënten en personeel te beschaven. Die plicht voelden meer dames van stand destijds in Amsterdam, onder wie Judith Wert­heim bij het Witte Kruis, Woltera van Rees in het Bur­ger Zieken­huis en Ida Rogalla barones von Bieberstein in het Binnen Gasthuis.

Reynvaan deed belangrijk werk in een tijd waarin de verpleging een chaos was. Ze was een markante organisator, maar geen visionair: ze heeft geen visie op de verpleging ontwikkeld, geen statistisch onderzoek gedaan of lesboeken geschreven. Ze was geen actieve propagandiste van het verpleegkundig beroep en liet regelmatig de mogelijkheid schieten om juist als adjunct-direc­trice van het grootste ziekenhuis van Amsterdam de verpleging te promoten. Zo schitterde ze door afwe­zigheid bij de Nationale Tentoon­stelling voor Vrou­wenar­beid in 1898 in Den Haag: ze liet weten dat ze een kinderpartijtje moest organiseren. En toen ze in 1899 presidente werd van de Bond van Direc­trices en Adjunct-Direc­trices deed ze niets om deze club uit te laten groeien tot een levenskrachtige organi­satie. De bijeen­komsten waren vooral gezellig­.

Bij haar 70ste verjaardag hield geen enkele verpleegster of directrice een toespraak. De sprekers benadrukten vooral haar sociaal-maatschappelijke werk. Haar eigen slotwoord miste een overzicht van de belangrijke vooruitgang die juist de verpleging had doorgemaakt. Over de toekomst van de verpleging zei ze niets. Anna Reynvaan vervulde een belangrijke rol bij de start van het verpleegkundig beroep, maar een Nederlandse Nightingale was ze niet.  

NANNIE WIEGMAN IS VERPLEEGKUNDIGE (N.P.) EN HISTORICA. [email protected]

 

 

Beeld: 

Kinderzaal van het Buitengasthuis, circa 1890. Adjunct-directrice Anna Reynvaan staat links in een donkere jurk, met een kind op haar arm. Collectie Stadsarchief Amsterdam

 

 

Maartnummer 2020

Delen:

Buurten:
West
Editie:
Maart
Jaargang:
2020 72
Rubriek:
Verhaal
Tijdperk:
1800-1900 1900-1950