We zakken weg. De stadsbodem klinkt in, jaar na jaar

De straatkeien van onze 17de-eeuwse stad lagen oorspronkelijk even hoog als nu, maar zijn inmiddels zo’n twee meter gezakt. Bodemdaling is de boosdoener. Sinds de eerste bewoners zich op de Amsteloevers vestigden, zijn de Amsterdammers altijd in de weer geweest met het ophogen van hun straten en erven. Archeoloog Ranjith Jayasena deed er onderzoek naar.

Amsterdam is in vergelijking met andere Nederlandse steden een jonge stad. De nederzetting aan de Amstelmonding kwam pas tot stand ná 1170, toen zware stormvloeden het landschap in enkele jaren drastisch hadden veranderd. Er vormde zich een aantrekkelijke vestigingsplek met een open verbinding naar het IJ en de Zuiderzee. Het waren vooral economische en strategische motieven die de eerste bewoners naar de riviermonding lokten, want de zompige veenbodem was allerminst uitnodigend. Die daalde voortdurend.

Jaar na jaar klonk de bodem verder in. Nadat de eerste Amsterdammers hun terpjes hadden opgeworpen en er hun huizen op hadden gebouwd, merkten ze al snel dat er ‘vernatting’ optrad: de terp zakte weg in de zachte bodem. Ze moesten dan opnieuw ophogen, waarbij het huis moest worden opgevijzeld of vervangen. Een terugkerend proces, want hoe meer lagen grond, hoe sneller de bodemdaling zich voltrok: het gewicht van elke nieuwe laag versterkte de inklinking van de veenbodem. Het ophogen en het aanplempen van nieuw land en de regulering van de waterhuishouding om dat allemaal te kunnen behouden, vormen de rode draad in de geschiedenis van Amsterdam.

 

Spekkoek

Van Amsterdams eerste bewoners weten we niet veel. We hebben alleen het afval dat in de bodem is verzonken en een grafveld op de plek van de latere Oude Kerk. De oudste nederzetting werd waarschijnlijk weggevaagd bij stormvloeden in 1214 en 1219. Vanaf circa 1225 kwam er nieuwe bebouwing, wat verder van de oevers van de Amstel en het IJ, op de plaats van de latere Nieuwendijk en de Kalverstraat aan de westzijde, en van de Warmoesstraat en de Nes aan de oostzijde. Archeologische gegevens van de 13de-eeuwse ophogingen wijzen op een deels nog agrarische nederzetting, met twee verschillende gezichten. Aan de oostkant verrezen de eerste bouwsels op vast afgebakende percelen aan een doorlopende dijk, aan de westkant op terpen zowel huizen als werkplaatsen, waaronder de werkplaats van een wever en een smid.

Het stadswordingsproces is af te lezen aan de omvang en de samenstelling van de ophogingen. In 1987 werden op de hoek van de Nieuwendijk en de Nieuwe Nieuwstraat de werkplaats van een wever en een huis opgegraven. De doorsnede van de bodem zag eruit als laagjes spekkoek, waarin vrij nauwkeurig af te lezen was hoe vaak de wever tussen 1225 en 1250 zijn erf steeds weer had moeten ophogen. In de tweede helft van de 14de eeuw begon men metersdikke grondpakketten van klei- en veenzoden op te brengen, vermengd met mest en spaarzaam afval. Twee eeuwen lang kon op deze forse ophogingen worden gebouwd. Mest verdween als ophogingsmateriaal, wat aangeeft dat de deels nog open, agrarische stad overging naar een dichte, stedelijke bebouwing.

 

Stadsfabrieksambt

De Alteratie van 1578 was in de stadsgeschiedenis een bestuurlijk en een maatschappelijk keerpunt. Pas daarna werd Amsterdam tussen 1585 en 1660 in vier grote campagnes uitgebreid. Ook in het grondwerk voltrok zich een verandering. Tegen het einde van de 16de eeuw had Amsterdam een goed geoutilleerd stedelijk bouwbedrijf, het Stadsfabrieksambt, dat over de technische kennis beschikte om grote ophogingsprojecten uit te voeren. Ophogen gebeurde tot dan toe op zowel stedelijk als particulier initiatief. De meest gebruikte materialen waren klei- en veenzoden, gestoken in de nabije omgeving.

Het Stadsfabrieksambt nam de regie stevig in handen en hanteerde een vaste systematiek van ophogen. De aanleg van het eiland Oostenburg in 1660-1663 – de jaren van de Vierde Uitleg – is een mooi voorbeeld van de werkwijze. Oostenburg werd ontworpen als een aantal deeleilanden. De stad legde het zuidelijke stuk aan, met woningen en de Stadsschuitenmakerswerf. Het noordelijke deel – drie kleinere, smalle eilanden achter elkaar – was bestemd voor een uitgebreid werfcomplex en kwam voor rekening van de Verenigde Oost-Indische Compagnie. Sommige eilanden kwam op het drassige oeverland, andere werden aangeplempt in het IJ.

Uit archeologisch onderzoek in 2013 en 2014 op het terrein van de oude machinefabriek van Wiener & Co aan de Oostenburgervoorstraat weten we dat het Stadsfabrieksambt de grond bouwrijp maakte in drie ophogingsfasen. Eerst verstevigde men de bodem met minimaal een halve meter stadsafval. Vervolgens werden de grachten gegraven en de vrijgekomen klei- en veenbrokken gebruikt voor een tweede laag van een meter dik. Daar bovenop kwam tenslotte nog een afdekking van klei. Alles bij elkaar dus bijna twee meter grond en afval.

 

Huisvuil

In die jaren van de Vierde Uitleg was er overal in de stad grote behoefte aan ophogingsmateriaal. Het Stadsfabrieksambt beschikte over eindeloze hoeveelheden afval, omdat de stad in tijden van stadsuitbreidingen de afvalinzameling naar zich toe trok en de verkoop van vuilnis verbood. Particulieren – ook de VOC, hoe groot ze ook was – moesten hun ophogingsmateriaal kopen bij de stad. Het gevolg was dat de VOC voor de aanleg van de werfeilanden moest improviseren. De compagnie gebruikte een willekeur aan grond met hier en daar wat afval.

Het stadsafval waarop het 16de- en 17de-eeuwse Amsterdam werd gebouwd, is een directe afspiegeling van het dagelijks leven. Van afvalscheiding om specifieke soorten afval voor de werkzaamheden te selecteren, was geen sprake: het stadsafval bestond uit een breed scala ingezameld huisvuil, met een grote verscheidenheid aan gebruiksvoorwerpen. De ophogingslagen van Vlooienburg en Oostenburg bieden daarom een goede doorsnede van de 16de- en 17de-eeuwse vondsten in de stad.

De stadsuitbreidingen vielen samen met de internationalisering van de stad. In het afval – en dus in de ophogingen – is veel aardewerk te vinden, in stukken en in scherven, voor huishoudens zowel als transport en productie. De vondsten laten zien hoe Amsterdam zich door de eeuwen heen heeft ontwikkeld wat betreft handelscontacten, uitwisseling van producten en ambachtelijke activiteiten.

Neem bijvoorbeeld de ophoging van Vlooienburg (waar nu de Stopera staat), uit de jaren 1595-1597. Daarin bevond zich het oudste Chinees porselein dat we in Nederland kennen: net nog vóór de grote porseleinimporten vanaf 1602, het jaar dat de VOC werd opgericht. De vondsten geven aan dat al zo vroeg als eind 16de eeuw porselein – mondjesmaat – aanwezig was in Amsterdam. Aardewerk leert ons ook hoe lang voorwerpen werden gebruikt. Soms decennialang, soms kort: een rijkversierd bord uit midden-Duitsland moet, gezien het jaartal 1597 dat erop was geschilderd, al kort na aankomst in Amsterdam zijn gebroken, om te eindigen in de ophoging van Vlooienburg.

 

Verzakkingen

De opgehoogde stad was nooit af, maar moest voortdurend op peil worden gehouden, want de bodemdaling zette gestaag door. De straatkeien van de 17de-eeuw lagen oorspronkelijk even hoog als de straten nu, maar zijn door de bodemdaling sindsdien zo’n twee tot tweeënhalve meter gezakt. De ophogingen waren nodig om het maaiveld op dezelfde hoogte te houden. Als een deel van de stad lager kwam te liggen dan de rest, ontstonden er onherroepelijk problemen met het water.

Dat kennis van de ondergrond wezenlijk was voor het bouwen en leefbaar houden van de stad was dus al bekend in de 17de eeuw. Stelselmatig gebruik van bodemgegevens bij het bouwen, gebeurde echter pas in de 20ste eeuw. In de tweede helft van de 19de eeuw werden in het IJ drie eilanden aangeplempt voor de bouw van het Centraal Station (1872-1877), gevolgd door het Zeeburgereiland (1866-1894) en het IJ-eiland (1896). Karren en modderschuiten maakten plaats voor zandtransport per spoor, en vanaf de 19de eeuw werd geen stadsafval meer gebruikt.

Bij de aanleg van het Stationseiland en het Zeeburgereiland kregen de bouwers te maken met onverklaarbaar sterke verzakkingen. De verklaring daarvoor kwam pas een eeuw later, met het in kaart brengen van het tracé van het Oer-IJ. 2500 jaar geleden was dat de meest noordelijke vertakking van de Rijn, die via de Vecht bij Castricum in de Noordzee uitmondde. De oude, met lagen slappe klei en veen gevulde geul van het Oer-IJ ligt diep onder de grond, maar beïnvloedt nog altijd de samenstelling van de bodem. Kennis van de ligging is van belang bij het plannen van nieuwbouwprojecten als Haven-Stad, de Sluisbuurt en de uitbreiding van IJburg.

RANJITH JAYASENA IS ARCHEOLOOG BIJ MONUMENTEN EN ARCHEOLOGIE. HIJ PROMOVEERDE EIND 2019 OP DE ARCHEOLOGISCHE GESCHIEDENIS VAN AMSTERDAM. ZIJN BOEK GRAAF- EN MODDERWERK. EEN ARCHEOLOGISCHE STADSGESCHIEDENIS VAN AMSTERDAM VERSCHIJNT OP 26 MAART BIJ UITGEVERIJ MATRIJS.

 

 

WATERHUISHOUDING

De problemen met de waterhuishouding als gevolg van bodemverzakkingen zijn anno 2020 nog altijd dezelfde als in voorgaande eeuwen. Naar verwachting zullen in de komende jaren de zeespiegel stijgen en de regenval toenemen. De afvoer van oppervlaktewater komt daardoor onder druk te staan, terwijl de bodemdaling onophoudelijk verder gaat. Nieuwe oplossingen zijn nodig om de stad leefbaar te houden.

 

 

 

Maartnummer 2020

Delen:

Buurten:
Centrum
Dossiers:
Architectuur
Editie:
Maart
Jaargang:
2020 72
Rubriek:
Verhaal
Tijdperk:
Middeleeuwen 1500-1600 1600-1700 1700-1800