Wat zegt Parijs?

De gloriejaren van de modeshow

In de jaren vijftig wijdden de kranten er paginagrote artikelen aan: wat gaat dé mode worden? Op massale modeshows van de verenigde fabrikanten werd getoond wat ‘Parijs’ voor het komende seizoen voorschreef. Totdat de individualisering toesloeg.

Modeshows zijn er nog steeds, maar ze krijgen weinig aandacht meer. Dat was in de eerste twintig jaar na de Tweede Wereldoorlog wel anders. Voor de dagbladen waren ze belangrijk nieuws en het Polygoon-journaal (weekverslag in de voorprogramma’s van de bioscopen) stond steeds op de eerste rij. Dat was de best denkbare publiciteit in die jaren, omdat nog maar weinig mensen televisie hadden. Het bekend maken van de nieuwe mode gold dan ook als een zaak van nationaal belang. En uiteraard gebeurde die openbaring in Amsterdam, dé modestad van Nederland. Al wilde men daar graag doen geloven dat alles eigenlijk was ontworpen in het heilige Parijs.

In het begin van de 20ste eeuw golden ook Berlijn en Wenen nog als belangrijke modesteden. Maar Parijs was toen toch al favoriet. Nederlanders waren te grofstoffelijk om elegante kleding te ontwerpen, daar was men het binnen en buiten ons land over eens. Rond 1900 was mode nog echt iets voor dames. Mannen hadden daar geen tijd voor: die moesten geld verdienen. Een elegant geklede echtgenote was voor hem een wandelend visitekaartje. Voor die dames waren de modebladen en modeshows een belangrijke informatiebron.

De eerste modeshow

De allereerste Nederlandse modeshow werd gehouden bij Hirsch op het Leidseplein, sinds 1882 het chicste modehuis van Amsterdam. Het nog bestaande witte pand werd hier in november 1912 geopend, nadat de kleinere oude Hirsch-winkel op dezelfde plek na 30 jaar was afgebroken. In de gloednieuwe en statige modezaak werd in de openingsweek een Revue des Modes Actuelles gehouden, waarvan het programma is bewaard in het Gemeentearchief. De show begon in de middag, werd om vijf uur onderbroken door thee, en ging door tot in de vooravond. Hirsch bleef in de jaren twintig en dertig ieder seizoen door mannequins de nieuwste modellen presenteren. Andere haute-couturewinkels en -ateliers volgden het voorbeeld. Maar pas écht toonaangevend waren natuurlijk toch de shows die af en toe in Amsterdam werden verzorgd door couturiers uit Parijs zelf, zoals Maison Clairon-Vauteuil en Maison Jeanne Lanvin.

Aanvankelijk was mode per definitie maatwerk: iedere klant werd een uniek kunstwerk. Maar natuurlijk wilden steeds meer mensen delen in dit geluk en door de stijgende welvaart had ook Jan met de pet er steeds meer geld voor over. Dus probeerden ook de fabrikanten van de aanvankelijk vrij ‘tijdloze’ confectiekleding het modebeeld zo goed en zo kwaad te volgen, al moesten de modellen natuurlijk wel seriematig maakbaar blijven. De confectionairs bestudeerden dus nauwkeurig de (geïllustreerde) krantenverslagen van de haute-couturemodeshows of stuurden er hun verspieders heen; daarna zetten ze hun eigen ontwerpers aan het werk om de Parijse vondsten in confectie te ‘vertalen’ en enigszins aan te passen aan de Hollandse smaak.

Daarmee lagen ze wel steeds een jaar achter op de nieuwste mode, al waren de meeste klanten zich daarvan gelukkig weinig bewust. Ook de confectiezaken presenteerden hun kleding voor het komende seizoen natuurlijk als het allernieuwste. In september 1924 deed De Telegraaf bijvoorbeeld verslag van een modeshow van Maison De Vries, sinds drie jaar gevestigd op de hoek van de Leidsestraat en het Leidseplein: “Wat zijn dan de kenmerken der nieuwe wintermode? Kort zijn de rokken en talrijk de knoopjes, die als een lange stippellijn menig eenvoudig jurkje sieren. ’t Parool van de mode is weer: japonnen dertig centimeter van de grond. De vrouwen zijn te verstandig geweest om opnieuw de lange rokken te accepteeren.”

Ook Gerzon (Kalverstraat) was er vroeg bij met haar shows. Half jaren dertig volgde Krause & Vogelsang, uit diezelfde straat. En zelfs Hirsch verwaardigde zich (gelet op de verminderde koopkracht in de crisistijd) confectie te gaan maken en tonen. Tegelijk moderniseerde Hirsch de regie van de show, die er tot dan toe uit bestond dat heupwiegende mannequins in een strakke rij een lang en smal podium (‘catwalk’) afliepen. Volgens het Algemeen Handelsblad van 16 maart 1935 was het “een heel aardig moment, toen tijdens de revue in het grote modehuis aan het Leidseplein drie mannequins kwamen aanwandelen, schijnbaar in zeer geanimeerd gesprek met elkander, om op deze tot nog toe in ons land vrijwel ongekende wijze haar tailor-mades en voorjaarsmantel met pélerine voor te dragen.”

De Bijenkorf verloochende in september 1938 haar oorsprong als textielbedrijf niet en kwam met een grootse show onder het motto: “Honderd procent Parijs.” Het gereformeerde dagblad De Standaard nam poolshoogte: “Naar men zegt – en het is aan te nemen – heeft Weenen voor de elegante damesmode afgedaan.”

Heemjurk met volkse motieven

Maar Wenen kreeg al snel een herkansing. Oostenrijk werd door Hitler ingelijfd bij diens ‘Derde Rijk’ en in mei 1940 bezetten de Duitsers ook ons land. Alle joodse bedrijven kregen een Duitsgezinde Verwalter, tenzij ze zelf bijtijds de leiding hadden overgedragen aan een bevriende niet-jood. De kledingproductie en -handel werd centraal geleid. In de eerste twee oorlogsjaren bleven sommige modehuizen nog onbekommerd modeshows organiseren. Datzelfde gebeurde door nieuwe overkoepelende instanties als het Rijkstextielbureau en de Bedrijfsgroep Kleedingindustrie. Daar was natuurlijk wel het assortiment aangepast, zoals blijkt uit een reportage in december 1941 in het gelijkgeschakelde dagblad Het Volk: “De mooiste ontwerpen van de Weense en Berlijnse modehuizen zweefden gisteren in het Amstelhotel te Amsterdam langs enkele honderden hunkerende en verrukte blikken. De show, die een tournée maakte door Duitsland en de bezette gebieden, werd gehouden onder auspiciën van het Rijkstextielbureau.”

Modellen waren eenvoudig en sportief, aldus de krant. “Het mooiste was een jurk met volkse motieven, een ‘heemjurk’ zou men die kunnen dopen.” Als spreekstalmeesteres trad op de bekende actrice Tilly Périn-Bouwmeester. Volgens het Nationaal Dagblad konden de dames op deze show vooral goede ideeën opdoen hoe zij hun huidige kleding zelf konden vermaken tot meer modieuze modellen, want veel te kopen was er niet: textiel was op de bon.

Na de bevrijding duurde het, mede door de nog bijna een jaar aanhoudende textielschaarste, even voor er weer modeshows gehouden werden. Maar de berichten over nieuwe snufjes drongen wel door tot Amsterdam. In Parijs, zo werd bericht, opende ene Christian Dior een modehuis dat meteen toonaangevend was. Zijn ‘New Look’ omvatte onder meer jurken met wespentaille en wijde rokken, waaronder een petticoat (een gesteven wijduitstaande onderrok). Dat zijn nieuwe stijl een Engelse naam kraag, was geen toeval, want alles uit Amerika was ineens populair. Zoals de nylonkous. Op 9 augustus 1946 zorgde Gerzon voor een stunt: in de winkel in de Kalverstraat mochten een kleine 1000 toegestroomde meisjes loten wie van hen de 100 beschikbare paren nylons mochten kopen.

In 1946 vonden alweer enkele haute-coutureshows plaats. En in november 1947 kwamen de fabrikanten van damesconfectie met een noviteit: voor het eerst organiseerden zij een gezamenlijke modebeurs, opgeluisterd met een modeshow. Aanvankelijk heette dat prozaïsch Export-Weken, maar vanaf 1947 stond het evenement (ieder voorjaar en najaar) bekend als Amsterdam Fashion Week. Die was vooral bedoeld om buitenlandse inkopers te attenderen op de kwaliteit van de Nederlandse confectie. De shows vonden die eerste jaren bij voorkeur plaats in het Amstelhotel.

Dromedaris speelt voor giraffe

In september 1950 volgden eindelijk de heren. In Frascati werd toen de Eerste Nederlandse Modebeurs gehouden, met medewerking van dertien fabrikanten. “Men denkt altijd wel, dat de herenkleding niet aan de mode onderhevig is, maar dan heeft men het glad mis,” aldus een organisator. Maar de sfeer was toch een beetje lacherig. Burgemeester D’Ailly, die de Eerste Herenmodebeurs opende, grapte dat zijn vrouw ditmaal ’s morgens extra goed had gecontroleerd of zijn boord goed zat en zijn schoenen goed gepoetst waren. Van een modeshow was hier vooralsnog geen sprake. En gewone burgers waren niet welkom. “Alleen inkopers mogen de heilige modehallen betreden.” Maar via de pers kreeg de geschrokken Nederlandse man toch duidelijke richtlijnen. “Eerste Herenmodebeurs schrijft voor: boordpunten volgend jaar twaalf centimeter. En opvouwbare hoeden.”

Pas in september 1952, op de Vijfde Herenmodebeurs in het (oude) RAI-gebouw in de Ferdinand Bolstraat, werd voor het eerst een modeshow gehouden met mannelijke mannequins. De recensent van Trouw was mild: de optredende mannen “deden nog wat onwennig op de planken” en wisten duidelijk geen raad met hun handen. Maar het communistische dagblad De Waarheid vertolkte het gevoelen van de gemiddelde havenarbeider: “Kunt u zich de indruk voorstellen, die een dromedaris maakt als hij net zo mooi wil zijn als een giraffe?” Kortom: “’t Was een mislukking, een degradatie van de mannelijke waardigheid.” De herenmannequins namen de kritiek kennelijk ter harte. In maart 1953, bij de Zesde Herenmodebeurs, berichtte althans De Telegraaf: “Mannelijke mannequins al heel wat vlotter.”

Tja, mannequin was een vak geworden. Ene Gerda Siemer zag een gat in de markt en stichtte op de Weteringschans een heuse mannequinschool. Maar dat was geen succes. De eerste show van haar eindexamenkandidaten, in november 1950 werd vernietigend besproken, onder meer in Het Vrije Volk: “Talent voor dit vak blijkt wel heel schaars te zijn. Er was een categorie die door de zaal draafde of ze door bloedhonden op de hielen werden gezeten. Anderen schoven vooruit, alsof ze een stok hadden ingeslikt. Weer anderen gedragen zich als huppelende balletmeisjes, en één dreigde zelfs herhaaldelijk over tafels en stoelen te vallen, maar zag daar telkens nog net op het laatste moment van af.”

De presentatie op de catwalk was dus zo eenvoudig niet en vooral in de confectiewereld koos men steeds vaker voor een lollige aankleding. Zelfs bij een serieuze winkel als Metz & Co in de Leidsestraat. Die toonde op 16 maart 1950 haar nieuwe voorjaarscollectie in het Victoriahotel: “En fris als het voorjaar zelf waren de vrolijk gekleurde huishoudjaponnen met wijd vallende rug en gesloten van voren met een strikceintuur. Rood, groen en blauw, zo stapten ze achter elkaar aan en in de blanke handen met roodgelakte nageltjes droegen de coquette mannequins, als opzienbarende accessoires een stoffer en blik, aankondiging van de naderende schoonmaak!”

Naast de grote, gezamenlijke shows van de confectiefabrikanten, bleven diverse modehuizen (die al dan niet een eigen atelier hadden) hun shows geven, en ook de beroemde Parijse ontwerpers kwamen nog geregeld naar Amsterdam. Die exposeerden dan bij voorkeur in het Victoriahotel, tegenover het Centraal Station. In september 1954 waagde zelfs een Franse stoffenfabrikant het in Amsterdam een modeshow te geven, al vonden de echte kledingfabrikanten dat een gotspe. Maar ja, het was niet de eerste de beste lapjesboer. Marcel Boussac was de grootste katoenfabrikant van Europa en (naast eigenaar van een renpaardenstal waar de Engelse koningin Elisabeth stinkjaloers op was) ook nog eens eigenaar van couturehuis Dior. Die show (het jaar daarop herhaald) werd groots aangepakt, vertelt René Kahn (83, en overigens geen familie van de Hirsch-oprichter), die destijds op Herengracht 23 Amsterdams agent was voor de firma Boussac.

De show vond plaats in hotel Carlton bij de Munt en hiervoor werden zes bloedmooie mannequins uit Parijs ‘ingevlogen’. Die kregen hier een ontvangst als filmsterren, met een rondvaart door de Amsterdamse grachten. Het publiek bestond uit textielgrossiers, confectiefabrikanten, inkopers van de grote winkels en mensen van de pers en het Polygoon-journaal. Kosten noch moeite waren gespaard. Iedereen droeg avondkleding. Na de show werden tijdens een drankovergoten receptie de agenda’s getrokken en telefoonnummers genoteerd. En daarna was het bal, tot diep in de nacht. Voor de oorlog was een thé complet bij een modeshow al heel wat geweest. Bij de shows van de Amsterdam Fashion Week en de Herenmodebeurs ging het er overigens ook nog steeds sober aan toe.

‘Allen spreken elkaar tegen’

“Eén ding is zeker,” concludeerde het Algemeen Handelsblad in september 1954, “in Amsterdam hoeft niemand te gronde te gaan aan een gebrek aan modeshows: wie zich geroepen voelt kan desnoods iedere dag een andere demonstratie bijwonen.”

Iemand die dat beroepshalve deed, was Constance Wibaut (1920), kleindochter van de beroemde wethouder en nog altijd actief als beeldhouwster. Van 1953 tot 1970 was zij moderedactrice van Elsevier’s Weekblad en bovendien modetekenares: een ongebruikelijke combinatie. Dat tekenen mocht overigens niet tijdens die shows, weet ze nog. Achteraf leende ze zo’n jurk tot de volgende ochtend, en tekende die dan ’s nachts na. Die Amsterdamse shows, ach ja, daar moest je natuurlijk wel over berichten, maar hét gebeurde natuurlijk in Parijs. Daar ging ze dan ook veelvuldig heen. Niet dat het een pretje was, want als buitenlandse journalist werd je daar honds behandeld.

Zij was intussen getuige van een nieuwe ontwikkeling: de opkomst van de Nederlandse modeontwerpers. Die waren er natuurlijk altijd geweest, maar in het verborgene. Nu traden zij naar buiten, brachten hun eigen shows en openden hun eigen modesalons. En van de allereersten was Max Heymans, aanvankelijk alleen bekend als hoedenontwerper. In 1940 opende hij een hoedensalon in zijn woning op het Frederiksplein, waar hij vanaf 1946 ook shows ging geven. Daar was de sfeer veel intiemer dan in die dure hotels of grote hallen, en het zat er bomvol. Nét Parijs, vonden de verrukte journalisten: “Alleen al omdat men er opeengepakt zit op wankele stoeltjes, in een broeikasatmosfeer, en omdat de shows veel te laat beginnen.”

Ferry Offerman begon ongeveer gelijk met Heymans, andere jonge Amsterdamse ontwerpers traden in hun voetsporen: Dick Holthaus, Edgar Vos, Frank Govers, Frans Molenaar. En zij allen ondervonden de invloed van de jeugdrevolutie van de jaren zestig. De nieuwe rolmodellen waren de Beatles en de Rolling Stones. Niemand luisterde meer naar Parijs. In 1968 hield Mary Quant, de Engelse uitvindster van de minirok, in De Brakke Grond een modeshow met beatmuziek. Maar in 1969 kwam alweer de unisex-kleding, en de maxirok, en de midirok. Constance Wibaut zag er geen gat meer in, en vertrok als redactrice. “Met het showen van hun collecties hebben de Parijse couturiers de knuppel in het hoenderhok gegooid,” constateerde De Telegraaf in februari 1970. “Confectie-industrie, groothandelaren en kopers zitten met de handen in het haar. Wat is de rokhoogte? Wat moet er worden ingekocht? Allen spreken elkaar tegen.”

In de jaren zeventig gingen talloze Amsterdamse kledingfirma’s over de kop. En grote stedelijke modeshows waren verleden tijd. De tijd van de vanzelfsprekendheden was voorbij.

Tekst: Peter-Paul de Baar
Foto: Stadsarchief
November-December 2004

Delen:

Dossiers:
Kunst en Cultuur Mode
Editie:
December November
Jaargang:
2004 56
Rubriek:
Verhaal

Gerelateerd

Hobbezakjes op de Dam
Hobbezakjes op de Dam
Verhaal 1 november 2004
Confectie van stoep tot stoep
Confectie van stoep tot stoep
Verhaal 1 november 2004