Wat een ellende en wat een moed!

In september 1877 begon de Franstalige Belgische schrijver Charles de Coster (1827-1879) voor het tijdschrift Le Tour du Monde aan een reeks reizen door Nederland. Hij begon in Amsterdam en nam zijn intrek in een hotel aan de 'Kalver-Straat', vanwaar hij lange wandelingen door de stad ondernam. Na Amsterdam maakte hij nog enkele andere excursies, maar werd ziek en stierf in mei 1879 in Brussel. De schepper van De legende en de heldhaftige, vrolijke en roemrijke avonturen van Uilenspiegel en Lamme Goedzak in het land van Vlaanderen en elders gaf hoog op van de Nederlanders. Hij liet zich ook kennen als een gemoedelijke, gevoelige man, die oog had voor de armoede en ellende van het lagere volk, onder wie de Amsterdamse Joden.

"Men kan altijd weer wonderen verwachten van dit Hollandse volk, dat zo nijver is, zo van aanpakken weet en dat zoveel doorzettingsvermogen heeft, ondanks zijn goedmoedig en flegmatiek uiterlijk.
Wij zijn in het Jodenkwartier met zijn Joden Burght, Joden Bree Straat, enz. Hier hangt niet die haast monumentale droefheid en naargeestigheid die men ziet op de fotografieën die het Ghetto, maar het oude Ghetto, voorstellen van het oude Amsterdam.
Het Jodenkwartier wordt niet bevolkt door rijke mensen – integendeel – maar in het algemeen zijn zij die er wonen en die er krioelen vrolijke, geduldige en ijverige mensen. Hier wemelt het, als in een mierenhoop, van kleine bedrijfjes; men verhandelt hier al wat men bedenken kan; hier wonen alle uitdragers, alle handelaars in oude rommel, alle voddenrapers en alle handelaars in lompen. Met ziet hier armoede in allerlei graden, haveloze oude vrouwen, mager en bleek, in lompen gehuld, die voor een cent geraspte kaaskorst kopen of de pezen van een lever die een hond niet zou lusten.
Wat een ellende en wat een moed! Niemand bedelt er: iedereen koopt en verkoopt iets, onverschillig wat. Maar geheel dit arme volkje is vrij en hoeft niet meer, zoals in de middeleeuwen te Worms, zich eens per jaar in plaats van de paarden voor de tredmolen van de stad te spannen.
De Joden zijn verenigd in een bloeiende vrijmetselarij. Hun godsdienst maakt broeders van hen. Zij zijn intelligent en kunnen voortreffelijk spreken. Als iemand een ingewikkelde en moeilijke rechtzaak heeft, gaat hij naar een Joodse advocaat.
Vrijgevig en gastvrij zijn zij voor hun geloofsgenoten, en steeds erkentelijk voor het goed dat men hun doet, zullen zij nooit een van hun broeders in de steek laten als hij in moeilijkheden verkeert.
Ik was in de gelegenheid af te dalen in een kelder die door een Joodse schoenlapper werd bewoond. Boven de ingang was van overheidswege een bord aangebracht waarop met grote drukletters geschreven was: Besmettelijke ziekte, mazelen. Ik stond naar het bord te kijken toen de schoenlapper vroeg of ik binnen wilde komen.
Het was een echte kelder. Het licht moest er binnenkomen langs de trap en door een klein venstertje. Ik had enige tijd nodig om te wennen aan het halfdonker. In een bakstenen komfoor brandde of liever rookte turf. [...] Twee bedden [...] vormden in het donkere achtergedeelte van de kelder de slaapkamer. Voor een van de bedden waren de gordijnen opzijgeschoven.
'Wilt u de zieke zien?', vroeg de schoenlapper.
Ik antwoordde bevestigend en zag in de grijze diepte van de lakens het bleke gezicht van een ziek kind. De grote ogen stonden vermoeid of drukten gelatenheid uit.
'Geef een handje aan mijnheer', zei de man en het kind strekte zijn handje uit.
'Wat heeft hij?', vroeg ik.
'Hetzelfde wat hij al eens eerder gehad heeft, maar ik weet niet wat het is.' De schoenlapper dacht zeker dat ik niet had kunnen vertalen wat er op het bord daarbuiten stond. Er heerste hier een grote ellende, die ondanks orde en netheid niet verborgen kon blijven. Ik verliet terneergeslagen deze arme woning, maar voor ik wegging wilde ik het kind iets geven.
'Hou, hou!', zei de schoenlapper verbaasd en gelukkig toen hij mij mijn portemonnee zag openmaken. Hij draaide op de plaats rond en klapte in de handen. Toen hij me naar buiten begeleidde, vertelde hij me dat dit kind een wees was, 'zonder vader of moeder' voegde hij erbij: een kleine vondeling die hij had geadopteerd omdat hijzelf geen kinderen had en de kleine van zijn eigen geloof was."

CHARLES DE COSTER, ZIJNE VROUW ZET BLOEDZUIGER. AMSTERDAM 1877, WERELDBIBLIOTHEEK, AMSTERDAM-ANTWERPEN, 1964.

Beeld: Kelderwoningen zoals De Coster die bezocht waren er vele in Amsterdam, nog tot diep in de twintigste eeuw. Deze foto uit 1926 toont de kelderwoning van een moeder met haar doofstomme zoon, die (net als in De Costers verhaal) schoenlapper is. Boven de deur hangt een bordje met prijzen. Stadsarchief Amsterdam.

Delen:

Buurten:
Centrum
Dossiers:
Editie:
Juni
Jaargang:
2018 70
Rubriek:
Stemmen uit het verleden
Tijdperk:
1800-1900