Warm water voor het Hygiëaplein

Guus Luijters beschreef in december in zijn column de schoorsteen die in het straatje van het Hygiëaplein naar het Olympiaplein duidelijk zichtbaar is. Niet alleen aan die kant, maar ook in het andere stuk van de Hygiëastraat wat het plein met de Stadionweg verbindt, torende een schoorsteen boven de muur uit. Het zijn de schoorstenen van de stookhuizen voor de centrale warmwatervoorziening.

Met een forse straal heet water liep in no-time de badkuip vol bij mijn grootouders die vanaf 1933 aan de kant van het Olympiaplein woonden op nummer 35. Mijn grootvader woonde vlakbij “zijn” Olympiaschool, waarvan hij na de oorlog hoofd werd.

Maar ook aan de andere kant van het plein werd weleens een badkuip voor me gevuld. In 1947 waren mijn andere grootouders daar neergestreken. Vlakbij de Hygiëastraat waardoor je naar de Stadionweg liep en waar halverwege de ingang was naar het stookhuis en naar de werkplaats en het kantoor van de woningbouwvereniging Zomers Buiten. Mijn grootvader was daar lange tijd de voorzitter van.

Warm water in badkamer en keuken voor een extra bijdrage van 90 cent per week op de huur die in 1932 om en nabij de acht gulden was. Een dergelijke regeling zonder prikkel om zuinig met dat warme water om te springen zou nu ondenkbaar zijn. Toen werd echter groter belang gehecht aan het bevorderen van de hygiëne, waarbij het baden ook een genot moet zijn, zoals wethouder De Miranda bepleitte.

Vanaf de jaren twintig van de vorige eeuw werden er steeds meer woningen voor arbeiders en middenklasse gebouwd met een badkamer. De warmwatervoorziening werd echter overgelaten aan het eigen initiatief van de huurders. Zij konden een elektrische boiler of een gasgeiser huren. Niet iedereen had echter geld over voor iets wat voor de meesten nog een onbekende luxe was. Voor de wekelijkse wasbeurt werd een tobbe gevuld of men ging naar één van de talrijke gemeentebadhuizen. Van de duizend gemeentewoningen in Tuindorp Nieuwendam bleek dat na enkele jaren velen van de douchecel een berging of slaapkamer maakten. Maar veertig procent gebruikte hun douche en daarvan waren er nog, die geen warm watervoorziening hadden. Waar deze laagbouwwoningen zich niet leenden voor een centrale warmwatervoorziening was dat anders bij de woningen in de Stadionbuurt.

Daarvoor werd de Stichting Centrale Warmwatervoorziening opgericht, waarin de Algemeene Woningbouwvereniging, Zomers Buiten, Rochdale en de Protestantsche Woningbouwvereeniging participeerden. Om geen wegen te hoeven kruisen werden er drie stookhuizen gebouwd.

Tot aan de zomer van 1940 werd dagelijks tot ’s avonds laat heet water geleverd. Daarna werd dit door brandstofschaarste afgebouwd. Aan de bewoners werden brandstofbonnen gevraagd. Desondanks kon men de benodigde steenkool niet geleverd krijgen en werd nog slechts op enkele dagen en uren gestookt. Maar zeker tot in de winter van 1943/44 was er zo nu en dan warm water. In die tijd haalde mijn grootmoeder elke zondag een joodse onderduiker op om hem de voor zijn hartkwaal voorgeschreven wisselbaden te laten nemen. Ook kon hij dan een paar uurtjes bij zijn vrouw doorbrengen. Zij had bij mijn grootouders onderdak gevonden.

Eind 1945 was er op twee dagen in de week weer warm water, maar pas in 1950 was er weer de hele week warm water. Wel werd de toeslag op de huren die rond de zeven gulden lagen verhoogd tot fl. 1,10 per week. In 1957 werden de badkuipen verwijderd en vervangen door een douche en een wastafel. Ook verdween de opslag op de huur.

 

Ypke Snoek-Mulder

 

Ook anderen lezers reageerden op de column van Guus Luijters, ieder met hun eigen herinneringen.

 

Beeld: 1934, Collectie Stadsarchief Amsterdam

 

Delen:

Buurten:
Zuid
Dossiers:
Architectuur
Rubriek:
Herinneringen