Walviszeep

In 1860 waren de laatste walvisvaarders naar de Noordelijke IJszee vertrokken. In de zeventiende en achttiende eeuw had de walvisvangst hoogtij gevierd. Nu kwamen de schepen terug met een oude walvis en een paar zeehonden. De IJszee was volledig leeggevist. Maar in 1946 werd, onder leiding van de Amsterdamse rederij Vinke & Co de NMW opgericht, de Nederlandsche Maatschappij voor de Walvischvaart. Het naoorlogse noodlijdende Nederland miste van alles. Het kon de traanolie die uit het walvisspek gekookt werd, goed gebruiken voor het maken van zeep en margarine. De directeur van de Amsterdamse Droogdok Maatschappij, A.M. Versluys, zou tijdens de oorlog op het idee zijn gekomen de walvisvangst weer op te pakken. Toen hij werd betrapt op het illegaal vangen van een klein visje, zou hij geroepen hebben: ‘Maar man, maar moet je me daar nu voor beboeten? Het is toch geen walvis?’
Nu werd de vangst verlegd naar de Antarctische wateren. De eerste reis, op 27 oktober 1946, verliep rampzalig. Slechts twee van de zeven schepen bereikten hun einddoel. Een bemanningslid kwam om. Er was bijna 2 miljoen gulden nodig aan reparaties. Toch maakte de vloot winst, dankzij de hoge traanprijzen. Na die ongelukkige start zou de Nederlandse walvisvaart tussen 1948 en 1954 een hoge vlucht nemen. Een toenmalige kapitein: ‘Waar je ook ging, zag je spuitende walvissen. Echt duizenden vissen. Meer zelfs dan de vloot aankon.’ Het aantal walvissen liep echter in een hoog tempo terug en in 1964 kwam er – nu voorgoed? – een eind aan de Nederlandse walvisvaart.

Martijn Blekendaal, ‘Je kreeg een bonus per vat walvistraan’. Veertig jaar na het einde van de Nederlandse walvisvaart, in: Historisch Nieuwsblad 6 juli/augustus 2004.   

Emma Los
Oktober 2004

Beeld: Willem Barendsz ter walvisvaart, 2 november 1949. Collectie Nationaal Archief. 

Delen:

Buurten:
Oost
Dossiers:
Amsterdammers Economie
Editie:
Oktober
Jaargang:
2004 56
Rubriek:
Herinneringen
Tijdperk:
1900-1950