Wakker zonder wekker

Hoe porders eeuwenlang de stad wekten

“Ziet u es, zoo’n wekker, da’s een dood ding. Loopt-ie af, en ben je er niet dadelijk bij, om het dek weg te gooien en je beenen uit bed te zwaaien, dan slaap je subiet weer in… Maar een porder… kijk, da’s wat anders. Je klopt, en hoor je niks, dan klop je nog es… En hoor je dan wat stommelen, dan roep je: ‘Ben je op’, net zoo lang tot-ie klaarwakker is. Dat’s ’t verschil.”

In 1923 vierde J.H. Berteling, oftewel Ome Jan de Porder, het heuglijke feit dat hij al 40 jaar als porder werkte. Reden voor een interview vond De Telegraaf en een journalist ging bij hem langs op de eerste etage van Rozengracht 198. Ome Jan bleek een enthousiast vakman. In al die jaren had hij zich slechts één keer verslapen. Al om 1 uur ’s nachts ging hij eropuit met zijn porstok en een dikke bos sleutels. Hij fungeerde zelfs als wekker voor een aantal van zijn collega’s, zodat zij op hun beurt met hun ronde konden beginnen. De porders en porsters gingen langs de deuren van hun klanten en maakten ze op het afgesproken tijdstip wakker. Vaak gewapend met een porstok, zoals Ome Jan, om op deuren of trappen te roffelen. Soms ook met een hengelstok, zodat ze op de bovenramen konden tikken. Als er een deurbel was, werd ook die gebruikt om de klant zijn bed uit te jagen. Moest iemand echt uit zijn bed worden gehááld, dan had de porder ook een sleutel of loper om binnen te kunnen komen.

Een wonderlijk fenomeen, dat beroep van porder. Wanneer het precies is ontstaan is niet duidelijk, maar de getraceerde sporen van de porders in de Amsterdamse archieven zijn zonder uitzondering afkomstig uit de 19de en begin 20ste eeuw. Ook in de literatuur lijkt de porder een typisch 19de-eeuws fenomeen. Er moet wellicht in die periode een grotere behoefte zijn ontstaan om op tijd wakker te worden, zoals het groeiende aantal porders in het begin van de 19de eeuw laat zien. In 1806 telde de Amsterdamse beroepsbevolking officieel 24 porders, in 1849 al 52 en in 1859 54.

Een reden om op tijd gewekt te willen worden, kwam voort uit de langzamerhand veranderde leef- en werkomstandigheden. Vooral in de steden gingen de mensen in de loop van de vroegmoderne tijd volgens een strikter (werk)ritme leven en begonnen de tijd anders te ervaren. Er ontstond tegen de 18de eeuw een besef van minuten en uren, van een ‘dag werk voor een dagloon’. Voorheen had de klok geen grote rol gespeeld. Tijd was een relatief begrip. Alleen in de kloosters waren strikte gebedstijden al vroeg in de Middeleeuwen heel belangrijk. Daar werden klokken en wekkers gebruikt. Geen uurwerken zoals wij die nu kennen, maar een soort eierwekkers, die de hele nacht liepen en op het juiste moment een bel lieten klinken.

Als de gewone burger wilde weten hoe laat het was, keek hij naar de stand van de zon of hij luisterde naar het slaan van de uren door de torenklokken. Ook werden klokken geluid bij bijvoorbeeld het openen en sluiten van de stadspoorten en de IJ-haven (de boomklok) en bij het begin en einde van markten. Pas vanaf het midden van de 15de eeuw kwamen er wijzerplaten op de klokkentorens. En toen draaide er slechts één wijzer rond, de urenwijzer. Het zou meer dan twee eeuwen duren voor de minutenwijzer werd toegevoegd, een nieuwigheid die mogelijk was geworden door een uitvinding van de natuurkundige Constantijn Huygens: de slinger. Daarvoor had een dergelijke verfijning geen zin, aangezien de klokken toch nooit precies de goede tijd aangaven.

De klok en de duisternis

In de loop van de tijd werd stiptheid belangrijker en begon de klok een steeds prominentere functie te krijgen in het dagelijks leven van de Amsterdammer. Dat werd vooral veroorzaakt door de veranderende werktijden. Lange tijd werkten de meeste mensen als het nodig was om te werken, ze bepaalden grotendeels zelf wanneer en hoe dat gebeurde. Omdat bovendien tot in de 19de eeuw de straat- en binnenverlichting nog heel wat te wensen overliet, begonnen de meeste Amsterdammers vaak met werken zodra het licht werd en stopten ze bij zonsondergang. Alleen de bakkers bijvoorbeeld werkten ’s nachts.

De werkomstandigheden veranderden onder invloed van het opkomende kapitalisme en de industriële revolutie. Fabrieksdirecteuren begonnen de productie te intensiveren en de werkdag te verruimen. Arbeiders in de fabrieken moesten precies op tijd beginnen en moesten doorwerken tot de vereiste werktijd erop zat. Arbeid werd aan strikte werktijden gebonden. Discipline was daarbij het sleutelwoord. De werktijden werden bovendien steeds langer: midden 19de eeuw werkte men in de Amsterdamse diamantslijperijen twaalf tot vijftien uur per dag. Voerlieden waren zo’n tien tot zestien uur per dag in touw en barpersoneel soms tot 40 uur achter elkaar.

Het waren dus vooral de Amsterdamse arbeiders die vroeg uit de veren moesten. Zeker toen er nog nauwelijks openbaar vervoer was in de stad en de fiets nog niet zo’n algemeen voorkomend verschijnsel was als tegenwoordig, deden arbeiders en werklieden er ook nog lang over om op hun werk te komen. Maar ook huisbedienden dienden vroeger op te staan dan hun werkgevers, om een uur of zes, en dan “overal de luiken openen en de deuren opensluiten”, het ontbijt klaar te zetten en het gezin te wekken.

De elite had veel meer vrijheid qua werktijden en dat betekende doorgaans dat deze groep Amsterdammers niet zo heel vroeg aan de slag ging. Volgens een verslag uit 1812 van Arnoud Willem baron van Brienen van Groote Lindt stond de stand van de rijke kooplieden en bankiers in Amsterdam “gewoonlijk in den zomer ’s morgens te zeven of half acht en in den winter ten acht ure op”. Ook de middenstand hield dat ritme aan. Moest een rijke koopman eens op tijd opstaan om bijvoorbeeld de trein te halen, dan zorgde zijn personeel ervoor dat hij zich niet versliep. Ook had de betere stand al heel vroeg (wek)klokken in huis. En hoewel er ook relatief simpele klokken, doorgaans met één wijzer, met een wekfunctie bestonden zoals de zogenaamde ‘meidenklokken’ (zodat de dienstmeid op tijd kon opstaan om de kachel op te stoken en het ontbijt te bereiden), gingen veel arbeiders porders inhuren om zich te laten wekken. De porder kostte ook niet zo heel veel. Hij ving begin 20ste eeuw elke week 20 cent tot een kwartje per vaste klant, maar ook wel minder. Hoefde je maar één keer gewekt te worden, dan kostte dat een dubbeltje, getuige het bordje dat een porder in 1907 op zijn huisdeur gespijkerd had:

“Ik kom porre en wekke

iedere menuut in de etmaal.

Een dubbeltje per keer,

vanaf twee keer een stuiver.”

Een porderswijk bestond uit zo’n 30 tot wel 100 klanten. De porder moest dus flink doorlopen om iedereen op tijd uit bed te krijgen. Omdat porren meestal geen vetpot was, deden velen er ander werk naast. Zo was Jacob Mender, die eind 19de eeuw in de Keizersstraat woonde, porder én timmerman. Een andere Amsterdamse porder, Hendrik Snel (1802-1855), was ook boekdrukkersknecht. Andere porders werkten als kruier en haalden en bezorgden in de ochtend- en middaguren overal in de stad pakjes en goederen. En voordat in 1881 de nachtwachten werden afgeschaft, liepen tientallen van hen in nachtelijk Amsterdam hun rondes met hun ratel in de hand. Om wat extra te verdienen, klusten ze dan soms bij als porders.

Hoewel een enthousiasteling als Ome Jan de Porder ons anders wil doen geloven, zal het beroep niet erg populair zijn geweest. Behalve de lage en wisselende inkomsten waren ook de arbeidsomstandigheden niet al te best. Of het nu regende, sneeuwde of vroor, de porder moest elke nacht zijn wijk aflopen en op tijd bij zijn klanten zijn. Deed ie dat niet, dan was hij ze kwijt. Men werd vaak porder omdat men eenvoudigweg geen keus had. Zo was de vader van Johnny Jordaan porder, maar alleen als hij geen werk kon vinden als dakdekker of stoker. Per nacht wekte hij dan 50 tot 60 klanten, en dat zes dagen per week, bij sommige klanten kwam hij zelfs op zondag.

Mie de porster

Opvallend is het hoge aantal vrouwelijke porders oftewel porsters, wat ook een aanwijzing kan zijn voor de lage status van het beroep. Dat laat ook het beroemde verhaal ‘Mie de Porster’ van Justus van Maurik zien, in 1878 gepubliceerd in De Amsterdammer (de voorloper van de huidige Groene Amsterdammer). Mie is een 70-jarige weduwe die uit pure armoede moet porren om zichzelf en haar zwakke kleindochter te onderhouden. Ook poetst ze nog van zeven tot tien uur schoenen, omdat ze anders niet rondkomt. Een droevig stemmend verhaal – gelukkig wel met een happy end - dat de gegoede lezers van De Amsterdammer duidelijk moest maken hoe het harde bestaan van de Amsterdamse onderlaag eruitzag.

Hoe groot het percentage vrouwelijke porders precies was, is niet duidelijk omdat cijfers ontbreken. Wellicht mogen we wel iets afleiden uit de 88 bewaard gebleven nieuwjaarswensen die in het bezit zijn van het Amsterdams Gemeentearchief. De porders en porsters boden deze gedrukte nieuwjaarswensen aan hun klanten aan op de eerste dag van het nieuwe jaar in de hoop op een mooie fooi. De ‘nieuwjaarswensch’ van de porster weduwe Haag van 1 januari 1886 begon met de regels:

“De porster die zoo menig keer

U uit den slaap komt wekken,

Voelt zich op dezen dag ook weêr

Als naar uw woning trekken;

Doch roept thans niet om op te staan,

Maar biedt u een Nieuwjaarswensch aan.”

Op de wenskaarten met dit soort simpele rijmpjes staan 17 verschillende vrouwennamen vermeld tegen 27 mannennamen. De oudste nieuwjaarswens, uit 1818, is afkomstig van een zekere Johanna Kloufing, de meest recente uit 1915 is eveneens van een vrouw, de weduwe Pothoven. Het aantal vrouwen is des te opvallender, omdat porren bepaald geen vrouwvriendelijk beroep was. In hun eentje moesten de porsters ’s nachts met hun lantaarn door de slechtverlichte straten lopen. Ze hadden dan wel een porstok bij zich, maar toch.

De werktijden en de betaling waren natuurlijk ongunstige kanten van het beroep, maar het had toch ook een zekere charme. Vooral voor de klant. Het had wel wat om uit je bed getrommeld te worden door een porder of porster. Als je al om vijf uur in de winter je bed uit moest of nog eerder, dan was het een troost dat iemand anders nóg eerder had moeten opstaan om jou persoonlijk te komen wekken en voor je deur stond te blauwbekken van de kou. Daar kon geen rinkelende wekker tegenop. Sommige porders maakten er helemaal een vrolijk ontwaken van. Zo woonde in Amsterdam een porder met de naam Lood, een mager scharminkel met een zeer luide stem. Hij ‘rende’ ’s morgens zijn klanten af, roffelde op de deuren, riep “wakkersworden” en gaf daarbij ook het weerbericht door: “’t heeft vannacht krimmeneel geijzeld, zodat je een paar sokken om je schoenen moet binden” of “een weertje om te zoenen”. Ook meldde hij de laatste nieuwtjes, de ongelukken die er ’s nachts waren gebeurd, of de brandjes die hadden gewoed. Een soort radionieuwsdienst avant la lettre dus, die je voorbereidde op de nieuwe dag.

Toch is het beroep van porder verdwenen. De porder was weliswaar niet duur, hij kostte toch heel wat meer dan een wekker. Hij vroeg zo’n kwartje per week, terwijl een goedkope wekker begin 20ste eeuw maar zo’n 75 cent kostte en die wekte je ook iedere dag, jarenlang.

Net voor het begin van de Tweede Wereldoorlog werkten er nog maar drie porders in Amsterdam. Hun klanten waren voornamelijk oudere arbeiders die niet aan de wekker wilden. De haven- en ambachtslieden waren van jongs af gewekt door porders en hielden vast aan die gewoonte. In dat nieuwerwetse apparaat dat als wekmiddel in zwang kwam, hadden ze geen vertrouwen. Met deze trouwe klanten stierf ook het beroep voorgoed uit. De oude Ome Jan de Porder sloeg in 1923 dan ook flink de plank mis toen hij in het Telegraaf-interview vol optimisme beweerde dat de wekker niet tegen de persoonlijke service van de porder opkon, en daaraan toevoegde: “Een porwijk is krek een duivenplat, zóó heb je er veel en zóó vliegen ze allemaal weg… Maar meestal komen ze terug.”

Het uitsterven van de porder zal ten slotte ook een andere oorzaak hebben gehad dan de onstuitbare opmars van goedkope, massaal geproduceerde wekkers. Porders maakten namelijk door hun luide geroep, geschel en geklop vaak niet alleen de klant wakker, maar ook vele omwonenden. Het is nogmaals Justus van Maurik die ons hierover vertelt in een van zijn vele verhalen over het vroegere Amsterdamse stadsleven: “Ik was al wakker (…), want achter mijn woning, in ’t nauwe straatje, was reeds een porder aan ’t porren geweest en hij maakte leven voor twee. Dáár wonen ambachtslieden, menschen die vroeg uit de veeren moeten, en dat zij vast slapen, nadat zij vermoeid zijn ter ruste gegaan, is geen wonder.” Het was een onhandige bijkomstigheid van dit eeuwenoude fenomeen: als de porder één man riep, werden er soms wel 100 wakker…

Delen: