Waar wonen de meeste ‘geboren Amsterdammers’?

Ons Amsterdam - onderzoek

Amsterdam is een doorgangshuis: vergeleken met de meeste andere steden en dorpen wordt de bevolking er al eeuwenlang opvallend snel ‘ververst’ – en juist daardoor is Amsterdam zo levendig. Over de nieuwkomers is de laatste jaren terecht veel geschreven. Maar laten we ook eens kijken naar de blijvers: wie zijn ze en waar wonen ze? Op verzoek van Ons Amsterdam stelde het Amsterdamse Bureau voor Onderzoek en Statitiek (O+S) een onthullend onderzoek in.

Leer mij ze kennen, de Amsterdammers heette een populair boekje dat rond 1970 verscheen, in een serie over de bewoners van allerlei steden en streken in Nederland. De Amsterdammers werden gepresenteerd als een diersoort met een vaststaand karakter, met hun aparte Amsterdamse humor en tegendraadsheid. En de allerechtste Amsterdammers waren natuurlijk de geboren Amsterdammers.

Dat was tóen al een beetje onzin. Die typisch Amsterdamse mentaliteit met die typisch Amsterdamse gein, die tegendraadsheid, die tolerantie, dat nonconformisme, zijn juist het resultaat van het feit dat Amsterdam altijd al een stad was vol immigranten die steeds weer nieuwe kennis, ideeën en stijlen inbrachten. Pakkend voorbeeld: juist dat woord ‘gein’ is hartstikke jiddisj, dus afkomstig van Oosteuropese joden die in de 17de eeuw als vluchtelingen naar Mokum kwamen.

Oudste wijk scoort het laagst

Anno 2001 woont zo’n 60% van de Amsterdammers al tien jaar of langer in de stad. Dat getal suggereert grote stabiliteit, maar dat is schijn: die blijvende bewoners (ruim 400.000) hebben gemeten over zo’n tienjarige periode zo’n 500.000 anderen zien komen en gaan. Per saldo is minder dan de helft (45%) van alle Amsterdammers van 2001 in Amsterdam geboren.

Dat de meeste allochtonen wonen in buurten als Bos en Lommer, Nieuw-West en de Bijlmermeer wist u natuurlijk al, want – terecht – hebben kranten en tijdschriften over die groepen veel geschreven. Over de autochtonen is intussen heel wat minder uitgezocht en gepubliceerd. Laat staan over een specifiek deel van de autochtonen: de mensen die in Amsterdam geboren zijn. Die gegevens wáren er natuurlijk wel altijd, sinds Amsterdam in de 19de eeuw een bevolkingsregister kreeg, werd in principe van alle bewoners de geboorteplaats opgetekend. Maar van statistische analyse was het maar zelden gekomen, tot Ons Amsterdamdaar expliciet om vroeg.

Het onderzoek ging over drie vragen. Hoe groot is het aandeel van de geboren Amsterdammers binnen de totale bevolking van Amsterdam? In welke buurt (‘buurtcombinatie’ in gemeentelijk jargon) wonen de meeste? En de minste? En is het beeld erg veranderd in de loop der jaren?

Eén teleurstelling moesten we slikken: de oudste vergelijkende gegevens dateren van 1987, dus vijftien jaar geleden. Vóór die tijd kon het de gemeentelijke statistici kennelijk weinig schelen wie in de diverse buurten wel of niet in Amsterdam geboren was.

Zoals gezegd woont 45% van alle Amsterdammers hier al vanaf de geboorte. Maar het ene deel van de stad is het andere niet. De gemeente verdeelt Amsterdam administratief in 94 buurtcombinaties, die samen vijftien stadsdelen vormen. Bij opsplitsing van de bevolkingsgegevens blijkt dat de binnenstad en de omliggende stadsdelen (dus zeg maar: het vóór 1900 ontstane deel van de stad) de minst Amsterdamse bevolking hebben. Het allerlaagste percentage van heel Amsterdam wordt gemeten in buurtcombinatie A01, alias ‘Burgwallen-Nieuwe Zijde’: de strook tussen het Singel en het Damrak/Rokin. Dat is een pikante uitkomst, want juist hier (Nieuwendijk, Dam) begon kort na 1200 de bewoningsgeschiedenis van Amsterdam. Ook Amsterdam-Zuidoost (behalve Gaasperdam) is minder dan gemiddeld Amsterdams qua geboorte. In de buitenwijken wonen beduidend meer geboren Amsterdammers. Enerzijds zijn dit tussen beide Wereldoorlog gebouwde, vrij besloten buurten als de tuindorpen in Amsterdam-Noord en Betondorp in de Watergraafsmeer. Anderzijds zijn dit buurten waar recent tamelijk veel gebouwd is, zoals De Aker, Nieuw-Sloten en Eendrachtspark in Nieuw-West en de nieuwbouwbuurten net binnen de ringweg in Amsterdam-Noord. Niet alleen zijn hier relatief veel Amsterdammers die meer ruimte zochten naar toe verhuisd, maar de gezinsuitbreiding is hier ook hier hoger dan gemiddeld.

Verschuivingen

Als we de situatie vergelijken met vijftien jaar geleden (1987), dan vallen een paar dingen op.

Het aandeel geboren Amsterdammers is in die periode teruggelopen van 52,9% tot 45%; dat ging het snelst in de periode 1987-1994: in laatstgenoemd jaar was het percentage 47,2%. Deze ontwikkeling is niet in geheel Amsterdam hetzelfde.

De terugloop is het grootst geweest in Amsterdam-West, met name in de zone die tussen 1920 en 1940 is gebouwd: zeg maar de stadsdelen Bos en Lommer en De Baarsjes. Op het tweede kaartje is te zien dat ook in het Westelijk Havengebied en Amsterdam-Teleport (bedrijfsterreinen Sloterdijk) het percentage geboren Amsterdammers stevig daalde. Maar in absolute cijfers is de terugval niet schokkend: hier woonde immers al bijna niemand en kennelijk hebben inmiddels ook de laatste bewoners plaatsgemaakt voor bedrijvigheid. In buurtcombinatie 58 alias De Omval ligt het net iets anders: op dat voormalige industrieterrein in de Amstelbocht bij het Amstelstation woonde bijna vroeger niemand, maar nu is er nieuw wijkje met peperdure woontorens gebouwd. Maar die worden vooral betrokken door import-Amsterdammers. Opvallend is dat het aandeel geboren Amsterdammers in een aantal buurten nog is toegenomen. Dat geldt enerzijds voor de nieuwbouwgebieden in Noord (zoals Kadoelen en Buikslotermeer) en Nieuw-West (Eendrachtspark, bij de Osdorperweg); anderzijds de gebieden met traditioneel veel Amsterdammers, zoals de oude (tuin-)dorpen in Noord, Betondorp, maar ook Driemond.

 

 

Het alleramsterdamst

Tuindorp Buiksloot en Tuindorp Nieuwendam

De allerhoogste percentages geboren Amsterdammers binnen Amsterdam (in Almere zal het ook wel erg hoog liggen…) worden gemeten in twee kleine stukjes van Amsterdam-Noord. In Tuindorp Buiksloot begon 81% van de bewoners het leven in een Amsterdamse wieg en in Tuindorp Nieuwendam gold dat voor 74%.

Tuindorp Nieuwendam is het oudste van de twee. Het werd in 1927 opgeleverd, vijf jaar na Tuindorp Oostzaan. Tuindorp Nieuwendam, gebouwd pal ten noorden van het oude dijkdorp Nieuwendam, telde omgeveer 1000 woningen en een aantal winkels; de centrale verkeersroute werd de Purmerweg. De architectuur deed denken aan die van Tuindorp Nieuwendam: vrij lage huizen, gedeeltelijk betimmerd met witte planken, met opvallende rode daken, en veel poorten. En ieder gezin had een eigen tuintje, precies zoals de socialistische Woningdienst-directeur Arie Keppler wilde. De huizen waren oorspronkelijk bedoeld voor havenarbeiders, maar omdat de bouwkosten hoog uitvielen (op de vaklreep werd besloten ze te voorzien van badkamers!) konden die havenwerkers de huren niet opbrengen; onder de eerste bewoners domineerden dan ook de ambtenaren en politieagenten.

Tuindorp Buiksloot (tussen Waddendijk, Leeuwarderweg en Nieuwendammerdijk) kwam als laatste tuindorp in 1932 klaar. Hier waren de huizen speciaal bedoeld voor gezinnen die weg moesten uit gesaneerde krotten in bijvoorbeeld de Jordaan en op de Oostelijke Eilanden. De huizen moesten geschikt zijn voor kinderrijke gezinnen en kregen dus drie tot vijf kamers. De rijkssubsidie voor volkswoningbouw was intussen afgeknepen, dus kwam er minder groen in de buurt dan in andere tuindorpen en werd de architectuur soberder. De buurt kreeg al meteen een bijnaam: Het Blauwe Zand, naar de kleur van de grond waarop de wijk werd gebouwd. Dat werd al snel ervaren als een scheldnaam, want de bewoners (uit een lagere sociale klasse dan die van Nieuwendam) voelden goed aan dat er op ze werd neergekeken. Dat is ook goed af te lezen uit twee wetenschappelijke rapporten die aan Tuindorp Buiksloot zijn gewijd. Het eerste was een sociologische studie van de hand van D. Huberts. De bewoners hadden het onderling heel gezellig, stelde zij vast: iedere avond zaten ze massaal te kletsen op de vensterbanken van de huizen op de Waddenweg. Maar verder had ze duidelijk geen hoge pet op van de Blauwe-Zanders. Die waren niet alleen hevig onkerkelijk, maar ook merendeels hartstikke rood. De enige plek benoorden het IJ waar het Jordaan-oproer van 1934 weerklank had gevonden, was juist hier. Niet zo vreemd, want 54% leefde hier van de Steun (= Bijstand). In Tuindorp Nieuwendam was men ook wel rood, maar dat waren nette sociaal-democraten. In Tuindorp Buiksloot echter scoorden de communisten bijna zo hoog als de sociaal-democraten en dat was te merken. Het waren luidruchtige types, die veel ruzie maakten, al trokken ze tegenover de buitenwereld steeds één lijn. En de kinderen gingen er veel te laat naar bed, onder meer door luidruchtige kaartavondjes van hun ouders. In het regeringsrapport Maatschappelijke verwildering der jeugd (1952) kwam Tuindorp Buiklsoot er nog slechter af. De onderzoekers maakten een systematische vergelijking tussen de tuindorpen Nieuwendam en Buiksloot, steeds in het nadeel van het laatste. Daar stemde inmiddels liefst 51,5 % op de CPN, koesterden de (ongeschoolde) ouders “een soort apenliefde voor hun kinderen”, bezocht de jeugd massaal dancings op de Zeedijk en Nieuwendijk, en was “geslachtelijke omgang voor het huwelijk vrij algemeen”.

Een incident smeedde de band tussen de versmade bewoners des te hechter: in de Urkstraat verjaagden de Blauwezanders in 1937 met harde hand de propaganda-voerende NSB-leider Mussert uit hun buurt. (De scherpe kantjes zijn er intussen wel af, maar Tuindorp Buiksloot is anno 2002 nog steeds een typische arbeidersbuurt, waar protestpartijen steevast het goed doen.)

Waarom zouden juist hier, maar ook (ondanks alle verschillen) in Tuindorp Nieuwendam) zoveel geboren Amsterdammers wonen? Journalist en Noord-kenner Jan Donkers, zelf opgegroeid in Tuindorp Nieuwendam, heeft daar wel een theorie over. “Ja, uit andere buurten zijn de geboren Amsterdammers in de jaren zestig en zeventig massaal naar Almere, Lelystad en Purmerend verhuisd. Maar dat waren dan vooral buurten waar massaal gerenoveerd werd. Dan werden de bewoners tijdelijk uitgeplaatst, en op zo’n moment was het verleidelijk maar meteen naar een ruimere woning in een overloopgemeente te gaan. De woningen in de gesaneerde buurt kwamen dan vrij voor (vaal allochtone) nieuwkomers. Dat is hier niet gebeurd, omdat de woningen nog zo goed waren.”

Oud-wijkagent Bonne van der Laan, bewoner van de Waddenweg, bevestigt het: “Voor die tijd waren het knappe woningen; wie uit een krot in de binnenstad kwam vond het zelfs paleisjes. En ze staan nog steeds recht overeind. De mensen blijven hier, omdat het prettig wonen is. Sterker nog: heel vaak komen de kinderen van de oude bewoners, na een tijdje elders te heben gewoond weer naar de buurt terug.” Miep Dekker-Boom (77) uit de Noord-Bevelandstraat is geboren op de Distelkade; haar man verhuisde als tienjarige van de Jordaan naar Noord. “Toen de kinderen jong waren, wou ik wel weg,” bekent ze. “Maar de Woningdienst vond dat er best drie kinderen op één kamer konden slapen, dus we kregen geen andere huis. Nu ze allemaal het huis uit zijn, is het hier ruim genoeg voor ons tweetjes. Wij gaan hier nooit meer weg!”

Delen: