'Vuur!', beval de vaandrig

Politieman Hendrik Voordewind (1887-1952) schreef in 1949 een bestseller met zijn memoires De commissaris vertelt. Hij diende onder meer op het Jonas Daniël Meijerplein en werd in augustus 1916 inspecteur in de Jordaan op bureau Westerstraat. Een jaar later hielp hij daar bij het bloedig neerslaan van het Aardappeloproer. Fijn was anders. Het schandaligst vond hij toch wel dat zijn directe chef hem niet blindelings dekte.

"Op dit bureau heb ik de prettigste jaren van mijn loopbaan doorgebracht. En toch had de politie het daar toen niet gemakkelijk. Want inmiddels was de oorlog 1914-1918 uitgebroken en ofschoon de moeilijkheden van toen in het niet vallen bij die tijdens de bezetting, de Jordaners waren in die jaren toch wel erg prikkelbaar; ook al ten gevolge van de schaarste van voedsel en andere levensbehoeften. Toch was het een uitzondering wanneer de openbare orde daar met geweld moest worden hersteld.
Eén van die uitzonderingen is helaas geweest het bloedbad op de 5de juli 1917, waarbij talrijke gewonden en zelfs doden vielen. Met ontzetting denk ik steeds aan dat treffen, waarbij ik het bevel had en waarvoor ik dan ook prompt verantwoordelijk werd gesteld.
In verschillende stadswijken, zoals op Kattenburg, hadden voortdurend grote onlusten plaats. Het stond er met de voedselvoorziening niet best voor. De bevolking begon aanvallen te doen op winkels en pakhuizen en op de voorraden die in de havens voor export gereed lagen, speciaal aardappelen.
Op die 5de juli kreeg ik 's avonds om acht uur aan mijn posthuis [bureau Westerstraat, red.] van het Hoofdbureau de boodschap mij met de meeste spoed te begeven naar het posthuis Willemspoort, om het bevel over de daar reeds aanwezige politiemacht op mij te nemen. Een afdeling militairen zou daar tot mijn beschikking staan. Op en rond het Haarlemmerplein was men aan het plunderen geslagen; ik diende daar de orde zo gauw mogelijk te herstellen, desnoods met geweld.
Een klein half uur later was ik present. Inderdaad was het daar een grote janboel. De vele vernielde winkelruiten wezen erop dat er reeds duchtig was huisgehouden. Verscheidene pakhuizen bleken al leeggeroofd. Buiten stond een vijftigtal soldaten aangetreden, met als commandant een kwieke maar piepjonge vaandrig. Het gerinkel van brekende ruiten was voortdurend te horen. Het plein was één tierende bende. Velen waren half dronken, want ook in een aantal kroegen had het gepeupel zich van de drankvoorraad meester gemaakt.
En diende dus terstond te worden opgetreden en met de beschikbare politiemannen begon ik het plein te ontruimen. De voorgeschreven sommaties werden met hoongelach ontvangen, zodat de sabels tevoorschijn kwamen. Op die manier kregen we de eerste rijen achteruit, maar op het midden van het plein gingen we in de massa verloren. Uit alle richtingen suisden projectielen op ons neer. Verscheidene manschappen werden getroffen; sommigen zelfs vrij ernstig. (...)
'Vaandrig, zo gaat het niet langer. Ik klaar het niet zonder uw hulp. Mag ik u verzoeken het plein te ontruimen? Wij zullen de zijstraten voor onze rekening nemen.' 'Kan ik zo nodig van de vuurwapens gebruik maken, inspecteur?' 'Als het niet anders kan, ja! De manier van optreden laat ik geheel aan u over.' 'Uitstekend, maar in ieder geval op uw verantwoording.'
De vaandrig liet er geen gras over groeien. Hij deed acht man aantreden. Ook zijn sommaties hadden niet de minste uitwerking. 'Boerenpummels, jullie durft toch niet. Schiet maar, als je 't lef hebt.' Enkele belhamels hielden zelfs de geweerkolven vast.
'Vuur!', commandeerde de vaandrig en het eerste salvo uit de acht geweren dreunde over het Haarlemmerplein. In alle richtingen stoof de massa uiteen. De bende, bekomen van de eerste schrik, kwam onder luid gejoel weer opzetten. Weer liet de vaandrig er een salvo injagen, waarbij weer doden en gewonden vielen. Nogmaals vluchtten de oproerkraaiers in paniek, nu voorgoed. Het was hun duidelijk geworden dat het menens was.
De slachtoffers werden naar het posthuis getransporteerd. Daar was het een afschuwelijk toneel; doden en gewonden lager er naast elkaar. Sommigen waren vreselijk verminkt. (...)
Daar was ook ineens de commissaris himself. 'Op wiens last hebt U van de vuurwapens gebruik laten maken? Toch zeker niet van de mijne.' 'Ik heb gehandeld op eigen verantwoordelijkheid. Ik was van oordeel dat het niet anders kon.' 'Dan is alle verantwoordelijkheid voor u, maar ik zal bovendien onderzoeken of er wel voldoende reden is geweest. Zo niet, dan begrijpt u wel dat het voor u gevolgen zal hebben.'
Zo werd een ondergeschikte, die meende zijn plicht te hebben gedaan de les gelezen door zijn chef. En niet onder vier ogen. Over handhaving van discipline gesproken."

HENDRIK VOORDEWIND, DE COMMISSARIS VERTELT, VEERTIG JAREN BIJ DE AMSTERDAMSE POLITIE, 1949, D.A. DAAMEN'S UITGEVERSMAATSCHAPPIJ.

Beeld: Hendrik Voordewind in 1936. Stadsarchief Amsterdam

Delen:

Dossiers:
Amsterdammers
Editie:
Augustus Juli
Jaargang:
2017 69
Rubriek:
Stemmen uit het verleden
Tijdperk:
1900-1950