Vreugde en leed in de Vrolikstraat

Niet meer het Vuilnisvat van Oost

Het komt niet vaak voor dat bewoners zelf het initiatief nemen om de geschiedenis van hun straat te boek te stellen. Leven in de Vrolikstraat- Een wandeling is alleen daarom al een bijzonder boek. Met een reeks andere projecten illustreert het de herleving van een straat, die 20 jaar het Vuilnisvat van Oost heette te zijn.

Laten we eerlijk zijn: al is de Vrolikstraat behoorlijk opgeknapt, op het eerste gezicht maakt ze nog steeds een wat sombere indruk. Het is een lange smalle pijpenla met hoge rijtjeshuizen uit omstreeks 1900, onderbroken door blokken weinig opwindende nieuwbouw. Omdat de bakstenen steeds zwarter zijn geworden, valt te weinig op hoeveel ornamenten (pilaartjes, boogjes, gebeeldhouwde hoofdjes, charmante Franse balkonnetjes) er toch nog in en aan de oude gevels zijn verwerkt. De straatnaam is dan ook niet afgeleid van het bijvoeglijk naamwoord “vrolijk”, maar verwijst naar twee in hun tijd beroemde Amsterdamse medici: Gerardus Vrolik (1775-1857) en diens zoon Willem Vrolik (1801-1863). Beiden waren hoogleraar Geneeskunde aan het Athenaeum Illustre, voorganger van de Universiteit van Amsterdam.

Die straatnaam werd op 15 november 1882 door de gemeenteraad vastgesteld. Maar het lijkt erop dat de bouw niet meteen van start ging. De eerste Vrolikstraat-bewoner die werd genoteerd in het Bevolkingsregister was de schuitenvoerder Hilbert Aadens, die op 27 november 1888 werd ingeschreven op nummer 1. Dat huisnummer zal men vandaag de dag vergeefs zoeken: al in 1899 werd nummer 1 vernummerd tot 117. En ook dat nummer bestaat nu niet meer: de straat begint nu bij nummer 149, op de hoek van de Eerste Oosterparkstraat. Dat zit zo. Volgens het oorspronkelijke plan zou de straat een soort L-vorm krijgen: ongeveer de helft noord-zuid en de rest west-oost. Maar van het noord-zuiddeel is bar weinig over. Dat had moeten lopen van het toenmalige Weesperpoortstation op wat nu het Rhijnspoorplein heet tot ongeveer de plek van het huidige Parool-gebouw, parallel aan de spoorlijn richting Utrecht. Dat tracé van de Rhijnspoorweg kennen we nu als de Wibautstraat. Daar maakte - bij het huidige Parool-gebouw (Olmenweg) - de straat een scherpe bocht in oostelijke richting, tot aan de Linnaeusstraat. Maar het zat meteen al tegen. De Rhijnspoorwegmaatschappij die de spoorlijn naar Utrecht exploiteerde, was eigenaar van de grond rond het Weesperpoortstation en wilde die niet verkopen. Dus kon het eerste deel van de geprojecteerde straat, van de Mauritskade (Rhijnspoorplein) tot de Eerste Oosterparkstraat niet gebouwd worden. En wat er wél gebouwd werd, verdween later weer ten dele. In 1939 werd het Weesperpoortstation gesloopt: door de opening van het Amstelstation was dit kopstation overbodig geworden. Geheel in de sfeer van de wederopbouwjaren, werd besloten de oude spoorlijn ter herscheppen in een brede autoweg met hoge kantoren erlangs. Om die Wibautstraat de gewenste breedte te geven, werd een deel van de 19de-eeuwse bebouwing aan de oostkant (het eerste stuk Vrolikstraat dus) gesloopt en Vrolikstraat 117-145 vernummerd tot Wibautstraat 103-115. Voorbij de Tweede Oosterparkstraat, waar de huizenrij al een flauwe bocht begint te maken, verandert de Wibautstraat ineens in de Vrolikstraat. Weinig Amsterdammers hebben door dat de huizen in die bocht (nummer 147-191) óók bij de Vrolikstraat horen. De ‘eigenlijke’ Vrolikstraat, het rechte stuk van west naar oost, begint nu bij nummer 193, tegenover nummer 26. De nummers 2-24 hadden waarschijnlijk ergens in de bocht moeten staan, maar zijn nooit gebouwd. De zuidzijde van de straat is ongeveer vijftien jaar later gebouwd dan de noordkant, te weten in 1905-1908, vanaf de Linnaeusstraat westwaarts. Tot die tijd hadden de bewoners van de oneven zijde vrij uitzicht over de Overamstelse Polder, waar de Transvaalbuurt nog tot stand moest komen.

Diamantslijpers en nachtwakers

De eerste bewoners van de Vrolikstraat waren vooral arbeiders en ambachtslieden: diamantslijpers, stalknechten, werkmannen, graveurs, stokers, nachtwakers, koopmannen en huisschilders. De joodse diamantbewerkers waren er sterk vertegenwoordigd; daarvan getuigen onder meer de familieadvertenties in het Weekblad van de Algemeene Nederlandsche Diamantbewerkersbond (ANDB), onder leiding van de legendarische Henri Polak. In vrijwel ieder nummer tussen pakweg 1900 en 1925 kondigen meerdere leden uit de Vrolikstraat een geboorte, een huwelijk dan wel een 40-jarig huwelijksfeest aan.

De Vrolikstraat moet tot de Duitse bezetting in 1940 een buitengewoon levendige straat zijn geweest, met veel winkels. Alleen al tussen de Beukenweg en de Eikenweg bijvoorbeeld zaten in de jaren twintig en dertig wel drie melkboeren. En in de straat als geheel waren minstens vier slagers en twee kappers. In Ons Amsterdamvan december 1985 haalde Leo Piller, die in zijn prille jeugd rond 1920 op nummer 255 woonde, herinneringen op. Zijn straatgedeelte, tussen de Iepenweg en de Beukenweg, was in zijn beleving het levendigst; in dat deel woonden ook de meeste joodse Vrolikstraters. Naar de Linnaeusstraat toe werd het steeds stiller en deftiger. “In ons stuk speelde zich veel op straat af. De melkboer en de bakker kwamen de trap op aan de huisdeur. De visman en de kippenboer hadden hun vaste dagen dat ze langs de deuren kwamen met hun speciale karren. Hun waren werden, nadat tot koop was besloten, onder de ogen van de koopsters en de omringende kinderen op de kar schoongemaakt. ’s Zomers schalde de roep van ‘mooie aardbeien’ en ‘meikersen, benne bruin en mooi’ tegen de gevels op. ’s Winters waren net ‘gepofte kastanjes’ die als een seizoensartikel ’s avonds nog op een kar met een vuurtje langs de huizen werden verkocht.”

Al woonden er vergeleken met de rest van de stad veel joden in de Vrolikstraat, een overwegend joodse straat was het zeker niet. Joden en niet-joden gingen goed met elkaar om, ondanks enige wederzijdse typecasting. In het juist verschenen boek zegt bijvoorbeeld de hoogbejaarde Ans Molenaar: “Het was allemaal armoe wat hier woonde. De gegoede joden zaten in de Transvaalbuurt. Erg netjes waren ze ook niet. Op de vrijdagavond zaten ze hier met z’n allen op de straat amandelen te pellen. Dan was het hier een bende. En dan gingen ze hun kokoslopers uitkloppen. Maar allemaal aan de buitenkant, zodat ik alles op m’n hoofd kreeg. Of ze gaven de bloemetjes water. Nou, of je d’r zat of niet, je kreeg alles op je kop. (…) Jezuskoppen noemden ze ons.” Niet altijd harmonie, dus. Maar een hekel aan joden had ze ook weer niet: “De Heere Jezus was ook een jood.” En bovendien: “Toen de joden weg waren, gingen we er nog niet veel op vooruit. Er kwam christenschorem voor in de plaats. Dat was helemaal verschrikkelijk.

Channa (vroeger Hennie) Walvisch, die in 1937 in de Vrolikstraat werd geboren en er woonde tot ze in 1943 onderdook, merkte in haar peuterjaren niets van anti-semitisme. “Pas na 1940 waren er kinderen die niet meer met mij mochten spelen.” Hennie was de dochter van de kolenboer en karrenverhuurder Jacob Walvisch op nummer 80 eenhoog, die zijn loods had op nummer 78. Erg orthodox-joods was het gezin niet, al werd er wel naar oude traditie op vrijdagavond kippensoep gegeten. Japie Walvisch gunde ook zijn armere joodse buurtbewoners die vrijdagse maaltijd en als Hennie’s zakelijke moeder hen de eerder geleverde kolen had laten betalen, ging vader ze donderdagavond stiekem het geld weer terugbrengen, omdat hij wist dat anders hun kippensoep op vrijdagavond erbij zou inschieten.

De Duitse bezetting was voor de Vrolikstraat een tragedie, waar de straat nooit meer bovenop zou komen, zoals dat gold voor alle buurten waar joden sterk vertegenwoordigd waren. Met de joodse bewoners verdween een stevig deel van de ondernemingszin en het openbare straatleven. De weinige teruggekeerde joden van Amsterdam-Oost maakten na de oorlog onderling de schade op in de avondwinkel van J. Soep op nummer 112 bij de Beukenweg. De decimering van het aantal joodse bewoners betekende niet dat de bedrijvigheid meteen helemaal uit de straat verdween. Een aantal winkels hield het nog uit tot de jaren zestig, toen het grootwinkelbedrijf de laatste kleintjes wegjoeg en kolenboeren geen emplooi meer hadden. Momenteel is er geen reguliere winkel meer te bekennen in de straat. Aan de voormalige etalageruiten is nog wel te zien waar ze ooit zaten. En bij een recente inspectie herkende Channa Walvisch nog aan de gevel de aanhechting voor het verdwenen ronddraaiende rood-witte ‘kapperszuiltje’ van barbier De Haas.

Nieuwe saamhorigheid

De jarenlange verwaarlozing van de buurt eiste intussen haar tol. Een deel van de straat raakte verkrot en werd moeilijk te verhuren. Behalve aan mensen die weinig eisen stelden, zoals drugsdealers. Nadat rond 1980 de Zeedijk was ‘schoongeveegd’ verhuisden veel dealers naar onder meer de Hudsonstraat in West en de Vrolikstraat in Oost. Die invasie gaf wel weer levendigheid, maar van een wat minder gewenste soort. Als de betaling van geleverde drugs haperde, waren de leveranciers wat minder begrijpend dan vader Walvisch. Er werd geschreeuwd, er werd geschoten. De straat verloederde in alle opzichten.

Een dramatisch keerpunt kwam op 23 maart 1993, toen de psychisch gestoorde bewoner van nummer 90 huis op straat zonder duidelijke aanleiding zijn twaalfjarige Turkse buurmeisje Zülbiye Gündüz doodsloeg. Op eerdere klachten over die man had de woningbouwvereniging niet gereageerd. Jasper Schneider van nummer 84, die als deelraadslid van wanten wist, kwam in actie, sloeg alarm bij allerlei instanties en belegde een bewonersvergadering. Dat was het begin van de bewonersgroep Oase, die in 1996 een meer solide basis kreeg toen Schneider er als coördinator (opbouwwerker, klusjesman en wat al niet) in dienst trad. Het was een begin van een sinds de oorlog niet meer vertoond elan en burencontact. En de gemeente en de woningbouwverenigingen waren eindelijk ook wakkergeschrokken. Eindelijk werd de straat grondig opgeknapt, met inspraak van de bewoners. Naar het idee van bewoonster Birgit Pennings werd de stoep aan de oneven kant met zachtgroene tegels belegd en die aan de overkant met zachtrode. Op drie plekken kwamen speelplaatsjes. Op het eerste speelplaatsje, schuin tegenover nummer 90, is bovendien een monumentje geplaatst voor het vermoorde Turkse meisje. En Oase maakte mapjes prentbriefkaarten ‘Groeten uit de Vrolikstraat’, met portretten die de grote diversiteit aan bewoners laten zien. In 1999 haalde de straat wéér alle kranten, maar nu positief. kunstenares Ida van der Lee, bovenbuurvrouw van de Oase, had een prachtig kunstproject bedacht en nog weten uit te voeren ook: dagenlang hingen overal waslijnen over de straat met veelkleurig ‘wasgoed’: de favoriete kledingstukken van de inmiddels zelf ook buitengewoon veelkleurige straatbevolking. Het gaf uiting aan hun nieuwe saamhorigheid. In die tijd begon ook de traditie van maandelijkse maaltijden bereid voor en door de Vrolikstraters: op iedere eerste vrijdag kunnen zij om zeven uur voor € 2,50 aanschuiven bij Eetclub Oase op nummer 281 huis. Eén droom spookte intussen nog steeds door het hoofd van Jasper Schneider: een boek over de straat. Hij had al een reeks van bewoners geïnterviewd en diverse keren het Gemeentearchief bezocht, maar schrijven was zijn stiel niet en het ontbrak hem domweg aan tijd. Tot zijn opluchting nam in 1999 Miep Wisselink, redacteur van het Amsterdams Stadsblad, belangeloos het schrijfwerk van hem over. Op 21 december werd het boek feestelijk gepresenteerd aan het eind van de straat, het stadsdeelkantoor in de Linnaeusstraat, bij oudere Amsterdammers beter bekend als het Burgerziekenhuis.

Oude en jonge Vrolikstraters liepen er vrolijk rond met plastic bekertjes bier en wijn en heerlijke notencake. Want een ding is zeker. Het was feest. Want een ding is zeker: de Vrolikstraat staat weer op de kaart.

Delen: