Voorproefje Zomernummer: Politie maakt zwarte jazzclubs het bestaan onmogelijk

‘Wat is dit voor rommel?’ Hoofdcommissaris Hendrik Versteeg las in de krant eind 1936 over twee nieuwe ‘negercabarets’ – en dacht er het zijne van. Hij zette er inspecteurs op. Die leefden zich uit. Een bedreiging voor de zedelijkheid, rapporteerden ze. Intussen speelden beroemde Amerikaanse jazzmusici er de sterren van de hemel.

Onder het kopje ‘Surinamers aan het werk’ meldde dagblad Het Volk op zaterdag 31 oktober 1936 dat het Amsterdamse uitgaansleven was verrijkt met twee “negercabarets”. In dat opzicht kon de hoofdstad voortaan tippen aan metropolen als New York, Londen en Parijs, een vooruitgang die volgens het bericht viel toe te schrijven aan de daadkracht van de “Surinaamse oud-bokskampioen” Kid Johnson, die het Wiener café in de Wagenstraat had omgedoopt in Negro Kit-Kat Club. “Mijn voorbeeld is gevolgd”, zei hij tegen de krant. Op het Thorbeckeplein zou weldra The Negro Palace openen, het “tweede negercabaret” ter stede. Den Haag had al de Negro Melody Club, Rotterdam de Negro Club Mephisto.

Op het dieptepunt van de economische crisis prees Kid Johnson de nieuwe etablissementen aan als werkverschaffing voor een beproefde bevolkingsgroep. “Achttien Surinamers, die hier in Amsterdam strandden, toen b.v. de schepen opgelegd werden waarop zij werkten, heb ik door mijn zaak uit de steun gehaald”, zei hij. “Of ik bang ben voor de concurrentie? Geen sprake van. Ik reken maar zo, mijn landslui vinden op die wijze emplooi.” Intrigerend nieuws, vond ook de Amsterdamse hoofdcommissaris Hendrik Versteeg. Hij knipte het bericht uit en stuurde het naar de Zedenpolitie, voorzien van een krabbel in de kantlijn: “Wat is dit voor rommel?”

 

Het hele artikel lezen? Je vindt het in ons zomernummer. 

Profiteer van 50% introductiekorting én welkomstcadeaus

MELD JE NU AAN!

 

Beeld: Jimmy van der Lak, door Nola Hatterman. Collectie Stedelijk Museum

 

 

Delen: