Voorproefje Septembernummer: Telepaat Eugène de Rubini verovert Amsterdam

Een eeuw geleden was Amsterdam in de ban van ‘de man met het zesde zintuig’. De Oost-Europese telepaat Eugène de Rubini trok volle zalen. Slaapdronken wankelde het medium over het podium, nauwlettend in de gaten gehouden door wetenschappers en journalisten die zijn geheim probeerden te ontrafelen.  

Het is vrijdag 6 juni 1919, iets voor drieën op een druilerige dag. Plaats van handeling is het Americain, het culturele hart van mondain Amsterdam. Verzameld voor het café hebben zich enkele tientallen genodigden, voornamelijk journalisten, doctoren, medici en andere notabelen. De mannen in pak, vilten hoed op het hoofd, hun tengere echtgenotes in Charleston-jurkjes, figuurtjes uit The Great Gatsby. Ze zijn uitgelopen voor een telepaat uit Wenen. Overal in Europa flakkert de belangstelling voor het ‘paranormale’ weer op na de verschrikkelijke Eerste Wereldoorlog. De aandacht was nu wel verschoven van de geestenwereld naar het menselijk innerlijk.

Als de gasten de feestzaal zijn binnengetreden en hun mantels en paraplu’s hebben afgegeven, krijgen ze een gedrukt velletje ‘instructies’ uitgereikt. “Telepathie is geen gedachtenlezen,” lezen ze, “maar het vermogen een opdracht uit te voeren, die iemand slechts in gedachten geeft.” Nadere uitleg komt van de impresario, Heinrich Lauterstein, een jonge, energieke vent met een onaangename, snerpende stem. De telepaat, vertelt hij in een mengelmoesje van Duits en wat andere dialecten, zal zo dadelijk opdrachten van het publiek uitvoeren, waarbij een willekeurige persoon uit de zaal hem zal leiden enkel en alleen door aan de opdracht te denken. Bijvoorbeeld: ‘Ga nu naar links!’, ‘Sta hier stil!’ of ‘Haal uit het vestzakje van de man op de stoel voor u een object!’, enzovoorts. De telepaat, die in een toestand van volkomen passiviteit verkeert, voelt de gedachte opdracht precies aan en handelt onwillekeurig in overeenstemming daarmee.

Een ‘comité van controle’ wordt aan het publiek voorgesteld. Hollandse geleerden van naam en faam en enkele onafhankelijke journalisten gaan erop toezien dat alles volgens de strenge regels der wetenschap verloopt. Aan het hoofd ervan staat professor Koos van Rees, histoloog, en behalve hoogleraar ook christen-anarchist, geheelonthouder en humanist. Hij is zo ruim van geest dat hij zich wel aan dit avontuur durft te verbinden.

 

Verbluft

Op het toneel verschijnt een tengere, bleke man, 27 jaar oud pas. Met zijn sensuele lippen, hoge jukbenen en fluweel omfloerste ogen is hij een betoverende verschijning. Als een slaapwandelaar staat hij op de bühne, verzonken in zijn eigen vergeestelijkte wereld, zo lijkt het. Spreken doet hij geheel niet. Hij maakt zich klaar voor zijn optreden. Geen show, maar een “experiment in telepathie”. De Rubini noemt zichzelf liever “experimenteel psycholoog”. “Mijn streven is het door te dringen in het gebied der hogere metafysica,” zal hij later verklaren. Hij is proefleider en proefpersoon ineen – zijn eigen proefkonijn.

Zoekend, nerveus tastend, “alsof een onrustige kracht hem plotseling voortstuwt”, loopt hij door de zaal met in zijn kielzog een aangewezen ‘geleider’, voor wie hij nauwelijks oog lijkt te hebben. Hij gaat dwars door de rijen, soms weifelend, dan weer vastberaden, stopt plotseling ergens en wijst met absolute zekerheid een eerder verstopt object aan, een krant, een horloge, een stel listig verborgen spelden. Het publiek is verbluft en ook het controlecomité moet toegeven: bedrog lijkt uitgesloten.

Niemand begrijpt wat zich zojuist voor hun ogen heeft afgespeeld. De belangstelling van de journalisten is gewekt – en die der wetenschappers...

 

Het hele artikel lezen? Je vindt het in ons Septembernummer. 


Dit nummer niet missen? Word voor donderdag 22 augustus 16:00 abonnee, dan ontvang je het thuis.
Profiteer van 50% introductiekorting én welkomstcadeaus

MELD JE NU AAN!

 

Beeld: Delpher

 

Septembernummer 2019

Delen: