Voorproefje Septembernummer: Opkomst en ondergang van de Nederlandsche Scheeps Rederij

Het nieuws gaat als een lopend vuurtje rond onder Amsterdamse kooplieden. Er valt weer veel geld te verdienen met de handel op de Oost! Oude VOC-tijden gaan herleven onder de hoede van de nieuwe Nederlandsche Handel-Maatschappij! Ook verzekeraar Piet Ameshoff en zijn vrienden ruiken hun kans. Ze beginnen een rederij. Al snel zijn ze de grootste.

Najaar 1823. In het patriciërshuis van de verzekeraar Piet (doopnaam: Petrus) Ameshoff op de hoek van de Herengracht en de Brouwersgracht heerst een opgewonden, zomerse stemming. Zijn vrienden, de kooplieden Willem Berg en Arend Horstman, zijn betrokken bij het initiatief tot de oprichting van de Nederlandsche Handel-Maatschappij (NHM) ter “bevordering van handel, scheepvaart, scheepsbouw, visserij, landbouw en het fabriekswezen”. Ze vertellen Ameshoff informeel over de laatste stand van zaken. 

De ‘groep-Ameshoff’ ruikt kansen: oude VOC-tijden zullen herleven. Groei van de nu nog zo beperkte handel op Oost-Indië kan een grote stimulans aan de koopmansstad Amsterdam geven. In vroeger tijden was de stad de stapelmarkt van graan, nu zien zij hetzelfde toekomstbeeld voor koffie, suiker en andere cultuurproducten. De ambitieuze koning Willem I heeft zich achter het plan van de NHM geschaard – het kan niet mislopen. Op de Beurs aan het Rokin wordt al volop gespeculeerd. Alles wat met handel, geld en scheepvaart te maken heeft, komt daar samen. Na beurstijd bedenken groepjes gelijkgezinden in de sociëteiten onder het genot van de nodige borrels plannen voor wat er zoal moet gaan gebeuren, om daarna bij diners thuis in kleine kring concrete acties af te spreken. De handen moeten uit de mouwen. 

De eerste intekening op NHM-aandelen in 1824 levert onverwachts circa 70 miljoen op, vooral door de Amsterdamse inbreng. Zoveel kapitaal is niet eens nodig. Het uitgiftebedrag wordt vastgesteld op 37 miljoen. Kennelijk klotst in Amsterdam, Rotterdam en andere havenplaatsen het lang opgepotte geld tegen de kaden en zoeken de miljoenen een uitweg naar een belegging met een hoger rendement dan de staatsobligaties bieden. 

 

Subsidies

De NHM krijgt de opdracht voor het goederenvervoer naar en van Oost-Indië, maar volgens de statuten mag de maatschappij dat vervoer niet zelf verrichten. Voor ondernemers als Ameshoff en de zijnen ligt daar een enorme kans. De grote vaart naar de Oost kan niet opbloeien met de bestaande, verouderde en kleine vloot. De regering komt met subsidies voor nieuw te bouwen schepen. Zo krijgt bij de groep-Ameshoff het plan voor een eigen rederij vorm. De scheepsbouwers Jan Knol en Johan Reinhardt Boelen schuiven aan, later ook geïnteresseerde financiers. De heren kennen elkaar van hun bestuurlijke functies in de Kamer van Koophandel en bij assurantiemaatschappijen, en uiteraard van de Beurs. Financiers en scheepsbouwers denken nu samen na over welk type schip ze zullen gaan bouwen en over de voorwaarden en de prijs waartegen ze aan de slag kunnen. Boelen heeft al een uitgebreid bestek voor een fregat op tafel gelegd. Van onderlinge concurrentie tussen de scheepsbouwers is geen sprake; eerder dreigt er een tekort aan scheepsbouwcapaciteit. 

Het plan voor een eigen rederij en het exploiteren van nieuwe zeilschepen spreekt tot de verbeelding. Reder zijn voelt als een nieuwe status.

 

Het hele artikel lezen? Je vindt het in ons Septembernummer

 

Beeld: De NSR liet in 1829 het fregat Willem Ernst(bijna 30 meter lang, 606 ton) bouwen bij scheepswerf De Zwarte Rave van Jan Knol op Kattenburg. Aquarel Jacob Spin, 1837. Collectie: Internationales Maritimes Museum Hamburg/Stichting Jacob Spin

 

Septembernummer 2019

Delen: