Voorproefje juninummer: Johanna Westerdijk (1883-1961) Nederlands eerste vrouwelijke hoogleraar

‘Zo kerel, hoe gaat het ermee?’

Ze had lef, volgde haar eigen weg in een door mannen gedomineerd vakgebied, was vrolijk en dronk graag een biertje in het café. En ze was succesvol. Johanna Westerdijk was in 1917 de eerste vrouwelijke hoogleraar in Nederland en groeide uit tot een voorbeeld voor andere vrouwen. Schimmels waren haar domein.

“Werken en feesten vormt schoone geesten”, stond boven de deur van haar laboratorium gebeiteld. Er doen vele anekdotes over Johanna Westerdijk – ‘Hans’ voor haar naasten – de ronde. Zo zou zij een sigaar hebben opgestoken tijdens de eerste ‘professorenkrans’, waarna een van haar collega’s haar op de schouder zou hebben geslagen met de woorden: “Zo kerel, hoe gaat het ermee?” Het bekendst zijn de verhalen over de uitbundige feesten die in haar laboratorium in Baarn werden gehouden ter gelegenheid van promoties, jubilea en andere heugelijke gebeurtenissen.

Feit is dat Westerdijk de eerste vrouwelijke hoogleraar in Nederland was – meer dan 300 jaar na de benoeming van de eerste mannelijke hoogleraren in Nederland – vanaf 1917 aan de Rijksuniversiteit Utrecht en vanaf 1930 tevens aan de Universiteit van Amsterdam. Bij haar afscheid in 1952 zei ze in een interview met De Waarheidover de positie van de vrouw in de wetenschap: “In ons land is dat eigenlijk nooit zo’n groot probleem geweest. Er zullen wel mannen zijn geweest die het naar of vervelend vonden, dat wij hun terrein binnen drongen, maar hun gevoel voor rechtvaardigheid was zo sterk, dat zij ons in het algemeen en mij zeker geen strobreed in de weg hebben gelegd.” 

 

Jongensmeisje

Johanna Westerdijk wordt geboren in de gemeente Nieuwer-Amstel op 4 januari 1883, maar snel daarna verhuist het gezin naar Amsteldijk 31 in Amsterdam, schuin tegenover het Amstelhotel. Na haar komen nog drie kinderen. Haar ouders zijn doopsgezind. Vader is arts. In huis klinkt volop muziek. Ze speelt piano en zingt graag. Johanna geniet een zorgeloze jeugd, houdt van fysiek bezig zijn, leest veel, geeft niet om kleren, is een ‘jongensmeisje’ en heeft veel belangstelling voor de natuur.

Ze gaat naar de Elisabeth Wolffschool op de Prinsengracht en na een vervolgjaar op de School voor Meer Uitgebreid Lager Onderwijs voor Meisjes (ook Prinsengracht) naar de vijfjarige hbs voor meisjes aan de Keizersgracht, als ‘toehoorderes’ – ze krijgt dan ook geen diploma na de 5e klas. Toch schrijft ze zich in 1900 in voor de studie plant- en dierkunde aan de Amsterdamse universiteit om een MO-akte (Plant-, Dier-, Aard- en Delfstofkunde) te verkrijgen. Voor het praktisch onderricht klopt ze aan bij het Phytopathologisch Laboratorium ‘Willie Commelin Scholten’ (WCS) in de Roemer Visscherstraat (nu het Owl Hotel), waar ze belangstelling krijgt voor de ziekteleer van planten. In 1904 behaalt ze – met mooie cijfers – de akte.

Maar een vervolg is problematisch, want zonder een gymnasiumdiploma kan ze in Nederland niet promoveren. Daarom wijkt ze in 1905 uit naar München  waar ze onderzoek doet naar de regeneratie van mossen. Halverwege dat jaar krijgt ze, op voorspraak van een van haar leermeesters, het verzoek directrice te worden van het WCS. Dat wil ze wel, maar eerst promoveren, wat ze in Zürich doet in 1906. Cum laude. Ze heeft een leuke tijd in Duitsland en Zwitserland, maakt tochten in de bergen, gaat uit met de meisjes die in hetzelfde pension verblijven en nodigt ook vriendinnen uit haar hbs-tijd uit om langs te komen. Westerdijk is nooit getrouwd. Een huwelijk was niks voor haar, vond ze, dan zou ze haar vrijheid maar kwijtraken.

 

Schimmels

Met Westerdijk als directrice groeit het WCS uit tot het Centraal Bureau voor Schimmelcultures (sinds 2017 Westerdijk Fungal Biodiversity Institute).Een collectie schimmels die een jaar na haar aantreden binnenkomt, vormt het begin. Belangrijk is het onderzoek naar plantenziektes, bijvoorbeeld om hongersnoden door mislukte oogsten te voorkomen. In 1913 gaat ze naar Nederlands-Indië en bezoekt verschillende proefstations om plantenziekten te bestuderen. Ze reist eind 1914 terug via Japan en de VS. De Amerikaanse vrouwen laten zich maar knechten, vindt ze: wat heb je aan kiesrecht als je als vrouw niet eens alleen een biertje mag drinken in een café? “Toen ik als enige vrouw een biologische excursie meemaakte, wilden mijn collega’s niet dat ik in hetzelfde hotel zou logeren. ‘Dat kon niet.’ Welnu, ik heb het toch gedaan, ik was toen een echte kattekop.” (De Waarheid, 24-9-1952) Meerdere studiereizen volgen, onder andere naar Zuid-Afrika, zo bouwt ze een groot netwerk op.

In 1917 wordt ze buitengewoon hoogleraar in de ‘ziekteleer der planten’ (fytopathologie) aan de Rijksuniversiteit Utrecht. Ze geeft college en ontvangt praktikanten in haar lab. Er is in het WCS te weinig plek. In 1920 wordt Villa Java in Baarn het nieuwe onderkomen, vlak bij het Cantonspark, de botanische tuin van de universiteit. Ook de schimmels gaan mee. Westerdijk verheugt zich erop buiten te kunnen wonen en werken. Het huis in de Roemer Visscherstraat vindt ze maar donker en koud.

Ze blijkt een inspirerend docent en een goed onderzoeksleider te zijn. In de verbouwde koetsierswoning ‘Madoera’ kunnen assistentes (promovenda) wonen. Bij elke promotie is het feest in Baarn. Stapels teksten en gedichten herinneren aan de feestelijkheden. Westerdijk is uiteindelijk de promotor van 56 onderzoekers, van wie bijna de helft vrouwen.

Het hele artikel lezen? Je vindt het in het juninummer van Ons Amsterdam, dat 7 juni verschijnt.

Dit nummer niet missen, maar nog geen abonnee? Meld je aan vóór woensdag 23 mei 16:00 u.!

 

 

Beeld: Johanna Westerdijk was een wetenschapster die ook graag een biertje dronk; hier in Café Eik en Linde (Plantage Middenlaan) met oud-studiegenoten in 1912. Ze noemen zich de ‘Eik & Lindeclub van bonafide biologen’. Collectie Atria

Delen: