Voorproefje juninummer: Huizentekort leidde tot bouwwoede in 16de eeuw

De hoogte in

In de 16de eeuw raakte Amsterdam vrijwel helemaal volgebouwd. Wie plannen had om zijn huis uit te breiden, kon eigenlijk maar één kant op: de hoogte in. Zo gezegd, zo gedaan. Reijer Claesz ging aan de slag met zijn pand op Nieuwezijds Voorburgwal 86.

Reijer Claesz de Backer was een bevoorrechte Amsterdammer. Hij bezat vastgoed dat bij elkaar een jaarlijkse huurwaarde vertegenwoordigde van 187,-. Alleen daarmee al behoorde hij tot de gegoede bovenlaag van de Amsterdamse samenleving. De meeste van de ongeveer 30.000 inwoners rond 1560 konden daar alleen maar van dromen. Een gemiddeld jaarloon voor geschoolde arbeid bedroeg zo’n 125,- tot 175,- en een opperman in de bouw verdiende niet veel meer dan tien stuivers per dag. Zij hadden moeite de eindjes aan elkaar te knopen. Reijer Claesz kende dit soort problemen niet. Hij zag zelfs kans om flink te investeren, zodat de huuropbrengsten alleen nog maar verder toenamen.

Een van Reijer Claesz’ huizen staat nog altijd aan de Nieuwezijds Voorburgwal, op nummer 86. Het is een weinig opvallend pand. De voorgevel stamt in hoofdlijnen uit 1653, maar latere verbouwingen hebben het aanzien ingrijpend veranderd. De gevel met decoratieve pilasters werd versoberd; de verhoogde stoep maakte in 1877 plaats voor een nieuwe onderpui met een ingang op straatniveau. Aan de binnenkant van het huis echter bleef een veel oudere houtconstructie bewaard.

Restanten van dit houtskelet kwamen bij sloopwerkzaamheden in het najaar van 2018 onverwachts tevoorschijn. Aannemer Toby Waardenburg haalde er de bouwhistorici van de gemeente bij en na jaarringenonderzoek bleek dat de hoofdopzet van het huis nog stamde uit de tijd van Reijer Claesz. De draagconstructie bestond uit een eiken houtskelet van kort na 1562, met stenen zijmuren, die waren verplicht vanwege het brandgevaar.

Het huis had de gangbare opzet van een woonhuis met pakzolders. Een hoog voorhuis zorgde binnen voor voldoende licht en een insteekverdieping met een haard aan de achterzijde bood een gerieflijke ruimte die kon worden verwarmd bij kou. Beneden werd gewoond en gewerkt, daarboven was opslag. Pakluiken verraadden aan de buitenkant deze indeling, die ook aan de binnenkant zichtbaar was in de bouw. 

 

Heffing

Beneden had het houtskelet sleutelstukken (onder de dragende balk) en korbelen (schuine steunbalken), boven was het eenvoudiger, maar wel zwaarder, met extra muurstijlen (verticale balk in of tegen de muur) vanwege de opslagfunctie. Om dezelfde reden had de balklaag boven de woonverdieping niet de gebruikelijke kinderbinten (dwarse balkjes, haaks op de zware vloerbalken), maar stevigere tussenbalken, die met smeedijzeren stroppen aan het houtskelet hingen. Van deze constructie zijn in Amsterdam vrijwel geen andere voorbeelden bekend.

In 1562 moest Reijer Claesz een extra belasting betalen: de tiende penning. Alle Amsterdammers moesten 10% van de jaarlijkse huurwaarde van hun huis of kamer betalen, een heffing die de landheer of landvoogdes af en toe oplegde. Reijer Claesz woonde zelf op de Zeedijk bij de Sint Olofspoort in een huis met een huurwaarde van 55,- per jaar, bijna het dubbele van het Amsterdamse gemiddelde in die tijd. Zijn huis was niet bijzonder groot, maar wel zijn eigendom en bovendien was de omgeving een toplocatie. Vlak bij de haven en de Nieuwe Brug vormde de poort de ingang tot de Warmoesstraat, samen met het Damrak de duurste straat van de stad.

Reijer bezat meer huizen. Hij had nog een huis aan de Zeedijk, dat hij voor 35,- per jaar aan Jan Jansz verhuurde. Aan de Ossenmarkt, bij het Spui, huurde Trijn Jacobs een woning van hem voor 24,-, en dan had hij ook nog twee panden tussen de Nieuwezijds Voor- en Achterburgwal. Het ene huurde Jan Cornelis voor 30, in het andere woonden twee huurders: Peter Mol in het voorhuis aan de Voorburgwal 86 betaalde 30,-, Michiel Oom in het achterhuis 13,-.

 

Volgebouwd

Op het moment dat Reijer zijn belasting moest betalen, had hij waarschijnlijk al plannen om het pand te vernieuwen waar Michiel Oom en Peter Mol in zaten. Het moet een klein en laag bouwsel zijn geweest, mogelijk kort na de grote stadsbrand van 1452 opgetrokken en eigenlijk al lang aan vervanging toe. Destijds was er nog ruimte genoeg in de stad, maar in de loop van de 16de eeuw was Amsterdam vrijwel helemaal volgebouwd. Het aantal huizen nam van een kleine 2000 in 1494 toe tot meer dan 6000 in 1562. Lege plekken waren er niet meer. En omdat door de groei van de bevolking het brandgevaar toenam, zag het stadsbestuur erop toe dat eigenaren hun houten bezit gingen vervangen door huizen met stenen zijgevels en een hard dak. 

Die verstening en verdichting van het huizenbestand leidde tot een opeenhoping van mensen op een klein oppervlak. De invloed op het alledaagse leven was groot. In 1564 beklaagde een groep burgers zich bij de landvoogdes in Brussel over het gebrek aan ruimte in de stad om iedereen te kunnen huisvesten, en over de snel stijgende huren. De bevolkingsdichtheid was immens. Om een idee te krijgen: in Antwerpen stonden in 1568 11.856 huizen binnen de stadsmuren, een extreme dichtheid van 52,7 wooneenheden per hectare; in Amsterdam was de dichtheid nog hoger met 5271 belastbare eenheden op een gebied van 80 hectare, dat deels uit water bestond en waarop ook nog alle publieke gebouwen, straten en veertien kloosterterreinen te vinden waren. Zelfs zonder deze gebouwen was in 1562 de dichtheid van Amsterdam 65,6 eenheden per hectare.

 

Het hele artikel lezen? Je vindt het in het juninummer van Ons Amsterdam, dat 7 juni verschijnt.

Dit nummer niet missen, maar nog geen abonnee? Meld je aan vóór woensdag 23 mei 16:00 uur!

 

Beeld: Nieuwezijds Voorburgwal. Fotografie Wim Ruigrok

Juninummer 2019
Delen: