Volkswoningbouw. Heere van der Schaar bouwde 6000 woningen in West

Maar liefst 135.000 volkswoningen werden er tussen 1880 en 1940 gebouwd in Amsterdam. Daar was alle reden toe: het aantal inwoners nam snel toe, de huizennood was onvoorstelbaar groot. Het merendeel – ruim driekwart – kwam voor rekening van projectontwikkelaars. Een van die ‘eigenbouwers’ was Heere van der Schaar. Hij zette in West enorme aantallen woningen neer.

Tientallen projectontwikkelaars waren in Amsterdam actief sinds het laatste kwart van de 19de eeuw tot aan de Tweede Wereldoorlog. Hun bijdrage aan de volkswoningbouw was veel groter dan die van de woningbouwverenigingen: 75% tegen 25%. Verrassende getallen. Want het algemene beeld is toch heel anders, zeg maar andersom. Van slechts zes projectontwikkelaars zijn (delen van) archieven bewaard. Een van die zes is Heere van der Schaar (1882-1970), behalve projectontwikkelaar ook architect, constructeur en aannemer. Zijn vader, een Friese immigrant, was ook al in de aannemerij werkzaam. Heere van der Schaar nam begin jaren 1920 het plan voor 6000 woningen rond het huidige Mercatorplein voor zijn rekening.

De stadsuitbreiding concentreerde zich op dat moment in het oosten en vooral in het zuiden van de stad. De uitleg naar Noord liep vast op de slechte verbindingen over het IJ, in West op de gemeente Sloten, waarvan het grondgebied tot de Kostverlorenvaart liep. Bij de annexatie van Sloten in 1921 bleek een groot deel van de grond in handen van particulieren. De naamloze vennootschap De Hoofdweg bezat 118 hectare tussen de Sloterweg en de Haarlemmerweg. Heere van der Schaar was in 1914 een van de oprichters geweest en had daarmee grote invloed op de stadsuitbreiding in dit gebied.

 

Premie

De behoefte aan arbeiderswoningen was groot, vooral met huren onder de f 7,- per week. In 1922 diende Van der Schaar bij B&W een aanvraag in voor de bouw van 6000 in hoofdzaak arbeiderswoningen in West. Hij hield rekening met verschillen in behoeften tussen de gezinnen. Voor de muren wilde hij verdiepingshoge betonnen platen gebruiken, die op de bouwplaats machinaal zouden worden gesteld. Werkloze (metaal)arbeiders konden de machines bedienen. Tegen de gevel kwam baksteen, met het oog op de welstand. De doorsneewoning was 68 vierkante meter groot, met een woonkamer van zo’n zeventien vierkante meter, twee of drie slaapkamers en een keuken. De aanvangshuur was gemiddeld f 6,50 per week, de laagste f 5,50. De afmetingen waren kleiner dan van woningwetwoningen, maar groter dan de duizenden oudere arbeiderswoningen uit de late 19de eeuw in bijvoorbeeld de Pijp.

De gemeente had grote belangstelling voor zijn plan. De voordelen waren duidelijk: de forse omvang van duizenden arbeiderswoningen met een redelijke huur, zonder een beroep te doen op de gemeentekas. De projectontwikkelaar had ook goed begrepen dat zijn plan meer moest omvatten dan alleen woningcomplexen: er was plaats voor winkels, cafés, kerken en openbare gebouwen. De gemeente stuurde de premieaanvraag door naar de rijksoverheid met het verzoek die toe te kennen. Om na afloop van de Eerste Wereldoorlog de bouwproductie op gang te krijgen, had het Rijk voor particuliere investeerders in de woningbouw geld beschikbaar gemaakt. De toegekende premie was lager dan voorgesteld en niet voor alle 6000 woningen, maar Van der Schaar ging akkoord. De bouw kon beginnen.

 

Knelpunt

Er was alleen één knelpunt. De bouwverordening bepaalde dat het trappenhuis direct aan de voorgevel moest liggen, om voldoende licht en lucht binnen te laten komen. Van der Schaar vroeg dit voorschrift te schrappen voor een groot deel van de woningen. Door het trappenhuis naar binnen te plaatsen, konden met dezelfde investering meer vierkante meters woonruimte en daarmee beter verhuurbare woningen worden verwezenlijkt. De Gezondheidscommissie was het niet met hem eens, maar B&W oordeelde anders. Een trappenhuis aan de gevel nam inderdaad de mooiste en dus de meest waardevolle ruimte in de woning in beslag, en het was goed mogelijk zo’n inpandig trappenhuis op alle etages voldoende te verlichten en te ventileren. Van der Schaar kreeg zijn zin.

In september 1922 besprak de raad het plan. De communisten hadden er weinig goede woorden voor. Het leverde een erg lelijke buurt op; al die platte daken hadden een “neerdrukkend effect”, net als in Plan Zuid. B&W was dan wel enthousiast over zoveel redelijk geprijsde woningen, maar de stad kon zelf toch ook zo goedkoop bouwen? Wat Van der Schaar deed, kon iedereen; alleen hoogbouw door een gemeentelijk bouwbedrijf zou echt soelaas bieden. Bovendien was het nieuwbouwplan vooral goed voor Van der Schaar zelf: hij ving per woning een premie van f 900,-.

SDAP-wethouder Monne de Miranda dacht daar heel anders over: hij vond het plan van grote betekenis voor dit nieuwe deel van de stad. Het interieur van de 6000 woningen was niet fraai, maar de huren waren redelijk. Bovenal wilde hij de schommelende woningproductie opstuwen. Tussen 1914 en 1919 waren jaarlijks niet meer dan 1500 tot 1600 woningen opgeleverd, in 1920 zelfs slechts 737. Maar in 1921 waren het er al 3.178 geweest en hij verwachtte in het lopende jaar 1922 weer meer dan twee keer zoveel. Het ging dus de goede kant op, nu was het juist doorzetten geblazen om de schrijnende woningnood onder de knie te krijgen.

De raad keurde Van der Schaars plannen goed, ook (zij het pas eind november) de wijziging van de bouwverordening in verband met het trappenhuis.

 

Stedenvernielkunde

Projectontwikkelaar Van der Schaar wilde laten zien dat hij sneller en goedkoper kon bouwen dan de woningcorporaties en de gemeente. Maar dat viel tegen. Zijn consortium was niet berekend op de enorme bouwopgave. Het project vorderde zelfs zo langzaam dat de rijksoverheid de premies dreigde in te trekken. Begin 1924 was pas een derde van de woningen in aanbouw, een klein deel slechts voltooid. Voor deze eerste 2000 wist hij de premie van € 900,- veilig te stellen. Van de resterende 4000 woningen ontving de ene helft f 600,- premie, de andere helft f 300,-.

De gemeenteraad reageerde boos. Zijn plan was volgens de SDAP niets anders dan grondspeculatie. De toezegging om 6000 woningen te bouwen kwam Van der Schaar niet na. Dagblad Het Volk schreef op 31 januari 1924 dat “eigenbouwers” als Van der Schaar hoog opgaven van hun prestaties, maar als puntje bij paaltje kwam, vielen die nogal tegen en kwam er zonder financiële steun van de overheid niets van terecht.

Als klap op de vuurpijl bleken de financiën van Van der Schaars consortium niet te kloppen en moest hij de gemeente om hulp vragen. Het college kon weinig anders dan garant staan voor rente en aflossing van de leningen. Het belang voor de volkshuisvesting was te groot. Er werd al gebouwd en er zou chaos ontstaan als de regering de premies introk. Op vergelijkbare locaties, zoals in de Witte de Withstraat, waar ook met premies gebouwd werd, lag het werk lang stil door problemen met hypotheekbanken, en dat gevaar dreigde nu ook.

De communistische raadsleden grepen hun kans om het plan opnieuw de grond in te boren: “stedenvernielkunde” was het, net als andere projecten van ontwikkelaars. De woningen waren nog net geen krotten, zoals in de Pijp en de Kinkerbuurt, maar door de manier van bouwen zouden ze dat wel worden. Toch gaven ze hun steun, omdat mensen nog altijd beter af waren in nieuwe krotwoningen dan dakloos op straat of in oude krotten. Van der Schaar kreeg zijn gemeentelijke garantstelling.

 

Vertrouwen

Kort na de start diende Van der Schaar een aanvraag in om enkele winkelpanden met ‘dagverblijf’ (magazijn) te mogen verbouwen. Het dagverblijf werd dan een woning met woonkamer en keuken, maar zonder slaapkamer. De bewoners konden er slapen op opklapbedden. Hij wees op het financiële belang. Als zulke woningen er niet mochten komen, moesten de winkeliers bovenwoningen huren, en hoe duurder zij woonden, des te meer moesten de bewoners van het nieuwe stadsdeel voor hun levensmiddelen betalen.

Weer was de gemeente onaangenaam verrast. De afspraak was dat hij ruime, aantrekkelijke woningen bouwde. B&W weigerde in stemmen met wat zij een “minderwaardig” woningtype noemde. De Miranda nam het woord ‘vertrouwen’ in de mond. Er werd gebouwd op basis van de bouwverordening en van afspraken tussen gemeente en projectontwikkelaars. Dat kon alleen als de betrokken partijen elkaar vertrouwden en hun verplichtingen nakwamen. In West was gestart terwijl de tekeningen nog niet in orde waren, maar bouwen was hard nodig, dus werd er niet gelet op kleinigheden. Het was onfatsoenlijk dat een projectontwikkelaar zich achteraf aan afspraken probeerde te onttrekken.

De Miranda hield voet bij stuk. Het was belangrijk dat achter een winkel een fatsoenlijke woning lag met meer dan één kamer. Winkeliers konden nu eenmaal niet wonen waar ze wilden en niet verhuizen als hun gezin groeide, zoals andere burgers. Van der Schaars voorstel van achttien winkels met een gecombineerde woonkamer-slaapkamer en keuken vond in november 1926 geen genade bij de gemeenteraad. Daarmee kwam een eind aan een langlopende discussie over de kwaliteit van de volkshuisvesting en de verhouding tussen een projectontwikkelaar en de gemeente.

 

Bouwcommissie

Eind 1926 was het plan-Van der Schaar voltooid. De snelheid waarmee de 6000 woningen – ondanks alle problemen – waren neergezet, was voor een belangrijk deel te danken aan de Bouwcommissie. Daarin zaten de directeuren en ambtenaren van Bouw- en Woningtoezicht en Publieke Werken, de directeuren van de projectontwikkelingsmaatschappijen De Hoofdweg en Amsterdam-West en de architecten Jan Gratama, Allard Hulshoff en Gerti Versteeg. Het architectenbureau van Zeeger Gulden en Melle Geldmaker werkte de plannen uit.  

Ontwikkelaars die grond kochten, moesten de door de Bouwcommissie vastgestelde plannen uitvoeren. Die verplichting kon worden opgelegd, omdat vrijwel alle grond in West in handen was van De Hoofdweg (Van der Schaar) en Amsterdam-West. In de laatste vergadering van de Bouwcommissie noemde Gratama de samenwerking uniek. Hij wees op het verschil met Amsterdam-Zuid, waar architecten de vrijheid hadden naar eigen idee een straatwand te ontwerpen, waardoor verschillende bouwstijlen tegenover elkaar in één straat waren ontstaan. In het plan van Van der Schaar moesten ze zich houden aan de voorschriften van de Bouwcommissie, waardoor “een harmonisch beeld verzekerd was”.

 

RENS SMID PROMOVEERDE IN 2018 AAN DE UVA OP ZIJN ONDERZOEK STADSUITBREIDING EN VOLKSWONINGBOUW IN PRIVATE HANDEN. AMSTERDAM 1877-1940 NAAR DE WERKWIJZE VAN PROJECTONTWIKKELAARS EN HUN INVLOED OP DE STADSUITBREIDING IN DE JAREN 1875-1925. PUBLIEKSEDITIE BIJ UITGEVERIJ VAN TILT.

 

Beeld: Het Mercatorplein omstreeks 1930. De Jan Evertsenstraat sluit onderin op het plein aan en stuit vervolgens nog op tuingebouwgebied. De Hoofdweg loopt van boven langs het plein rechtsonder door. Grofweg is dit Van der Schaars gebied, dat langs de Jan Evertsenstraat doorloopt tot voorbij de Admiralengracht. Collectie Stadsarchief Amsterdam

Delen:

Buurten:
West
Dossiers:
Architectuur
Editie:
Januari Februari
Jaargang:
2020 72
Rubriek:
Verhaal
Tijdperk:
1800-1900 1900-1950