Verwaarlozing in de Over-Amstelstraat

Op 7 januari 1921 diende in Amsterdam de zaak tegen mevrouw J. Pieterse-De Langen, die beschuldigd werd van opsluiting en verwaarlozing van haar ongeveer 19-jarige zoon. Al zo’n acht jaar hield ze de jongen thuis, in erbarmelijke omstandigheden. De belangstelling was enorm: in de rechtbank moest de politie met de wapenstok de orde bewaren. Toeschouwers zaten op de tribune als haringen in een ton.

De Telegraaf deed daags erna uitgebreid verslag. De aanleiding was al curieus:

‘Door een toeval, doordat een buurvrouw met een binocle keek naar aviateurs boven de stad en plotseling door het kijkglas een bijna naakte menschelijke gestalte op de veranda van perceel 10, drie hoog, zag, is deze hel aan den dag getreden.’

De politie ging poolshoogte nemen en trof in het huis de jongen aan, ‘die alle teekenen vertoonde van een wezen dat door barbaarsche hand jarenlang van het vrije leven was afgesloten geweest. Het was niets dan een wrak, met verwilderd haar, doodsbleek gezicht, mager lichaam, ja zoowaar vertoonde de jongen reeds sporen van vroegtijdige kaalhoofdigheid. Er bleek voorts, dat de woning met recht een zwijnenstal mocht heeten.’

Volgens de buren lag de oorzaak bij de vader van de jongen, de timmerman Pieterse, die zich maar weinig van het gezin had aangetrokken. Toen de rechter het slachtoffer ondervroeg had die een andere verklaring: ‘De kaartlegsters, waar moeder vaak naar toe ging. Zij hebben haar vermoeden bevestigd dat vader ’t met een ander hield. Die vrouwen hebben moeders hoofd op hol gebracht.’

Tegen de moeder werd twee jaar geëist; de zoon kwam op verhaal bij het Leger des Heils in Lunteren.

De maatschappelijke schok was groot, schreef de Telegraaf:

‘Men vraagt zich eigenlijk af hoe èn zuster èn vader èn buren èn ook de dokter eigenlijk zich niet bij den aanblik van het kind afvroegen: ‘moet de bevoegde macht met zoo een geval niet in kennis gesteld worden; moet armenzorg, voogdijraad, politie desnoods hier niet in gekend worden?’’

Twee weken later werd de vrouw vrijgesproken. Van vrijheidsberoving was geen sprake, zei de rechtbank: de zoon had nooit opgesloten gezeten. Hij had bovendien niet in een ‘hopeloozen’ toestand verkeerd, omdat de vader in staat was geweest hem te hulp te komen (wat hij had nagelaten), en er was te weinig bewijs voor de aanklacht dat de moeder de gezondheidstoestand van de jongen met opzet in gevaar had gebracht.

‘De vrijspraak maakte op de vrouw uiterlijk niet den minsten indruk’, schreef de NRC.

 

Lees hier het hele artikel in de Telegraaf van zaterdag 8 januari 1921.

 

 

Delen: