Verstopt maar niet vergeten

Tegenwoordig zit het Compagnietheater op Kloveniersburgwal nummer 50, maar tot ver in de 18de eeuw was het pand in gebruik als psychiatrische instelling: het Dolhuis. Zowel bij historici als (moderne) zielenknijpers heeft dit gesticht een beroerde reputatie: voor twee stuivers entreegeld mochten nieuwsgierigen een blik werpen op de krankzinnigen, die hun leven lang als beesten werden weggestopt. Maar uit onderzoek van Martje aan de Kerk, die daarmee de Skriptieprijs 2010 binnensleepte, blijkt dat de situatie van de Dolhuisklandizie minder desolaat was dan we dachten. Zo bleef de familie een grote rol spelen bij opname en ontslag. Een meerderheid van de krankzinnigen kwam op verzoek van naasten in het Dolhuis terecht. Zij moesten een verzoekschrift indienen, waarna op basis van het oordeel van een arts werd bepaald of opname noodzakelijk was. Agressief of ander ongewenst gedrag was de belangrijkste indicatie. Lijders aan weinig storende kwalen moesten door eigen familie worden verzorgd. Zelfs een moeder met een sterk suïcidale zoon kreeg nul op het rekest. Vanaf de 18de eeuw namen verzoeken door buitenstaanders toe, zoals werkgevers, buren en logieshouders. Werkgevers waren soms ook bereid voor het kostgeld op te draaien om hun agressieve employee maar achter de Dolhuismuren te houden.
De patiënten kwamen vooral uit de onderste lagen van de samenleving: jongelingen met beroepen als dienstbode, winkelknecht, kleermaker en zeeman. Ook een voormalige knecht van het Dolhuis zelf. Zij kregen geen geneeskundige behandeling. Toch bood het huis ook verzorging: de patiënten werden zeker niet aan hun lot overgelaten. Als de familie hen niet van schone kleding voorzag, kregen zij een ‘duffelse huishansop’ aangemeten. De meeste familieleden kwamen echter wekelijks langs; zo bleef er ook contact bestaan met de verwarde bloedverwanten.
Het lijkt erop dat de familie in de 18de eeuw meer betrokken raakte bij het ontslagproces, terwijl patiënten voor een kortere periode in de instelling verbleven dan een eeuw eerder. Familieleden verzochten ook vaker om vrijlating, zodat de patiënt het thuis weer kon proberen: een soort proefverlof. Volgens Aan de Kerk was het Amsterdamse gesticht rond 1700 een plek geworden waar iemand even tot rust kon komen. De helft van het aantal opgenomen patiënten zat er tijdelijk. De stelling dat krankzinnigen in het Dolhuis levenslang achter slot en grendel verdwenen kan dus naar het rijk der fabelen worden verwezen.
MARTJE AAN DE KERK, VERSTOTEN OF VERZORGD. PATRONEN VAN OPNAME EN ONTSLAG IN HET AMSTERDAMSE DOLHUIS, 1640-1780, SKRIPT 33.1 (2011) 4-15.

Maarten Hell
Juli/augustus 2011

Delen:

Gerelateerd

Met de kabelbaan door Amsterdam
Met de kabelbaan door Amsterdam
Actueel 9 april 2021
Oudekerkstoren krijgt opknapbeurt
Oudekerkstoren krijgt opknapbeurt
Actueel 7 april 2021
Meinummer 2021
Meinummer 2021
Inhoud 2 april 2021