Verhuisden gevelstenen mee?

Een oud adressenprobleem

Uithangborden en gevelstenen vertelden in oorsprong iets over de bewoner van het daarmee gesierde huis: ze meldden of symboliseerden vaak zijn beroep, geloof of familienaam. Maar bij gebrek aan een huisnummeringssysteem kregen zij geleidelijk ook de functie van adresaanduiding: ze gingen bij het huis zelf horen. Dat bracht dus een dilemma: wat te doen met de steen als de bewoner verhuist?

Op 28 januari 1542 werd in de resolutieboeken van de Amsterdamse vroedschap (voorloper van de gemeenteraad) een keur (besluit) ingeschreven die voor het huidige gevelstenenbestand in de stad van groot belang zou blijken. Onder de kop “Gheen teijckenen voer die huijsen te veranderen”, staat er: “Mede van dat de borden ofte teijckenen, hangende voer den huijsen binnen deser stede ende in de vrijheijt van dien, achter meije eerstcomende, zullen moeten blijven, sonder die te mogen namaels veranderen, omme de huijsen te bat ondersceijden ende bekent te werdden.”
In het kort komt het neer op een verbod om uithangtekens of borden, eenmaal uithangend, te veranderen of te verwijderen. Doel was om de afzonderlijke panden in de stad als adres herkenbaar te houden en administratief te kunnen identificeren. Daar in 1542 reeds vele stenen huizen in de stad stonden zal deze keur bij uitstek betrekking hebben gehad op gevelstenen. Deze waren immers ingemetseld en daardoor meer geschikt als huis/adresaanduiding dan een makkelijk verwijderbaar uithangend bord of object.
Het kwam toen ook al geregeld voor dat een pand met een gevelsteen, geplaatst dus door de bouwer, ook nog een uithangbord of -teken had. Dit laatste was dan een aanduiding van de nering die in een verhuurd deel van het pand uitgeoefend werd. Bij verhuizing was het normaal dat het uithangteken verwijderd werd of meeging naar het nieuwe adres. Een mooi voorbeeld hiervan treffen we aan in een verkoopakte uit 1678 van het huis in de Warmoesstraat dat nu huisnummer 16A draagt. Het pand wordt aangeduid als “Warmoesstraat noordzijde over het Wijngaardstraatje daar de Eenhoorn in de gevel staat en het Moortje op de luifel staat”. Bij de overdracht mocht de toonbank uit het voorhuis en het Moortje van de luifel meegenomen worden. De eenhoorn in de gevel (nu nog steeds aanwezig) was dus duidelijk de huisnaam, de adresaanduiding, en het luifelbeeld een vervangbare aanduiding van de nering die voor korte of langere tijd in het pand gevestigd was.
Kennelijk bestond er een handel in kant-en-klare uithangborden. Dit blijkt duidelijk uit de prent van de Noordermarkt in de ‘Atlas van Fouquet’, een beroemd album van 18de-eeuwse prenten, uitgegeven door J. Fouquet jr in 1775. Daar zien we tussen de voorraad van een handelaar in tweedehands meubelen diverse uithangborden staan.

‘N.B.: heeft geld!’
Aan het verplicht handhaven van de huisnaam (vanaf omstreeks 1550 doorgaans in steen ‘verbeeld’ aan de gevel) is te danken dat in menige Amsterdamse 18de- of 19de-eeuwse huisgevel een oudere gevelsteen bewaard bleef. Wellicht ook uit zuinigheid (het laten hakken van een nieuwe steen zal best duur geweest zijn) paste men de oude steen weer toe in de vernieuwde gevel. Soms werd dan het oude opschrift en/of jaartal zorgvuldig weggehakt en op een nieuwe plint weer aangebracht en het reliëf van een ‘moderne’, meer eigentijdse versiering voorzien. Eenvoudiger en goedkoper was het simpelweg ergens in de gevel inmetselen van de oude gevelsteen, vaak boven de hijsbalk. Een mooi voorbeeld van deze laatste toepassing is te zien op Nieuwezijds Voorburgwal 117. De gevelsteen van omstreeks 1550 met een gedetailleerde voorstelling van de doortocht door de Rode Zee en het in gotische karakters ingekerfde onderschrift ‘Int Roo Meer’, is hier gewoon boven de hijsbalk van de 18de-eeuwse gevel ingemetseld.
Moderniseren van de oude gevelsteen gebeurde bijvoorbeeld met een 17de-eeuwse steen die een korenmaat laat zien. De oude steen werd in 1724 hergebruikt bij de vernieuwing van de gevel van Bergstraat 6. Het oorspronkelijke opschrift en jaartal werden weggehakt (de haksporen kwamen bij schoonmaak van de steen duidelijk aan het licht) en twee sierlijke zijvoluten in Lodewijk XIV-stijl gaven het reliëf de gewenste allure. De oude naam kwam op een brede, losse plint te staan, voorzien van het jaar van vernieuwing.
Een voorbeeld van het onveranderd handhaven van het oude huisembleem is de gevelsteen Den Witten Hond, in de achtergevel aan het Damrak van Warmoesstraat 16 (dus naast De Eenhoorn). De huisnaam Den Witten Hond werd al in 1456 in een overdrachtsakte genoemd. Het huis was toen eigendom van burgemeester Jan Beth Janzs, die tevens waard was in herberg Den Witte Hond. Nog in 1735 werd het pand met deze naam aangeduid bij de verkoop aan wijnkoper Christiaan Lankhorst. In het belastingkohier van 1742 staat bij zijn naam “N.B. heeft geld” en hij wordt, met zijn drie dienstboden, als halve kapitalist omschreven. Lankhorst liet het oude pand in 1740 drastisch verbouwen. Aan de Damrakzijde verrees een hoge gevel, bekroond door een uitbundig gedecoreerde lijst. In het verhoogde middenstuk, geflankeerd door twee zeegodinnen en voorzien van een immense kroon, is een groot liggend wijnvat voorgesteld, een duidelijke verwijzing naar het beroep van Van Lankhorst. De nieuwe huisnaam Oost Vries Lant en het jaar van voltooiing 1740 zijn met duidelijke letters en cijfers in de versiering opgenomen.
De oude huisnaam en de gevelsteen bleven echter behouden. Tussen de vensters van de tweede en derde verdieping van de Damrakgevel kreeg de oude gevelsteen Den Witten Hond, die oorspronkelijk in de voorgevel in de Warmoesstraat zat, een onopvallende plek. De gevelsteen is door het ontbreken van enig ornament moeilijk te dateren, maar zal vroeg-17de-eeuws zijn. Wat wel zeker is, is dat dit witte hondje de oudste, in beeld gebrachte en gehandhaafde Amsterdamse huisnaam is.

Koningen zonder benen
In de top van Keizersgracht 88 is de oude gevelsteen op een geheel andere wijze hergebruikt. De steen in de huidige topgevel uit 1718 wordt exact beschreven in het unieke gevelstenenschetsboek van jhr A.P. Lopez Suasso (uit circa 1875), bewaard in het Gemeentearchief: “In de nok drie personen, halfslijfs, waarboven een ster, de drie Koningen uit het Oosten.” Ik denk dat die ‘halfslijfheid’ (de koningen zijn beenloos) ontstond doordat de oude gevelsteen van de voorganger van dit pand werd ingekort om in de top van de nieuwe halsgevel de oorspronkelijke huisnaam De Drie Koningen te handhaven. Het oude pand was in 1663 eigendom van Joan Anslo, regent van het Aalmoezeniersweeshuis, en werd toen al aangeduid met deze naam.
Nog zo’n geval van handhaving van de oude steen bij een 18de-eeuwse verbouwing is te zien in de top van de bijzonder rijke topgevel van Kloveniersburgwal 67, op de hoek van de Raamgracht. Onlangs viel mijn oog daarop tijdens een stadsverkenning. Dat er iets bijzonders aan de hand was met de fraaie klokgevel was de architecten G. van Arkel en A.W. Weissman, samenstellers van de Noord-Hollandsche Oudheden (deel 6, 1903) niet ontgaan. Zij zagen dat de staande piekenier in de 18de-eeuwse geveltop een 17de-eeuws harnas droeg. Ook uit de ruw afgewerkte achtergrond viel af te zien dat dit beeld later aan de geveltop is toegevoegd. Met de telelens kon ik zien dat het beeld met de rug vastzit aan de achtergrond en dat dit een rechthoekige steen is, al valt dit niet op doordat ze in de eveneens witte geveltop is ingevoegd. Met andere woorden: dit was een gevelsteen met een sterk naar voren springend reliëf. Ondanks een uitvoerig archiefonderzoek is er helaas geen huisnaam gevonden waardoor de aanwezigheid van de gevelsteen op deze plek verklaard zou kunnen worden. Maar net als de overige besproken stenen, vertelt ze wél meer dan één verhaal!
 

Delen:

Jaargang:
2006 58

Gerelateerd

In de schaduw van de macht
In de schaduw van de macht
Verhaal 25 januari 2011
​​​​​​​Aanzienlijken, burgermenschen en het gemeen
​​​​​​​Aanzienlijken, burgermenschen en het gemeen
Recensie 28 december 2010
Architect Philip Warners, 1888-1952
Architect Philip Warners, 1888-1952
Markante Amsterdammers 23 december 2010