Vergeten pionier van ons bier

'Een glas Amsterdamsch, mijnheer?

Deze winter 150 jaar geleden begon in Amsterdam de revolutie in het bierglas. De eerste Nederlandse fabriek van 'modern' bier ging van start: de Koninklijke Nederlandsche Beijersch-Bierbrouwerij. Het Amsterdamse bier kon zich meten met de Beierse originelen.

Halverwege de 19de eeuw stapten steeds meer Nederlandse bierdrinkers over op 'Beijersch' bier. Dat smaakte altijd en overal hetzelfde. Destijds was zoiets een voordeel en vooral ook nieuw, want de kwaliteit van Nederlands bier wisselde nogal. Het ging om de vergisting – een proces dat in Beieren beter onder de knie hadden. Die expertise werd naar Amsterdam gehaald.
Gist zorgt voor alcohol en koolzuur in bier, door graansuikers om te zetten. Er was nog geen koelapparatuur; brouwers in Nederland vergistten bij omgevingstemperatuur. De gist bleef drijven ('bovengisting'). Het bier was snel klaar, maar ook troebel, onevenwichtig en gevoelig voor bederf. Maar in Beieren vergistten de brouwers al sinds de Middeleeuwen tijdens de lange winters. De gist zakte bij de lagere temperaturen naar de bodem ('ondergisting'). Het bier kon enkele maanden rijpen in deels natuurlijke, koele keldergangenstelsels en was helder, stabiel en duurzaam.
Met dank aan de spoorwegen veroverde dit Beierse bier Europa. Industriëlen in diverse steden begonnen brouwfabrieken om het ook te maken. Ze bootsten de kelderstelsels na door enorme dubbelwandige gist- en lagerkelders aan te leggen ingepakt met natuurijs. Een grootschalige bedrijfsvoering die alleen mogelijk was met kapitaal van meerdere betrokkenen, ondergebracht in naamloze vennootschappen.
De Nederlandse bierwereld telde veel traditionele familiebrouwerijen en bleef lang achter. Enkele brouwden soms Beiers bier als een Hollandse winter het toeliet. Zonder standvastige kou was het lastig en onzeker werk, kortstondig en mede door een ongunstige accijnswet niet lucratief. Pas in 1864 zag nieuwkomer Gerard Heineken in de Amsterdamse brouwerswereld er als eerste kans toe.

Heinrich Henninger

Hetzelfde jaar 1864 werd ook de eerste Nederlandse industriële brouwonderneming opgericht: de N.V. Nederlandsche Beijersch-Bierbrouwerij. De negen initiatiefnemers strikten investeerders met illustere familienamen als Pierson, Borski en Six, maar ook de idealistische arts en ondernemer Samuel Sarphati, altijd op de bres voor betere voeding, en de schrijvers Johannes Kneppelhout en Everhardus Potgieter (die geen bierliefhebber was). Ook Heineken nam twee aandelen. Directeuren werden de diplomaat J.N.W.C. Sieburgh, de jurist Abraham da Costa (zoon van de in 1860 overleden dichter Isaäc da Costa) en Adriaan Holtzman, ondernemer in spoorwegen, waterleidingen en telegraafdraden. Geen van hen lijkt kennis van bier te hebben gehad. Die bracht een ervaren Beierse brouwer in: Heinrich Henninger, hij had in Erlangen en Nürnberg brouwerijen gekocht, opgebouwd en verkocht.
Het startkapitaal bedroeg uiteindelijk f 1.000.000,-, ongehoord veel voor een Nederlandse bierbrouwerij. Voorjaar 1865 begon de bouw aan de Weesperzijde net binnen de stadsgrens in de Overamstelsche Polder, een zeer landelijk gebied. Het bijna L-vormige complex kwam te staan in een hoek tussen de huidige Oetgenstraat (destijds het Achterpad), de Grensstraat en de Burmandwarsstraat. De in 1876 geboren Sani van Bussum herinnerde zich dat het Oetgenspad tegenover de brouwerij "nog geen straatsteenen" had, "de kippen liepen zoomaar over den grond".
Maar maagdelijk groen was het er niet meer. Aan het Oetgenspad (nu de Eerste Oosterparkstraat) stonden woonhuisjes. Sinds 1843 liep de Rhijnspoorweg door de polder naar Utrecht en later naar Duitsland. De spoorlijn lag pal naast de nieuwe brouwerij. Er waren ook enkele andere bedrijven. Schuin tegenover de NBB stond de chocolademolen van Blooker, 250 meter verderop bevonden zich langs de Amstel twee potentiële afnemers: uitspanning Lokhorst en herberg De Ysbreeker, en daarachter had P.L. van der Brugh, 'kunstvuurwerkmaker des Konings', zijn fabriek.

Koningsbier

Voor het ontwerp tekende Theo van Outersterp, eerder architect van Amsterdamse fabrieken, onder andere de meekrapfabriek van Mendel & Bour bij de Muiderpoort. In februari 1866 kwam de pers zijn on-Nederlands geproportioneerde brouwerscomplex bekijken. Het mat 110 bij 18 meter, was 24 meter hoog en rustte op 2800 palen. De mouterij was een "onderaardsch gewelf van 44 gemetselde bogen, rustende op 30 kolommen", betegeld met wit Beiers kalksteen. Boven de twee eesten (moutdrogerijen) rezen "kolossale gemetselde koepels" en het 1250 m2 grote brouwhuis bestond uit negen kruisgewelven. Er kwam een stoommachine van 20 pk, destijds veel voor een brouwerij. En dan waren er natuurlijk de kelders. De gistkelders deden "aan eene krypt" denken en konden 100 gistkuipen van 5300 liter herbergen. In de vijf meter hoge lagerkelders waren tien afdelingen, elk met twintig vaten van 4000 liter en vijftien van 3000 liter (in totaal 12.500 hectoliter bier). De ijskelders eromheen bevatten twee miljoen kilo ijs dat de temperatuur op 2º Celsius moest houden.
Zaterdag 19 januari 1867 begon de productie. De eerste vaten 'Beijersch' werden op 15 maart geleverd. Dat was overigens bruin, vrij bitter en met ongeveer 5% alcohol. De beste soort – in de winter gebrouwen en bij stabiele temperaturen gerijpt 'Zomer-lager' – was van 1 mei tot 1 oktober verkrijgbaar. Agentschappen in diverse steden (waaronder Antwerpen) bottelden het bier, in Amsterdam de firma J. Roetemeijer & Zoon.
De nieuwe brouwfabriek trok veel aandacht. Op 27 april bracht de koning een bezoek, waarna hij de NBB het predicaat 'koninklijk' verleende. En de vraag naar het bier overtrof de capaciteit. De brouwerij had vooraf contracten gesloten en kon pas in oktober op vol vermogen draaien.

Drankbestrijders

Op verzoek van de NBB had de regering in maart ook de voor Beiers brouwen nadelige accijnswet gewijzigd. Het NBB-bier kon daardoor een marktpositie veroveren, ook in de provincie. Vanwege accijnsverschillen was het niet per definitie goedkoper dan geïmporteerd Beiers, maar het was wel sneller leverbaar. De in Beieren voor export gebrouwen bieren waren sommige drinkers ook te zwaar. Hoe dan ook daalde de invoer van 1911,5 ton in 1866 naar 383,1 ton in 1868.
Het Amsterdamse bier kon zich meten met de Beierse originelen. In 1868 al liet Busken Huet in zijn roman Lidewyde een bierhuisbezoeker kiezen: "Een glas Kitzinger, of een glas Amsterdamsch?" Hetzelfde jaar werd het bekroond op een tentoonstelling in Le Havre. De Moniteur de la Brasserie verkoos het bier boven buitenlandse concurrenten: het was "sterk en toch delicaat, [...] zuiver en perfect van smaak". Ook het zachtere en wat zoetige bockbier, dat in Beieren jaarlijks in mei uitkwam, brouwde de KNBB vanaf 1868. Latere merken waren Nieuw Hollandsch (tafelbier) en het donkerbruine Extra Dubbel Oud.
Het Amsterdamse Beiers beloofde een impuls aan de bierconsumptie te geven. De vroegere volksdrank was al anderhalve eeuw duur en flauw; veel consumenten prefereerden jenever. De drankbestrijdingsbeweging zag in de nieuwe brouwerij het mindere kwaad en daarom een bondgenoot.
De NBB bloeide en al april 1869 moest de kelderomvang worden vergroot. Het succes inspireerde andere Amsterdamse ondernemers. Gerard Heineken liet zijn nieuwe brouwerij aan de Stadhouderskade eind 1869 ombouwen voor ondergisting. Wijnhandelaar Charles de Pesters en Johannes van Marwijk Kooy bouwden vanaf 1870 brouwfabriek De Amstel bij het Weesperpoortstation. Beide bedrijven rekruteerden een Duitse brouwmeester. In 1873 stopte Heineken zelfs volledig met traditionele bieren.

Pilsener

Amsterdam telde nu drie grote Beierse brouwerijen, maar Amstel en Heineken overvleugelden de NBB al snel. In mei 1871 was er nog een uitbreiding, daarna bleef de afzet achter bij de productie. Het dividend zakte van f 100,- per aandeel in 1871 plotseling naar f 40,- in 1873. De opbrengsten bléven teruglopen, soms werd er helemaal geen dividend uitgekeerd.
Achter de neergang stak een belangrijk verschil in expansiedrift en doortastendheid. Zo was de NBB in Brussel een Beijerse brouwerij gestart (Bavaro-Belge), maar die werd na zeven jaar in 1878 verhuurd aan... Heineken. Gerard Heineken zocht koortsachtig naar uitbreidingsmogelijkheden. Weliswaar beëindigde hij het huurcontract na twee jaar omdat de Belgen zijn bier niet bliefden, maar gestaag exporteerde hij meer naar elders, net als Amstel. De NBB-export (overwegend naar Nederlands-Indië) bleef bescheiden.
Productontwikkeling en prijsbeleid waren niet de sterkste kanten van de NBB. Begin jaren tachtig kwamen de grote brouwerijen, ook de NBB, met een nieuw Boheems bier dat Europa stormenderhand had veroverd: het lichtere en frissere pilsener. Amstel verlaagde in 1885 zelfs de prijs tot die van het goedkopere Beiers, in het besef dat pilsener de toekomst had. Heineken nam op zijn beurt wetenschappelijk het voortouw met de ontwikkeling van een eigen, zuivere gistcultuur.
Grootschalige afzet van Beiers en pilsener bleef nog lange tijd uit door de relatief hoge prijs. In 1868 dacht de NBB dat de prijs van Beiers snel zou zakken. Dat gebeurde niet. Pas na 1885 wisten de brouwerijen met goedkopere, 'dunne' bieren minder kapitaalkrachtige drinkers te bereiken. Deze verdreven de traditionele biersoorten en voltooiden de bierrevolutie. De Amersfoortsche, de Zuid-Hollandsche, Oranjeboom, Heineken en Amstel staken de pionier de loef af. Wel had de NBB in 1889 nog een primeur, maar los van het bier: de eerste Nederlandse industriële beursnotering, met een obligatie-uitgifte van f 500.000,-.

Amstelijs

Cruciaal voor de bierrevolutie was de ontwikkeling van de koelmachine door de Duitse ingenieur Carl von Linde in 1873. Ondergistende brouwerijen waren altijd afhankelijk geweest van klimaatgrillen. In strenge winters was natuurijs dichtbij beschikbaar, in andere jaren moesten ze het importeren. Amstel en Heineken behoorden tot de eerste die in koelapparaten investeerden. Zo konden ze het hele jaar onder gelijke omstandigheden brouwen en kwamen de ijskelders vrij voor meer opslag. Hun capaciteit schoot vooruit.
De NBB miste de boot. In januari 1901 schetste het Algemeen Handelsblad een anachronistisch beeld van het bedrijf. Op de bevroren Amstel sloegen "mannen met groote houten hamers het ijs stuk", dat vervolgens met een net in een schuit werd gegooid. Aan wal ging het ijs op karren, "getrokken door arme, oude, afgetobde paarden", die moeizaam "tegen de hoogte op" sjouwden naar een poort, waarop "met gouden letters: Koninklijke Nederlandsche Beiersch-Bierbrouwerij" stond. Drie of vier scheepjes leverden dagelijks elk 50 m3, terwijl er per winter ongeveer 14.000 m3 nodig was. Een moeizaam, maar in goede winters betaalbaar procédé; in zachte winters liepen de kosten voor importijs op tot f 80.000,-.
Waarom de KNBB geen koelapparatuur aanschafte is niet bekend. Amstel, Heineken en ook Oranjeboom veroverden met hun gegarandeerde productie definitief de markt. Na de Eerste Wereldoorlog moesten talloze kleinere brouwerijen de strijd met deze drie opgeven. Hun wegbereider hief zichzelf op en in augustus 1926 namen zij gezamenlijk de afzet van de Koninklijke Nederlandsche Beijersch-Bierbrouwerij over.

Brand

De brouwerij was weg, maar de gebouwen stonden niet lang leeg. Al in 1927 zat er een oliehandel. Allerlei bedrijfjes vonden er onderdak, tot het complex op 9 april 1963 door een enorme brand werd verwoest. Vermoedelijk hadden buurtkinderen met vuur gespeeld, meldde de politiecommissaris. "Het gebouw heeft grote diepe kelders, waar de kinderen vaak in speelden. Men vergat vaak een deur af te sluiten." Eén gebouw bleef gespaard. Twee jaar en negen maanden later brandde een nieuwe vuurzee ook het laatste restje geschiedenis weg. In de Burmanstraat, de Oetgensstraat en de Grensstraat herinnert niets aan de pionier van de Nederlandse bierrevolutie. Er is geen steen meer over.

Delen:

Jaargang:
2017 69

Gerelateerd

Zoetrijders en melkboeren
Zoetrijders en melkboeren
In beeld 29 oktober 2018
Rembrandt uit de mode
Rembrandt uit de mode
Canon van Amsterdam 4 oktober 2018
1756: Paniek door aardschokken
1756: Paniek door aardschokken
Hier gebeurde het 2 oktober 2018