Vaste route: Oek de Jong

Schrijver Oek de Jong verhuisde 50 jaar geleden van de Zeeuwse polder naar vierhoog achter in Amsterdam-West. Al mist hij nog steeds de gemoedelijkheid van het platteland, Amsterdam is zíjn stad geworden. ‘Ik ga steeds meer geschiedenis zien.’

 “Elke dag fiets ik van de Korte Koningsdwarsstraat naar mijn werkplek op de Keizersgracht. Ik lééf in Amsterdam: ik ga elke zaterdagochtend na de markt met mijn vrouw koffiedrinken bij café ’t Loosje op de Nieuwmarkt, uitgebreid bijpraten. In de binnenstad heb ik veel herinneringen liggen. Maar ik leef ook sterk in het verleden – en het verleden van de stad speelt voor mij steeds meer een rol. Op het eind van de Koningsstraat, waar je de Nieuwmarkt opkomt, denk ik bijvoorbeeld vaak aan een foto uit de oorlog. Je ziet een hek van prikkeldraad over de hele lengte van het plein. Net als rond de concentratiekampen. De afsluiting van de Joodse buurt. Dat stond daar gewoon. Het is ook nog eens een foto die met mooi weer is genomen. Een mooie zonnige dag op de Nieuwmarkt – en dan zo’n gruwelijk hek.

“Ik mis op het ogenblik de cafés, omdat die heel erg in mijn routine zitten. Ik begin de dag bij Bâton op de Herengracht of bij Il Momento tegenover Multatuli op de Torensluis. Essentieel: koffie ’s ochtends, de Volkskrant lezen. Dan schrijven, tot een uur of twee, half drie. Ik werk altijd alleen, dus na het schrijven wil ik ook gewoon onder de mensen zijn. Liefst op het terras van Spanjer & van Twist aan de Leliegracht, het allermooiste terras van Amsterdam, mijn lievelingsplek. Spanjer wordt gedreven door Carlos, een Chileense balling, die ken ik al twintig jaar. Ik hou van cafés met een leestafel, en die heeft Carlos.”

Overgang

We houden halt op de Dam, de reden is bijzonder. “Mijn vader kwam in 1946 als boerenkinkel uit Friesland naar Amsterdam, om te studeren. Zijn zwager was de fotograaf Ad Windig, de oudste broer van mijn moeder. Hij leefde nogal in de bohème; wij zagen alleen zijn foto’s. Hij maakte hier voor de Bijenkorf op 4 mei 1946 een foto van vier dames bij de eerste Dodenherdenking. Mijn vader was daarbij. Op de Dam denk ik nog geregeld aan die foto van mijn oom. Zo’n zwart-witfoto tilt een beeld uit de tijd. Het heeft een grafische kwaliteit, het licht wordt veel belangrijker, het beeld wordt tijdloos.” We proberen de foto te herhalen met Oek de Jongs portret. Bij nadere bestudering lijkt het er echter meer op dat de dames voor de etalages van Peek & Cloppenburg stonden – en dat Windig het beeld gespiegeld heeft.

“Ik kwam in 1971 op mijn 18de naar Amsterdam van het eiland Zuid-Beveland.  Zó uit de Zeeuwse polder in de Frederik Hendrikstraat, écht vierhoog achter, op zolder. Oud West was toen een sombere buurt. De overgang was erg groot. Ik mis nog steeds vooral de gemoedelijkheid van het platteland, de tijd die de mensen voor elkaar hebben. Al vrij snel ging ik samenwonen met mijn eerste lief, eerst op de Maasstraat 155, daarna op Krugerstraat 28 in de Afrikaanderbuurt, toen een slechte wijk met veel werkloosheid en brandjes in de portieken. Vandaar vertrok ik in mijn eentje naar de Hoogte Kadijk, vlak bij de Kromhoutwerf. Dunne wandjes, heel lawaaierig.”

Ongeluk

Op de kruising van de Oude Leliestraat en de Herengracht houden we even stil. “In al die tientallen jaren dat ik in Amsterdam woon, ben ik één keer beroofd, nota bene voor mijn eigen huis op de Keizersgracht, en heb ik maar één keer een ongeluk gehad – en dat was hier. Ik was op weg naar mijn vrouw, ’s avonds om half elf, reed hier de brug af... en op de een of andere manier is mijn fiets gewoon doormidden gebroken. Ik kwam met mijn linkeroog precies op dat rood-witte paaltje terecht en smakte tegen de grond. Mijn oog zat vol bloed en glassplinters van mijn bril, maar toen ik het opensperde merkte ik dat ik nog goed kon zien. Ik kon mijn rechterarm niet meer bewegen: gebroken bij de schouder. Daar lag ik. Twee mensen liepen langs, die wilden er niets mee te maken hebben, maar toen kwamen er twee jonge mensen die me geholpen hebben, de ambulance gebeld. Om half één lag ik in het ziekenhuis. Dertig hechtingen. Mijn oog leek wel een soort Japanse tekening, met al die zwarte steekjes. Ik heb geweldig geluk gehad. Er is nog zo’n plek die mij altijd zal bijblijven. Waar je van de Hoogstraat de Kloveniersburgwal oprijdt: daar is mijn vrouw ooit gevallen en heeft haar knieschijf gebroken.”

Oek de Jong studeerde kunstgeschiedenis aan de VU en de UvA. In zijn laatste boek is een fictieve kunstenaar, Maris Coppoolse, de hoofdpersoon. Veel van het Amsterdamse kunstleven van nu en uit de jaren tachtig is in het verhaal te herkennen. “Mijn broer Ad, elf maanden jonger dan ik, is beeldend kunstenaar. Die wilde jongens, Peter Klashorst, Bart Domburg, Joost Zwagerman, Peter Giele, heb ik ook gekend, en de Roxy, het coke snuiven, dat was allemaal best wel spannend en spectaculair, maar het was toch ook ontzettend veel bluf. Ik voelde me het meest aangetrokken tot kunstenaars die het vak echt goed beheersten, die gewoon geweldig konden tekenen en schilderen, natuurtalenten als Marlene Dumas en Erik Andriesse. Ik ben ook bevriend met Marc Mulders, Ronald Ophuis, Robert Zandvliet. Zij hebben me geïnspireerd bij het bedenken van de schilder Maris Coppoolse. Er zit ook wel een scheutje Francis Bacon in hem.”

Stilte

Het voorlopig eindpunt van de route is Keizersgracht 147, naast De Koning van Zweden. “In DeKoning van Zweden heeft jarenlang Boudewijn Büch gewoond. Hij had de beletage vertimmerd tot bibliotheek, met zo’n galerij. Er stopte elke week wel een bestelwagentje met een doos boeken van De Slegte. Het huis aan de overkant, Keizersgracht 146, was van Abraham Kuyper. Na zijn dood werd dat de eerste vestiging van de Vrije Universiteit. Daar heeft mijn vader nog college gelopen.

“Ik heb hier iets kunnen kopen door het succes van Opwaaiende zomerjurken en Cirkel in het gras. Ik had geld op de bank; een oom van me zei: dat moet je in stenen steken. Het is een achterhuis, breder dan het voorhuis, het loopt achter 145 om. Ik heb de bovenste helft. Een teruggetrokken plek, dat vond ik ook gewoon passen bij mijn vak. Het is er echt stil. Er woonde een vrouw met haar jonge dochter. Voordat ik tot de koop besloot, zei ik: ‘Ik wil eerst graag een avond in je huis doorbrengen, om te weten of het er ook écht stil is.’ Heb ik een flesje wijn meegenomen, zijn we gezellig gaan borrelen. Het wás er stil.”

Het huis is van 1621, verbouwd aan het begin van de 18de eeuw en later nog eens verhoogd. Het achterhuis is waarschijnlijk nog 17de-eeuws. Was het belangrijk, dat het huis oud was? “Heel belangrijk. In de kap heeft het heel oude Hollandse balken. Een timmerman zei: ‘Die komen van VOC-schepen.’ Als een schip op was, werden de balken hergebruikt. Vanaf het moment dat ik hier op de gracht woonde, ben ik me gaan verdiepen in de geschiedenis van het huis. Ik heb onlangs twee weken schilders in huis gehad, die de ruimte tussen die balken zijn gaan afkrabben. Er kwamen toen oude rekeningen uit, eentje gedateerd 1752. Oude kasboeken, denk ik, die zijn verscheurd en gebruikt om de kieren te dichten.”

Bouwputten

We wandelen door naar de Noordermarkt. “Mijn dorpsplein.” We drinken afhaalkoffie op een bankje. In Zwarte schuur rijdt de hoofdpersoon na een verblijf in New York de Amsterdamse binnenstad weer in: “Oude meuk. Daar woonde hij zelf. Maar over een paar dagen paste die binnenstad hem weer als een oude jas.” Hemzelf past die binnenstad ook goed, zegt De Jong. “Het verveelt me hier nooit. Dat heeft veel te maken met de veranderende lichtval: er worden steeds andere stukken uitgelicht. Je verzinkt steeds dieper in die stad. Ik vind bijvoorbeeld het eerste stuk van de Herengracht heel mooi, omdat de gracht daar smaller lijkt. Dat komt door de bomen, dacht ik. Maar bij de Oude Leliestraat ontdekte ik dat het ook echt zo is: ik ben op de brug de gracht gaan afpassen. Het scheelt zo’n twee meter met de Keizersgracht.” De Herengracht is 90 voet breed, de Keizersgracht 100 voet.

“Dat soort dingen begin ik nu op te merken. Heel levend voor mij is de schilder George Hendrik Breitner. Ik hou heel erg van zijn werk. Veel van zijn foto’s maakte hij hier langs de Prinsengracht, onderweg van zijn huis aan de Lauriergracht naar zijn atelier op het Prinseneiland. Net als hij heb ik een grote belangstelling voor bouwputten. Een flink aantal jaren geleden had je op de Nieuwendijk grote bouwputten, daar staan altijd van die gepensioneerde mannen naar te kijken. Dat heb ik zelf ook. Ik kan rustig een kwartier staan kijken naar wat er in de diepte wordt gevonden. Het mooie van heel lang in Amsterdam wonen, is dat je steeds dieper in het organisme doordringt, dat je steeds meer geschiedenis begint te zien.”

OEK DE JONG (Breda, 1952) is schrijver. Hij verhuisde als kind van Friesland naar Zeeland, waar zijn laatste roman Zwarte schuur zich grotendeels afspeelt. Hij studeerde kunstgeschiedenis in Amsterdam, maar brak die studie af om zich geheel aan het schrijven te wijden. In 1979 brak hij door met Opwaaiende zomerjurken. Hij ontving meerdere literatuurprijzen; Zwarte schuur kreeg in 2020 de Boekenbon Literatuurprijs.

Tekst: Koen Kleijne

Beeld: Hans van den Bogaard 

Juni 2021

Delen:

Dossiers:
Amsterdammers
Editie:
Juni
Jaargang:
Rubriek:
Vaste route

Gerelateerd

De Vaste Route van Oek de Jong
De Vaste Route van Oek de Jong
Vaste route 14 mei 2021