Van Zondagsrust tot Friday Night Fever

Hoe het weekend veranderde

Rond 1920 (de vrije zaterdagmiddag was zojuist een feit) zette men in Nederlands kranten het Engelse woord ‘week-end’ nog tussen aanhalingstekens. Nu is dat een vanzelfsprekendheid en begint het weekend eigenlijk al op vrijdagmiddag. Hoe veranderde het weekeinde in Amsterdam? We vroegen het aan onze lezers en doken in oude dagboeken en andere bronnen.

Het zou overdreven zijn te zeggen dat we werden overstroomd met reacties op onze oproep, maar het waren er veel te veel om ze allemaal te kunnen citeren en meer dan genoeg om een goed beeld op te roepen. Dit mede dankzij vriendelijke andere instanties die onze oproep een wijdere verspreiding gaven. Vooral bedanken we de website Geheugen van Oost. Webmaster Christina Mercken deed niet alleen een beroep op de sitebezoekers, maar selecteerde ook gedienstig een aantal eerder op het net geplaatste verhalen rond dit thema.

Academische geschiedwetenschappers hebben hieraan bar weinig woorden gewijd. Ons 60-jarig jubileum vinden we een mooie aanleiding om dit hiaat in het historisch onderzoek te helpen opvullen.

De lezersherinneringen die wij binnenkregen gaan begrijpelijk genoeg niet veel verder terug dan de jaren twintig. Maar laten we ons verhaal maar een stukje eerder beginnen. Dat de zondag een rustdag moest zijn, stond hier al sinds de Middeleeuwen vast. En ook dat een bezoek aan de kerk daarvan het hoogtepunt moest zijn. De joden intussen hadden hun rustdag op zaterdag: de sabbat, die eigenlijk al op vrijdagavond begon. Voor orthodoxe joden was die rust wel absoluut. Behalve naar de synagoge gaan, mochten ze volgens hun geloofsregels bijna niks, zelfs geen licht opsteken. Dat deed dan vaak een niet-joodse buurjongen, de ‘sjabbesgoj’ (sabbats-christen). Na de kerkgang werd de zondag der christenen vooral besteed aan huiselijk gekneuter en familiebezoek. Theo Thijssen, zoon en kleinzoon van een schoenwinkelier, schetst in zijn jeugdherinneringen de sfeer van een visite aan zijn grootouders omstreeks 1885: “Zondagsmiddags kwamen Henk en ik er wel met vader op be­zoek. Het ging er vrolijk toe. Er stond een schitterend glinsterende, geslepen bitterkaraf op tafel en het hele gezelschap borrelde lustig. De vrouwen hadden een glaasje met veel suiker. Dan kwam er het moment dat opoe plotseling resoluut mededeelde: `We gaan tafel dekken, glasies weg en de visite wordt bedankt.'”

De rest van de week, inclusief zaterdag, werd er nog gewoon gewerkt, en hard ook: door de mannen en ongetrouwde vrouwen op de kantoren, fabrieken en werkplaatsen, door de gehuwde vrouwen (onbezoldigd) thuis – met daarnaast soms een bijbaantje als bijvoorbeeld werkster. Voor die huisvrouwen was de zaterdag extra zwaar, want alles moest aan kant zijn voor de heilige zondag! Daarop hamerde al het middeleeuwse stadsbestuur, dat in 1494 een decreet uitvaardigde dat op zaterdag alle Amsterdammers hun stoep moesten schrobben.

Op zaterdag moesten ook de boodschappen voor twee dagen worden binnengehaald, want op zondag waren van oudsher in principe de winkels gesloten. Daar stond tegenover dat zeker tot 1904 de winkels (behalve op zondag) tot elf uur ’s avonds open mochten zijn. Zaterdagavond was juist de topavond.

Voor een eerste radicale omslag in de vormgeving van het weekend zorgde een historisch Tweede-Kamerbesluit op 11 juli 1919: de invoering van de ‘Achturendag’ plus de vrije zaterdagmiddag, ook wel ‘Engelsche Zaterdag’ geheten. De vrije zaterdagnamiddag bood ruimte voor allerlei nieuwe activiteiten. Critici waarschuwden al bij voorbaat voor ‘sportverdwazing’, de ‘danswoede’ en het ‘bioscoopgevaar’.

 

Laatste schoolbel

Hoe zagen de Amsterdamse weekeinden er na 1919 uit? Tot zo’n tien jaar na de Tweede Wereldoorlog werd in veel opzichten werd de lijn van vroeger eeuwen voortgezet. De zondag bleef de Dag des Heeren, op zaterdag werd die voorbereid en kon men al een beetje vóórgenieten.

Op zaterdagmorgen belden de melkboer en de bakker al vroeg aan. Veel leveranciers bezorgden immers nog huis aan huis. ’s Ochtends vroeg ook gingen de mannen naar hun werk. Cor Sibbel uit de Vrolikstraat in Oost stapte in de jaren vijftig zelfs al om half zeven op de fiets om bij de NDSM in Noord te gaan werken. Nog vroeger in touw waren de ouders van Rob Sassen uit de Kinkerstraat: “Mijn moeder en stiefvader werkten nog op de zaterdagochtenden. 's-Morgens om half zes op zaterdag, voor zij naar het werk gingen, ging steevast van driehoog twee matten naar beneden om op straat uitgeklopt te worden. Na dit ‘festijn’ gingen ze weer op hun fietsen naar hun werk, mijn moeder naar de uurwerkfabriek Nufa en mijn stiefvader naar de transformatorenfabriek Transforma. Ik ging dan nog naar school.”

Zo ook Henk Ras (nu oprichter van buurtmuseum De Noord), acht jaar oud in 1948. “Van negen tot twaalf. Het laatste uur is meestal voorlezen. Bolke de Beer herinner ik me; Afkes Tiental in een wat hogere klas en Paarden voor de prins of Vlooien voor de Koekenpan.” Op de school van Clemens Polfliet (nu 53) hadden ze op zaterdagmorgen ‘pretvakken’ als gymnastiek en handenarbeid. Marianne de Graaf (ten tijde van dit artikel redactiesecretaresse van Ons Amsterdam) hunkerde op haar Prinsenschool op het Singel vooral naar de ‘laatste schoolbel’ om 12 uur: “Mijn vader kwam ons dan ophalen en dan liepen we met een heerlijk vrij gevoel langs de grachten naar huis, in de Haarlemmerstraat.”

Boodschappen doen was een belangrijk onderdeel van het weekend. Vooral niet te laat, want dan was alles op. Bovendien gingen sinds de nieuwe Winkelsluitingswet van 1957 de winkels doordeweeks al om 18.00 uur dicht, op zaterdag zelfs een uur vroeger. Elly Karmelk ging rond 1965 graag met haar moeder naar de moderne zelfbedieningswinkel van De Gruyter op het Hoofddorpplein en was trots dat ze het ijzeren winkelmandje mocht dragen. Je kon natuurlijk ook naar de markt. Karmelk ging met haar moeder naar de Albert Cuyp, J.A. Weegenaar-Pauw (nu 90) met haar vader naar de Ten Katemarkt. “Daar luisterden we geboeid naar de standwerkers, en vader liet zich vaak iets aansmeren wat we eigenlijk niet nodig hadden.”

Voor huisvrouwen was de zaterdag het tegendeel van een rustdag. Het huis moest aan kant (daar lezen we in de brieven overigens verbluffend weinig over; verdrongen?) en alle kleren moesten schoon zijn. En ook de Amsterdammers zelf verdienden een poetsbeurt.

“Op zaterdag en zondag stond mijn moeder de was te doen, zodat we op maandag weer in ons schone goed naar school toe konden,” aldus ‘Lotte’, geboren in 1922 in de Nieuwmarktbuurt en in 2006 geïnterviewd voor een geheugenproject van Ouderencentrum De Gooyer. “Je had maar één of twee onderbroeken: voor meer was geen geld. De was hing in de keuken te drogen.”

In Amsterdam duurde het tot minstens de jaren zeventig voor bijna alle huizen een bad of douche hadden. Dus bleef het lang traditie dat op zaterdag in de keuken een grote teil werd gevuld met warm water, waarin de kinderen één voor één even konden poedelen. Lotte: “Maar je moet niet denken dat iedereen opnieuw schoon water kreeg, We werden allemaal in hetzelfde water gewassen. Heel gewoon vonden we dat.” Volwassenen konden naar het badhuis; soms gingen de kinderen mee, zoals in de jaren vijftig Peter C. Meijer naar het badhuis op het Javaplein, of Kinkerbuurter Rob Sassen naar dat op de Da Costakade. Cor Sibbel had weer een andere oplossing: als zaterdag om 12 uur bij de NDSM het laatste fluitsignaal klonk, fietste hij snel terug naar de Vrolikstraat voor een boterham en dan snel door “naar het Sportfondsenbad-Oost, om te zwemmen, maar vooral om te douchen, want dat kon ik niet thuis.”

Dankzij de Arbeidswet van 1919 werd zaterdag ook de dag van de amateursport. Al in de jaren twintig was het aantal Amsterdamse sportclubs verdubbeld! Naast voetbal, zwemmen, turnen en wielrennen, was vooral in Amsterdam korfbal populair: die sport was dan ook (in 1902) door een hoofdstedelijke onderwijzer uitgevonden. In 1934 telde Amsterdam liefst 56 korfbalclubs. Wie niet zelf sportte, ging vaak kijken naar de wedstrijden van zijn kinderen of vrienden. Voetballen kon natuurlijk ook op straat. “De bomen waren ons doel; Pietje Keizer en andere coryfeeën waren onze voorbeelden.” schrijft Peter Meijer over zijn puberjaren in de Indische Buurt kort na 1960. Toen Meijer jonger was ging hij op zaterdagmiddag naar de Verkenners ((katholieke Scouts), en wel de Groep van de Zalige Mbaga aan de Oosterringdijk.

Zaterdagavond was bij uitstek de uitgaansavond. De bioscoop was populair, maar je kon ook naar de kroeg of uit dansen gaan. Onze inzenders melden er niet veel over; de oude dagboekschrijvers (zie blz. 291) veel meer. De cafés rond op het Leidseplein en Rembrandtplein stroomden vol, net als de theaters in de Amstelstraat. Cor Sibbel: “’s Avonds naar de bioscoop, gevolgd door een bescheiden bezoek aan een café of nachtclub, Lopend naar huis om een uur of twee; moeder lag nog wakker.”

Maar de meeste Amsterdammers bleven na het avondeten braaf thuis, lazen een boek of luisterden samen naar de radio. Henk Ras, toen een tiener, herinnert zich vooral het humoristische VARA-programma Showboat (1950-1957), met als hoogtepunt Wim Sonneveld als orgeldraaier Willem Parel, “die telkens voor de volgende week de ‘SPvdO’ aankondigde: de ‘Sexuele Problemen van de Orgeldraaier’. Dat was een verdraaid krachtige manier van klantenbinding”.

 

Zondag volgens vast patroon

“Op zondag konden we in theorie uitslapen”, schrijft Clemens Polfliet, “maar daar stak de Kerk een stokje voor: we waren katholiek en moesten ter kerke. En als mijn streng katholieke oma bij ons was, dan moesten we altijd naar de Hoogmis, die om 10 uur begon. Dat was pas echt balen.”

Ook al was Amsterdam al vanouds bovengemiddeld onkerkelijk, toch werd tot in de jaren zestig voor honderdduizenden een stevig deel van de zondag gedomineerd door religieuze plichten. Marine-officier Hendrik de Booy (zie blz. 291) maakte er anno 1934 graag een vergelijkend warenonderzoek naar predikanten van. Peter Meijer zong een kwart eeuw later blijmoedig in de Hoogmis van de Gerardus Majellakerk op het Ambonplein, net als zijn vader. Maar sommigen moesten dan ook nog naar zondagsschool of (zoals Martin Heuwekemeijer) naar een de middagse ‘lering’ van pastoor Zoetmulder van de Martelaren van Gorcumkerk. “Niet bepaald een pretje.”

Mevrouw Weegenaar neemt ons weer terug naar de jaren dertig: “De zondag verliep volgens een vast patroon. Mijn vader ging naar de kerk. Ik ging naar de jeugddienst in het AMVJ-gebouw. Als ik thuiskwam, dronken we koffie met wat lekkers en dan gingen we eten. Tomatensoep, aardappels, groenten en vlees, en tot slot een pudding, in de vorm van een vis. Intussen luisterden we maar een boekbespreking door P.H. Ritter Jr. Na het eten rookte mijn vader een sigaar – nooit meer dan één per week. Hij beschouwde dat roken als een nauwelijks te verdedigen luxe.”

Een trendy minderheid zette het uitgaan van zaterdagavond voort op zondagmiddag en avond: wat drinken en een dansje maken. De meeste Amsterdammers kozen echter voor goedkoper vormen van ontspanning. Zo werd er op zondag eindeloos gewandeld, al dan niet op weg naar familie. Soms door de verstilde oude stad; vaak ook ‘naar buiten’. F.M. Buntsma-Bors, toen een jaar of elf, wandelde in de jaren vijftig ‘s zondags rustig van de Amstelkade naar haar opa in de Watergraafsmeer.

Menig gezin ging te voet of per fiets ‘de natuur in’: naar het Vondelpark, het Vliegenbos, de Sloterplas of het ‘Bosplan’. Vooral aan dat Amsterdamse Bos rond 1965 heeft Elly Karmelk, opgegroeid aan de Sloterkade, warme herinneringen: “Bijna iedereen uit de straat gaat naar de Grote Speelweide. Mijn oudere buurjongens drijven op glibberige autobinnenbanden. Ze kiepen elkaar vaak om. Op ons kleed in het gras bewaakt Papa de sinas en de boterhammen. Alle vaders liggen en hebben een transistorradiootje aan hun oor. Bij een doelpunt lachen de mannen naar elkaar en steken hun duim in de lucht.”

Veel andere Amsterdammers gaan zelf naar de doelpunten kijken. Cor Sibbel: “Naar Ajax, of anders Blauw-Wit, DWS of De Volewijckers, allemaal in de hoogste voetbal-afdeling. Daarna thuis eten en een rustige zondagavond: luisteren naar de radio en veel boeken lezen.”

 

Matinee op de Vrije Zaterdag

In de jaren zestig veranderde er heel veel tegelijk. In 1961 werd in het bedrijfsleven en bij de gemeente de vijfdaagse werkweek ingevoerd, een paar jaar later gevolgd door de vijfdaagse schoolweek. Prompt bedacht de VARA een verantwoorde invulling van die extra vrije tijd: onder de fraaie naam Matinee op de Vrije Zaterdag organiseerde zij in de Concertgebouw goedkope klassieke concerten, die (vanaf 23 september 1961) rechtstreeks op de radio werden uitgezonden.

Wie niet naar het Concertgebouw ging kon voortaan op zaterdag uitslapen: “De melkboer hield het ook voor gezien, hij bezorgde niet meer,” herinnert Polfliet zich. Nu haalde je melkpakken uit de supermarkt. En steeds vaker per de auto, want de welvaart nam razendsnel toe. De trots op die nieuwe ‘heilige koe’ leidde tot ontroerende nieuwe rituelen: het demonstratief wassen van de auto op zaterdag en het ‘bermtoerisme’: gezinsgewijs picknicken op een grasveldje langs de snelweg en loeren naar andere automobilisten. Met de auto werden weekenduitstapjes naar het strand of pretparken steeds makkelijker. En kleine verhuizingen (oude zaterdagtraditie) hoefden niet meer per bakfiets.

Ook op zondag kon voortaan massaal worden uitgeslapen, want het overgrote deel van de Amsterdammers ging bijna nooit meer naar de kerk. (Al in 1971 verklaarde 80% niet meer tot een kerkgenootschap gerekend te willen worden.) Ze gingen nog wel en masse naar het voetbalveld, en iedereen keek ’s avonds naar Studio Sport. Sowieso ging de tv het weekend steeds meer bepalen, vooral de zaterdag met o.a. Ja zuster, nee zuster en Eén van de acht. Na 1990 volgden nieuwe verlokkingen als internet en games.

Ook het uitgaan veranderde: minder naar de kroeg, meer supermarkt-pilsjes voor de buis; veel vaker uit eten; disco’s in plaats van klassieke danszaaltjes.

Rustiger werd het zeker niet, verzucht de 90-jarige mevrouw Weegenaar. “Toen ik zelf later kinderen had, bracht mijn man die voortdurend met de auto naar vriendinnen, feestjes en sportvelden. En het leven van mijn kleinkinderen is nog veel drukker. Dan denk ik wel eens met weemoed terug aan die rust van toen: die zondagen met P.H. Ritter Junior en de pudding met abrikozen.”

 

Het weekend in oude dagboeken en brieven

Tekst: Joosje Lakmaker

 

Herinneringen zijn waardevol, maar hebben ook hun beperkingen. Het geheugen kan haperen en wordt sterk beïnvloed door latere ervaringen. In dat opzicht zijn aantekeningen heet van de naald betrouwbaarder. Ons Amsterdam dook dus in een paar oude dagboeken en brievencollecties.

 

Allereerst dat van Hendrik de Booy (1867-1964). Hij was marineofficier tot 1922, daarna onder andere secretaris van de Noord-Zuid-Hollandsche Reddingmaatschappij en administrateur van het Concertgebouw. Hij was getrouwd met Hilda Boissevain, telg uit een vermaard Amsterdams geslacht van reders en bankiers en zelf zeer actief in de Montessori-beweging. Met hun drie kinderen woonden ze in 1920 in de Concertgebouw.

Zaterdag 2 april 1920

Vandaag een wandeling met Olga via (wijlen) de Korenmolen naar Bellavista. Ik pijn aan de voeten met mijn nieuwe schoenen van f 45,-. Prachtig de Nieuwe Meer met de witte zeilen van de schepen en de wolken, regenboog en het silhouet van Amsterdam met zijn torens, het Rijksmuseum en Paleis voor Volksvlijt.

Wij gaan nu op den middag warm eten en bij Vamos theedrinken.

Lees met veel plezier Don Quichote in een Engelsche en een Hollandsche vertaling.

Zondag 17 mei 1931

Naar de Oude Kerk waar ds. De Vrije mooi en eenvoudig preekt. Dit kerkgebouw staat op de nominatie te worden verkocht. Ds. De Vrije trekt echter een tamelijk groot publiek uit deze buurt. Er liggen grafmonumenten van Jacob van Heemskerk, Van der Hulst [zeevaarders].

Het regent vandaag. We zitten rustig thuis.

Zondag 21 juni 1931

Jaarlijkse picnic en verjaarspartij van dochter Engelien op `t Witzand [landgoed-red.] in Blaricum. Het was prachtig weer, warm, maar niet té. De meisjes zwommen in het zwembad. Daarna buiten koffie gedronken en vervolgens tennissen.

Terug te Amsterdam bij het Centraal Station een grote troep van de A.J.C. met grote roode vlaggen, trommels en pijpen die den mariniersmarsch blazen.

Zondag 10 januari 1932

Oostenwind, guur, maar lekker. Naar de Fransche kerk met dominee Arnal waar het warm was en mooi door de koperen kronen. Maar er waren wellicht een kleine honderd menschen dus lang niet genoeg om het gebouw te vullen. Dominee Arnal, hoewel een voortreffelijk mensch, is niet een groot redenaar en ik heb dan ook altijd moeite de gedachten bij de preek te houden. Het lukt me bijna nooit. Toen ik thuiskwam - langs de oude grachtjes van Amsterdam gegaan zijnde - hoorde ik dat Hilda met Engelien gelezen had een psalm 91 en had gezongen.

`s Middags een wandeling van 1¾ uur. Daarna gegeten bij Olga en `s avonds met Olga en Engel muziek gemaakt. 11 uur thuis.

Zondag 24 januari 1932

Goed weer. Gewandeld door oude straten. Oude Looiersstraat, 1, 2e, 3e, Looiersdwarsstraat, Passeerdersstraat, enz. Alle straten die voor kort er nog schilderachtig moeten hebben uitgezien, nu bedorven door het asphalt en door het slopen en vernieuwen van de huizen. Maar er zijn nog wel aardige huisjes bv. Outman in de Oude Looiersstraat. Ik lees Het leven van Tolstoi van mevr. Roland Holst- Van der Schalk. Prachtig prachtig prachtig.

Zaterdag 21 januari 1933

Met Olga en Engelien op de schaats naar Ouderkerk. Eerst een lang slecht stuk, verwonderlijk in dezen tijd van grooten werkloosheid. (…) Tenslotte beter ijs.

Het waait stevig en is koud. Langs kronkelige vaarten en slooten. Prachtig. Soms recht tegen de wind in (..) tot eindelijk circa ¼ voor 4 Ouderkerk bereikt wordt en wij in hotel Paardenburg chocolade met ‘macaronikoeken’ (zo noemde de man het) aten. Per bus terug tot de Berlagebrug voor 25 cents per persoon en per tram verder naar huis.”

 

Naar Hitchcockfilm en de Chinees

Nynke de Groot (1919-2005), dochter van een wiskundeleraar op de Handelsschool in de P.L. Takstraat, woonde vlak na de oorlog nog bij haar ouders in de Harmoniehof in Zuid. Zij studeerde toen fysische geografie aan de Universiteit van Amsterdam, was lid van studentenvereniging Unitas en medeoprichtster van het meisjesdispuut Confetti. Net als eerder De Booy, ‘pendelde’ zij tussen traditie en vernieuwing. (In de oorlog had ze verzetskrant Het Parool helpen verspreiden.) Al sinds april 1942 was zij verloofd met Fred Bosman, student economie; ze trouwden op 18 oktober 1947.

“Zaterdag 8 maart 1947

Vanavond uit geweest met Kees en zijn Engelse vrouw. Gegeten bij King Long op de Nieuwe Zijds Voorburgwal. Nadat we ons tegoed gedaan hadden aan tomatensoep, loempia, sateh, bami- of nasigoreng en koffie met cake zijn we gaan borrelen in de Vijf Vlieghen. De Engelse was verrukt over dit oud-Hollandse huisje.

Toen zijn we naar de 2e voorstelling van Corso in de Kalverstraat gegaan alwaar we Suspicion hebben gezien [een Hitchcockfilm]. Wat een goede film. Na afloop hebben we nog een dansje gemaakt in La Gaîté [bovenzaaltje Tuschinski–red.]. Met een taxi huiswaarts gegaan.

Zaterdag 5 april 1947

Vanwege het vele uitgaan in de komende Paasdagen, vanavond thuisgebleven en gekaart.

Maandag 7 april 1947

Vandaag vieren wij ons 5-jarig verlovingsfeest! Ik zal van Fred een plastic tas krijgen! We gaan hem samen kopen. Ik had voor F. een pakje lekkere (Volksherstel-) sigaretten en ik had een doorzichtige plastic sigarettenkoker willen kopen, maar tot mijn spijt kon ik die niet krijgen.

Vanmiddag zijn we naar de voetbalwedstrijd in het stadion geweest, België-Nederland. We zaten Marathontribune. Het muziekcorps in het stadion was een mijnwerkersmuziekcorps.

Het was erg winderig, de zon scheen, maar verdween achter de wolken. We zaten echter goed en ik was uitgedost in een lange broek en bontjas zodat ik tegen een stootje kon. ‘We’ wonnen met 2-1.

Zaterdag 12 april 1947

Vanmiddag samen de stad in geweest. Het is prachtig weer. De Kalverstraat was ons doel. Daar naar allerlei tassenwinkels gekeken en een beeldige, vierkante, vuurrode plastic tas gekocht ter ere van het 1e lustrum. Daarna zijn we nog even bij Americain op het terras gaan zitten.

Vanavond naar de film Obsessie (Spellbound) in Tuschinski geweest, een zeer goede Hitchcockfilm. Na afloop even een dansje gemaakt in La Gaîté. Het was echter vol en het publiek beviel ons niet. We besloten daarom naar de Lidobar te gaan. Aldaar aangekomen, merkten we dat daar nergens gedanst werd. Beneden was inderdaad een bar waaraan we gezeten hebben.

Zaterdag 17 september 1947

Vanochtend weer gekeken op sportveld Olympiaplein alwaar voetbalwedstrijd oudejaars-novieten. De senaat kwam in Cadillac met chauffeur en standaard [vlag van Unitas aan de auto]. Zij paradeerden in pand [jacquet] met zwarte parapluie. Bij rust 4-0. Veel Confetti aanwezig.

Vanavond naar ABC-cabaret [Wim Kan en Corrie Vonk] in het Leidschepleintheater. Daarna kopje koffie bij Americain.

 

Een echt fuifnummer

Ten slotte het dagboek van Truus van Soest, geboren in 1928. Zij woonde met haar moeder op driehoog in de Hugo de Grootstraat en werkte als knipster op een naaiatelier. Ze had nog maar kort verkering met Wim Schutte toen hij in 1946 als soldaat naar Indonesië werd uitgezonden tijdens de eerste Politionele Actie. Ze schreven elkaar tot zijn terugkeer in 1950.

“7 januari 1949

Liefste Wim,

Hoe gaat het met je? Ik heb gelukkig post ontvangen en je moeder ook.

Wat fijn dat bij jullie niets gebeurd is en blijft dat ook zo? Of zijn jullie nog aan het zuiveren? Wees maar voorzichtig Wim. In onze parochie zijn er gelukkig nog geen gesneuveld.

De uitvoering van de revue van W.I.K. [Willen Is Kunnen, katholieke gezelligheidsvereniging red.] ging goed, had mijn rol goed geleerd (zoals een nieuweling betaamt). Er was bal na waar ook een moderator was van Don Bosco [katholieke organisatie voor jongerenwerk].

Ik zal een artikeltje over Indië bijsluiten en ook de vurig begeerde saffies. Als je zo bezig bent met schieten, zul je wel heel wat verroken.

Ik schei uit, liefs,

Truus

20 februari 1949

Liefste Wim,

Eindelijk zal ik je maar weer eens schrijven. Ik heb deze week geen post gehad, jij wel? De mensen in Holland denken allen goed over de actie, behalve de communisten. Maar volgens Henk zijn dat geen mensen.

Gisteravond met je moeder en Nico naar een bal geweest. Ik word een echt fuifnummer. ’t Is goed dat de vasten gauw begint, anders wist ik het nog niet. Misschien ga ik vrijdag nog naar een avond van de grafische bond. Ik ben echt een beetje dansziek. Ik hoop niet dat je me dat kwalijk neemt. Wordt er bij jullie ooit gedanst? Daar is de toestand veels te ernstig voor, toch?

Zondagmiddag ben ik naar de protestmeeting geweest in de RAI voor kardinaal Mindszenty. [Hongaarse geestelijke, eind 1948 door het communistisch regime veroordeeld.]

Wim, zoals je ziet, denk ik niet alleen aan uitgaan. (…)

`t Allerbeste, liefs,

Truus

9 maart 1949

Liefste Wim,

Van de dansen hoef je tegenwoordig niet meer te kennen dan de grondpassen, weet je wel: slow-slow-quick-quick enz.; voor variaties is er toch nooit ruimte. Ik heb zaterdag mantelstof gekocht van m’n vacantiegeld, ’t is tweedstof, misschien weet je wat dat is.

Ik heb zaterdag ook weer gewandeld, 20 km. Ik ben benieuwd of ik nog lang meega met de wandelclub. Ik denk dat als jij terug bent, het gauw genoeg afgelopen zou zijn. Of jij zou mee moeten gaan. Daar in Indië zal van lopen niet veel komen hè, met die warmte.

Weet je nu al een beetje wanneer je thuiskomt Wim? (...)

XXX Truus

20 maart 1949

Liefste Wim,

Zaterdag ben ik naar de Damesbeurs geweest, op ons toegangsbewijs wonnen we al zo’n doos bonbons. Ik was met m’n moeder, voor de rest hebben we niks gewonnen, maar ’t begin was toch goed. Overal hebben we gesnoept en geproefd, chocola gedronken en gegeten. Er was een modeshow en cabaret. (…)

Zeg Wim, je neemt het toch niet zo zwaar op als Nico of Jan [zijn broers] me naar huis brengen? (…)

Financieel zit ik aan de grond en dat baart me grote zorg. Ik heb geen onkosten te maken voor m’n verjaardag, dat scheelt al veel. Moeder zegt altijd: we moeten die verjaardagen maar afschaffen, want het is allemaal zo duur. (…)

We hebben het heel gezellig gehad. Heb de hele avond over één glaasje gedaan, niks geen trek in, maar des te meer gerookt, op ’t ogenblik zit ik gewoon te snakken en er is in ’t hele huis geen een te vinden.

Vind je ’t erg Wim, dat ik zoveel rook?

’t Allerbeste, veel liefs,

Truus.”

(In het voorjaar van 1950 kwam Wim terug en het jaar daarop trouwden ze.)

Delen:

Jaargang:
2009 61

Gerelateerd

Een letter van banket
Een letter van banket
2 november 2009
Gevelsteen is een blijvertje
Gevelsteen is een blijvertje
2 november 2009
De Bijenkorf als hoofdkwartier
De Bijenkorf als hoofdkwartier
2 november 2009