Van kloosterhof tot biertuin

De prehistorie van de Jordaan

In 1612 werd begonnen met de aanleg van de Jordaan. Tot die tijd was dit landelijk gebied waar in 1392, langs de dijk naar Haarlem, het Karthuizerklooster verrees. Resten daarvan werden vorig jaar april opgegraven en daarbij kwam ook het horecaverleden van de Jordaan boven water.

Tegenwoordig is de Jordaan hartje Amsterdam, maar aan het begin van de 17de eeuw lagen hier nog weilanden en tuinen met her en der werkplaatsen, zoals pottenbakkerijen en lijnbanen. Het werd stedelijk gebied toen hier vanaf 1612 woonhuizen werden gebouwd voor de vele immigranten die toen naar Amsterdam trokken. Maar ook industrieën en bedrijfjes kregen de ruimte. Bij die grote stadsuitbreiding werd het noordwestelijk deel van de stadsmuur (die toen nog ter hoogte van de Spuistraat lag) naar het westen verlegd tot aan de huidige Nassaukade. Eerst geleidelijk en na 1660 in sneller tempo werd dit ‘Nieuwe Werk’ tussen de Prinsengracht en de Lijnbaansgracht, zoals de Jordaan eerst heette, volledig volgebouwd.

De inrichting van deze stadswijk, die van het IJ doorliep tot aan de Leidsegracht, wijkt af van de planologische systematiek die in de rest van de 16de en 17de-eeuwse stadsontwikkeling werd gevolgd. In de Jordaan zijn de grachten en straten namelijk schuin op de halvemaanvormige grachtengordel aangelegd. De bebouwing volgde hier het stelsel van sloten dat in de Middeleeuwen door veenontginners was gegraven. Dit oorspronkelijke agrarische verkavelingssysteem is door de ontwikkeling van de stad verloren gegaan. Desondanks sluimert in het stratenpatroon de herinnering aan het platteland uit voorgaande eeuwen.

Eeuwen voor het ontstaan van deze volksbuurt in de 17de eeuw, moeten hier al mensen hebben gewoond en gewerkt. Recent onderzoek door de archeologen van de dienst Amsterdam Beheer bevestigt dit vermoeden. In de afgelopen twee jaar hebben de zij rond het Karthuizersplantsoen – in de Tichelstraat, Karthuizersdwarsstraat, Lindengracht en de Karthuizersstraat - opgravingen verricht. Daarbij werden onder de muurresten en fundamenten van de 17de- en 18de-eeuwse woonhuizen allerlei verrassende sporen van middeleeuwse bewoning aangetroffen. Op verschillende plaatsen zijn ophogingslagen gevonden met scherven uit laat 12de en 13de eeuw, zowel afkomstig van lokaal gemaakte kogelpotten als van geïmporteerd aardewerk uit Duitsland en België. Ook werd botafval en mest opgegraven. Hoewel geen overblijfselen van woonhuizen zijn gevonden, duiden de vondsten erop dat hier vanaf minstens 1200 in de onmiddellijke nabijheid boeren woonden.

Om zich hier te kunnen vestigen, moesten die boeren de nodige voorzorgsmaatregelen treffen, want het hoogveen was veel te drassig om als woongebied te dienen. De uit vlechtwanden opgetrokken boerderijen met stallen, bestemd voor een gemengd bedrijf, stonden daarom op lage terpen van ter plekke gestoken klei- en veenplaggen. Eerder hebben we rond Amsterdam sporen gevonden van zulke agrarische bewoning in Diemen, Sloten en Waterland. Ook de kiem van Amsterdam is aangelegd op dergelijke terpen: langs de Nieuwendijk en later aan de overzijde van de Amstel langs de Warmoesstraat waren terpen opgeworpen waar zich de eerste ambachtslieden vestigden. Archeologische aanwijzingen voor 13de-eeuwse bewoning in Amsterdam buiten dit oudste centrum zijn schaars. Behalve het Karthuizersplantsoen is de Amstelveenseweg de enige andere lokatie met sporen van boerenterpen uit die periode. Hier waren de boeren gevestigd die de bewoners aan de monding van de Amstel van agrarische producten voorzagen – voor consumptie of voor de handel.

Amsterdam groeide uit tot stad – richting Kalverstraat en de Nes - en kreeg kort na 1300 zijn eerste verdedigingswal. Vanaf dat moment lagen de ‘Jordaanse’ terpboerderijen buiten de nederzetting en was er onderscheid tussen stad en ommeland. Deze fysieke scheiding zou pas drie eeuwen later met de stadsuitbreiding van 1612 ongedaan worden gemaakt.

Cloister van der certroijsen oerde

Gedurende de buitenstedelijke periode was de Jordaan meer dan alleen een agrarisch achterland. Aan het einde van de 14de eeuw werd het een belangrijke plek voor het geestelijk leven van Amsterdam. Hier verrees het Karthuizerklooster Sint Andries ter Zaliger Haven. Op initiatief van landsheer Albrecht van Beieren werd in 1392 besloten “enen cloister van der certroijsen oerde te fonderen, te stichten ende te maecken in onse lande van Amsterlandt”. Aangenomen wordt dat de monniken hun complex betrokken tussen 1394 en 1398.

De Karthuizers behoorden tot een strenge orde en leidden een sober leven van werk en contemplatie met een strikt vegetarische voeding. Zij dienden zich terug te trekken in een rustige en landelijke omgeving. Hun kloosters werden op het platteland en volgens specifieke voorschriften gebouwd. Voor de stichting was een flink terrein vereist van 30 tot 32 hectare waarbinnen het eigenlijke klooster lag dat met een muur van de buitenwereld was afgeschermd. De kloostergebouwen waren verdeeld over twee hoven (claustrums). Er was een klein voorhof met een poortgebouw en enkele gebouwen voor bijeenkomsten, staf en gasten. Daarachter lag het grote binnenhof met een omgang waaraan de individuele ‘cellen’ van de monniken lagen en ook de kerk en de bibliotheek stonden. Een volledige Karthuizergemeenschap bestond uit 21 personen, waaronder een prior, een subprior, een procurator, twaalf monniken en zes lekenbroeders. Kenmerkend voor de Karthuizercomplexen zijn de aparte woningen voor elk kloosterlid met een werkplaats beneden, een woongedeelte boven en een tuin, gegroepeerd rond het binnenhof.

Van welstand tot verval

Contemporaine afbeeldingen van het Amsterdamse klooster zijn niet voorhanden. Alleen de kaart die Jacob van Deventer in 1560 van Amsterdam maakte, biedt een enigszins waarheidsgetrouwe schets van het met sloten omringde vierkante kloosterhof. Hierop zijn vaag zichtbaar het binnenhof met de cellen en de kerk met de aangrenzende Mariakapel waarin de bibliotheek was gevestigd. Rond het hof strekten de kloosterlanderijen zich uit in een langgerekte strook van circa 30 hectare. Die liep tot aan de Kostverlorenkade in het westen en de Karthuizerswetering (nu Brouwersgracht ) in het oosten. Door dit domein liepen sloten (voorlopers van de Lindengracht en de Anjeliersgracht, nu Westerstraat) naar de Karthuizerswetering, waarlangs men de stad bereikte bij de Haarlemmerpoort.

In de 15de en 16de eeuw had Sint Andries de naam welvarend te zijn vanwege giften van particulieren en privileges van wereldlijke bestuurders. Het klooster was vooral rijk aan landerijen, maar de materiële welstand straalde ook af van de gebouwen. Het complex was fraai ingericht, zoals valt af te leiden van het schilderij van Jacob Cornelisz van Oostsanen, dat hij in 1512 aan het klooster schonk en dat nu te bezichtigen is in het museum Capodimonte in Napels. Aan technisch onderhoud schijnt minder geld besteed te zijn en naar het zich laat aanzien verkeerden vooral de cellen aan het begin van de 16de eeuw in slechte staat.

Het verval van het afgelegen klooster werd bespoedigd door de Beeldenstorm en de militaire acties tijdens de opstand tegen de Spanjaarden tussen 1566 en 1577. Het klooster werd verscheidene malen bezet door rebellerende legereenheden, die flinke verwoestingen aanrichtten. In 1578, het jaar van de Alteratie, kwam met de omverwerping van het katholieke bestuur in Amsterdam een einde aan het bestaan van het klooster. Het Burgerweeshuis kreeg in 1579 het beheer over het kloostercomplex, dat toen grotendeels was vervallen. Schijnbaar stonden er nog slechts enkele cellen overeind. De zes overgebleven kloosterlingen kregen toestemming om tot hun dood in hun hof te blijven wonen; het Burgerweeshuis voorzag ook in hun levensbehoeften. Nog 35 jaar verbleven er Karthuizers in de Jordaan, tot de laatste monnik in 1614 overleed.

Het platteland als recreatiegebied

Inmiddels was er veel veranderd op het kloosterterrein. Het Burgerweeshuis had delen ervan aan particulieren afgestaan om inkomsten te generen. En hoewel het gebied gedeeltelijk zijn agrarische karakter behield - er werd vee gehouden en er waren boomgaarden - kreeg het met de komst van verschillende bedrijven ook een industriële bestemming. Een belangrijke huurder was Gerijt Rijckelsma die hier werkplaatsen had voor het gieten van bronzen geschut en de fabricage van verplaatsbare korenmolens. Ook verhuurde hij gebouwen door aan bijvoorbeeld tegel- en pottenbakkers. Sommige van de huidige straatnamen, als Gieterstraat en Tichelstraat (tichel = tegel) herinneren nog aan deze activiteiten.

Vanaf eind 16de eeuw kwamen er ook verscheidene herbergen. In die tijd was het platteland bij Amsterdammers een geliefde plek om hun vrije tijd door te brengen. Juist het voormalige Karthuizerhof met zijn boomrijke landerijen leende zich uitstekend voor de vestiging van uitspanningen. Een deel van het kloosterterrein, het voormalige voorhof, werd in 1602 ingericht als kerkhof om de vele slachtoffers van de toenmalige pestepidemie te ruste te leggen. Deze begraafplaats zou tot 1860 in gebruik blijven en daarna tot op de dag van vandaag als speeltuin dienen.

Blijkbaar was het kloosterhof aan het begin van de 17de eeuw nog zo’n markante plek dat het in zijn geheel in de nieuwe inrichting van de Jordaan is opgenomen. Op de stadskaart van Balthazar Florisz uit 1625 - en ook op zijn vogelvluchtaanzicht uit 1631 - is het gebied nog intact. Het is dan ingericht als een ommuurd stadspark en kerkhof (nog zonder dwarsstraten). Met de bebouwing van de Jordaan vanaf de tweede helft van de 17de eeuw zijn de sporen van Sint Andries gaandeweg uitgewist, zodat de precieze lokatie van de gebouwen onzeker is. De reconstructie van gemeentearchivaris Oldewelt uit 1953 lijkt het meest aannemelijk en deze wordt onderbouwd door de opgravingen.

Het binnenhof met de kloosteromgang bestreek een rechthoek van 86 bij 90 meter waarvan de westzijde zich achter de rooilijn van de panden aan de Tichelstraat bevond. Hier staat nu de 19de-eeuwse Capucijnenkerk. De Tichelstraat is kort voor 1650 aangelegd en werd dwars door het kloosterhof getrokken. De Karthuizersstraat valt samen met de oorspronkelijke zuidkant van de omgang. De cellen stonden op de rooilijn van het Huiszitten Weduwenhof dat eveneens in 1650 werd gebouwd. De achterkant van de panden aan de Lindengracht vormt de noordrand en waar nu de Tweede Lindendwarsstraat ligt, las destijds de oostkant van het voorhof met het kerkhof. (Zie ook de plattegrond op pagina xx). De kloosterkerk met aangrenzende bibliotheek lag volgens het bouwschrift van de Karthuizerorde aan de oostkant van de kloosteromgang. Deze plaats wordt nu ingenomen door het gebouw waar voorheen de sociale academie was gehuisvest, aan de kop van de speeltuin op het Karthuizersplantsoen. De opgravingen bevestigen dit idee, aangezien de 14de-eeuwse ophogingen vanuit alle richting hier lijken samen te komen. En voor het belangrijkste gebouw van het complex is het hoogste punt het meest geëigende.

De Grote en de Kleine Karthuizer

De enige tastbare overblijfselen van het kloosterhof zijn momenteel de twee opgegraven bakstenen muren tussen de sociale academie en de Karthuizersstraat. Ze behoren waarschijnlijk tot de kloosteromgang tussen de bibliotheek en de cellen aan de Karthuizersstraat. Afgaande op de funderingstechniek en het baksteenformaat lijken deze muren uit de stichtingsperiode aan het einde van de 14de eeuw te stammen. Uit jaarringenonderzoek van twee eikenhoutmonsters bleek dat de roosters van twee steunberen uit begin 16de eeuw stammen. Dit kan een aanwijzing voor herstelwerkzaamheden van de omgang zijn in een tijd waarin volgens de historische documenten het verval van het klooster en de cellen reeds was ingetreden.

Deze hoek van het voormalige kloosterhof aan de Karthuizersstraat werd rond 1600 opnieuw bebouwd met twee huizen (later Karthuizersstraat 2 en 4, thans gesloopt). Op de kaarten van Balthazar Florisz valt op hoe smal het linker huis was. Die omvang is nu archeologisch te verklaren aangezien het pand gefundeerd was op de dicht bijelkaar staande muren van de kloosteromgang. In beide panden was een herberg gevestigd die onafgebroken in gebruik was van ongeveer 1600 tot omstreeks 1750. Dit blijkt uit de vondst van een grote beerput achter het smalle huisje die met meer aardewerk, glaswerk en vooral rookpijpen was gevuld dan gebruikelijk voor een normaal huishouden. Historische bronnen spreken van verschillende drinkhuizen: de Kleine en de Grote Karthuizer worden genoemd en er was een huis in de Karthuizersstraat tegenover het kerkhof met op het uithangbord ‘Bahi de todo los sanctos’ (Allerheiligenbaai). Wellicht was dit de kroeg van voormalig varensgezel Jan Jacobsz, die in 1599 al op het Karthuizerhof woonde en in 1612 het middenhof en het noorderhof afhuurde om bier te schenken. Allerheiligenbaai past in ieder geval goed bij een drinkhuis in een voormalig klooster dat door een zeeman werd bestierd. Een ander document maakt melding van ene Gerrit Janse, die in 1633 een overgebleven cel bij zijn herberg trok. Vermoedelijk gaat het om het middelste gebouw met de twee schoorstenen dat zowel Visscher als Balthazar Florisz afbeeldden aan de westkant van het hof. Waarschijnlijk is dat de Grote Karthuizer – en zat in het kleinere gebouw de Kleine Karthuizer.

Goede wijn krijgt een krans

Welke herberg waar gevestigd was, valt niet geheel met zekerheid te zeggen, maar de archeologische gegevens vertellen ons wel meer over de klanten van de herberg en hun eetgewoonten. Naast de grote hoeveelheden gewoon gebruiksaardewerk, flessen en glazen, was ook exclusief en duur serviesgoed aanwezig, zoals faience uit Italië en kraakporselein uit China. Anders dan men wellicht zou vermoeden bij een etablissement dat in een kloosterbouwval werd begonnen, trok de herberg direct vanaf de opening rond 1600 klanten uit de betere en rijkere kringen. Ook het sterk gevarieerde menu - dat aan de hand van de botanische resten in de beerput kan worden achterhaald - wijst erop dat hier beslist geen uitspanning stond voor alleen de minder welgestelde Amsterdammers.

Volgens de eerste onderzoekingen werd er naast meelproducten van rogge en boekweit (brood) vooral rijst gegeten. Waarschijnlijk werd die in soep verwerkt met groente en vlees of er werd romige rijstpap of rijstkoekjes van gemaakt. Natuurlijk werden er appels en peren genuttigd die in de voormalige boomgaard van het klooster groeiden, maar ook aalbessen, kruisbessen, bosbessen, vlierbessen, bramen, kersen, moerbeien, aardbeien en pruimen. Verder werden geïmporteerde zuidvruchten, waaronder vijgen en druiven, geserveerd. Bijzonder was de aanwezigheid van citrusvruchten zoals sinaasappel, limoen of citroen, waarvan in Noordwest-Europese beerputten nog geen pitten zijn gevonden. Deze uit Spanje en Portugal ingevoerde ‘araenijappels’ (oranjeappels) of uit Messina afkomstige ‘appelsien’ werden niet vers gegeten maar geconfijt in allerlei gerechten verwerkt. Als borrelnootjes dienden hazelnoten, walnoten en tamme kastanjes. Bladgroente is archeologisch moeilijker op te sporen, aangezien zaden vaak ontbreken. Wel blijkt er in veel gerechten venkel gebruikt te zijn en werden ingelegde komkommers of augurken gegeten. Paprika of Spaanse peper en dille behoorde tot de exclusieve kruiden naast meer gangbare, zoals koriander, zwarte peper, kruidnagel en anijs. Ook zeldzaam was de vondst in een Nederlandse beerput van granaatappels, die niet als gerecht maar – vanwege de traditionele verwijzing naar vruchtbaarheid – vooral als symbool dienden, bijvoorbeeld bij huwelijken. De aanwezigheid van buxusbladen houdt wellicht verband met het gebruik dat kransen van palmblad in herbergen hingen als teken dat er goede wijn te koop was.

Lusthof en biertuin

De lokalisering van de herberg verduidelijkt het bijzondere karakter van het voormalige kloosterhof in de Jordaan. Het ommuurde terrein was een waar lusthof dat in trek was bij Amsterdammers uit alle kringen. Er waren meerdere hoven en perken, ingericht met banken en tafels, zodat gasten buiten konden vertoeven tussen de appel- en perenbomen. Het grote middelste hof dat met een slingerend pad als wandelpark oogt, behoorde wellicht bij de Grote Karthuizer, die aan de westzijde was gevestigd. Voor het gebouw staan twee tafels waarmee een klein terras lijkt te zijn ingericht. Het langgerekte smallere buitenhof langs de Karthuizersstraat, dat met een houten schutting van de rest was afgescheiden, is zonder twijfel de biertuin van de herberg op de hoek, mogelijk de Kleine Karthuizer. Deze buitenplaats was weliswaar kleiner, maar de lange rijen tafels en banken duiden erop dat dit terras was ingericht om veel klanten te trekken. De latrine voor de gasten bevond zich, zoals we nu weten, in het smalle gebouw op de hoek. Een prent in Dappers geschiedenis van Amsterdam toont dat de tuin van de herberg, recht tegenover het Huiszitten Weduwenhof, rond 1663 nog in gebruik was. De bomen steken boven de schutting uit en op de voorgrond tegen de schutting staat nog, half in elkaar gezakt, één van de terrastafels. Met de aanleg van de Karthuizersdwarsstraat rond 1750 werd deze groenstrook, en daarmee waarschijnlijk ook de biertuin, definitief opgeheven. Tot dan toe was hier midden in de Jordaan nog open land met appel- en perenbomen als herinnering aan het klooster dat de Karthuizers eeuwen eerder op het platteland buiten de stad hadden gebouwd.

Delen: