Van Eeghenstraat 107. Mahler in 'Hotel Mengelberg'. Oktober 1903

Groot nieuws in 1903: Gustav Mahler komt naar Amsterdam om zelf zijn Derde Symfonie te dirigeren in het Concertgebouw. Hij logeert thuis bij dirigent Willem Mengelberg en zijn vrouw Tilly. ‘Lieve en onbaatzuchtige mensen’, noemt hij ze. Alleen die ‘middelmatige kunst’ aan de muur…

In 1902 woont Willem Mengelberg in Krefeld de première bij van de Derde Symfonie van Gustav Mahler, de ‘dirigent-directeur’ van de prestigieuze Hofopera in Wenen. Mengelberg is dan net 31 jaar oud en sinds zeven jaar chef-dirigent van het Concertgebouworkest. Hij heeft grote plannen en is geïnteresseerd in alles wat hem als dirigent naar grotere hoogten kan opstuwen – en met hem zijn orkest.

“Zonder hem nog persoonlijk te kennen, woonde ik het concert bij”, schrijft hij later, “en kwam direct onder de indruk van de fascinerende macht die van hem uitging. In zijn vertolking, in zijn technische behandeling van het orkest, in zijn manier van fraseren en opbouwen, vond ik al datgene wat mij – jong dirigent – als ideaal voor ogen zweefde. En toen ik dan ook, na afloop van het concert, persoonlijk met hem kennismaakte, was ik diep door zijn muziek ontroerd: ik beloofde hem het werk zo spoedig mogelijk ook in Amsterdam te zullen doen uitvoeren.”

Mengelberg organiseert direct twee uitvoeringen met zijn orkest in het volgende concertseizoen in Amsterdam, op 22 en 23 oktober 1903. Mahler zelf zal zijn Derde Symfoniekomen dirigeren. Mengelberg biedt de Weense grootmeester aan om dan bij hem thuis te komen logeren, in zijn ruime, nieuwe huis in de Van Eeghenstraat, vlak bij het Concertgebouw. Mahler wil wel: “Met genoegen neem ik de mij aangeboden gastvrijheid aan, daar ik mij in een hotel vanwege de daar ontbrekende nachtrust gewoonlijk heel slecht voel.”

In Amsterdam is hij buitengewoon gelukkig met de repetities en de uitvoeringen, schrijft hij aan zijn vrouw Alma. “De generale gisteren was prachtig. Tweehonderd schooljongens onder leiding van hun onderwijzers (zes stuks) brulden het ‘bim-bam’ en er was een schitterend vrouwenkoor met honderdvijftig stemmen! Orkest prachtig! Veel beter dan in Krefeld. De violen net zo mooi als in Wenen. De muziekcultuur in dit land is verbijsterend! Zoals deze mensen kunnen luisteren!”

 

Gezemel

Hij schrijft ook over de “roerende gastvrijheid” van Willem en Tilly Mengelberg. “Ik logeer bij Mengelberg. Hij leek dat zo graag te willen, dat ik geen nee kon zeggen en mijn andere (veel betere) logies liet schieten. Om half elf zat ik al aan een stukje Edammer. Van de stad heb ik nog niets gezien, maar ik woon in een deftige omgeving, heel dicht bij Het Concertgebouw waar ik de verdere ochtend gerepeteerd heb.”

Het verblijf is geen onverdeeld plezier. Mengelberg is opgevoed in een wat merkwaardige atmosfeer: zijn vader Friedrich had een groot atelier voor kerkelijke kunst, waarmee hij talloze neogotische kerken in Nederland opsierde en Mengelberg heeft zijn huis in dezelfde merkwaardige stijl ingericht. Mahler is in het moderne Wenen iets heel anders gewend. In zijn werkkamer thuis hangt een grote Japanse houtsnede, verder niets. De drukke wanden van de logeerkamer met “middelmatige en conventionele kunstwerken” maken hem zenuwachtig. “Het gezemel van de vader hangt bij de zoon aan de muur!”

Mengelberg introduceert Mahler tussen de repetities door bij Amsterdamse cultuurliefhebbers. De classicus en componist Alphons Diepenbrock, bijvoorbeeld. Op hem maakt de Oostenrijker een grote indruk. “Mahler is heel eenvoudig, poseert niet als beroemdheid, geeft zich zoals hij is. [...] Kinderlijk naïef, af en toe kinderachtig, kijkt hij je vanachter zijn grote kristallen brillenglazen met sprookjesogen aan. Hij is modern in alle opzichten. Hij gelooft in de toekomst.” Mahler, op zijn beurt, aan Alma: “Een zeer interessante Hollandse musicus, genaamd Diepenbrok, die zeer eigenaardige kerkmuziek schrijft, heb ik leren kennen.” Ze raken bevriend.

 

Laatkomer

Terug in Wenen stuurt Mahler in november 1903 een bedankbriefje aan Mengelberg, waarin hij zegt hoe goed die dagen in Amsterdam hem hebben gedaan. Hij heeft het gevoel “dat voor mij in Amsterdam een tweede heimat is ontstaan, dankzij uw vriendschappelijke zorgen”. In oktober 1904 keert hij terug voor uitvoeringen van de Vierdeen de Tweede Symfonie. Hij vraagt tevoren aan Mengelberg of hij “zo vriendelijk [wil] zijn om voor mij in het Amerikaanse Hotel een rustige kamer te laten reserveren?” Die wil daar kennelijk niet van horen: Mahler komt toch zeker weer bij hem logeren?

De componist probeert de boot af te houden. “Moet ik werkelijk uw lieve vrouw weer al die ongelegenheden en moeite bezorgen? Ik denk, ik ga rustig in een hotel (als u voor mij voor een rustige kamer kunt zorgen), u mag zelf bepalen welk, en dan ben ik daarna met u zoveel mogelijk samen. Zou dat niet het beste zijn?” Vergeefse moeite, schrijft hij later aan Alma: “Het echtpaar Mengelberg stond me al op het station op te wachten en rustte niet voordat ik met ze meeging, dus zit ik weer hier, net als vorig jaar. Het zijn zulke lieve en onbaatzuchtige mensen.”

Mahler blijkt nogal temperamentvol. Hij kan driftig uitvallen. Tijdens de repetities voor de Tweede Symfoniezit scholier Balthazar Verhagen op het balkon. Een trompettist komt te laat binnen en wil stilletjes achter de ruggen van de koorleden om zijn plaats innemen. Verhagen: “Mahler tikte af, iedereen was doodstil, en zei: ‘Ach so,mein Herr, komt u ook eindelijk maar eens kijken, ja? Alstublieft, ik ben hier al de hele tijd!’ Die stem! Wij allemaal – orkest, koor, en de paar toehoorders – wij beefden voor die ongelukkige laatkomer. Wie Mahler eens heeft horen spreken vergeet zijn stem nooit meer!”

 

Traditie

Ook bij zijn derde bezoek, in maart 1906, logeert Mahler weer in de Van Eeghenstraat. Voor het eerst gaat een concert in Amsterdam slecht. Het lange programma – Vijfde Symfonie, Kindertotenliederen Das Klagende Lied– vraagt te veel van het publiek. Toeschouwers verlaten nog tijdens het optreden de zaal. Het duurt daarna drieënhalf jaar voordat Mahler weer eens in het Concertgebouw op de bok staat, op 27 september 1909, nu voor zijn Zevende Symfonie.

Het orkest heeft grondig gerepeteerd, de componist is opnieuw zeer tevreden. “Alles schitterend voorbereid. Klinkt geweldig. Diepenbrock was bij de eerste repetitie aanwezig. Dat is zo’n prachtige kerel.” Mahler schrijft in Mengelbergs gastenboek:“Ich lob’ mir Hotel Mengelberg/ Das sicher ist der Engel Werk,/ Damit ein armer Musikant/ Findt’ manches Mal der Heimath Land.” (Ik zing de lof van Hotel Mengelberg/ Dat zeker door een engel is gebouwd,/ Zodat een arme muzikant/ Er vaak een thuisland vinden kan.)

Het is Mahlers laatste optreden in Amsterdam. Hij sterft op 18 mei 1911. Willem Mengelberg blijft zich zijn verdere leven met veel energie voor diens werk inzetten en legt zo de basis voor de Mahler-traditie van het Concertgebouworkest. In de woorden van Bernard Haitink: “Zonder Mengelberg was Mahler nooit zo groot geworden.”

 

 

MAHLERFEESTEN

Corona verhindert het Mahler Festival deze maand. Het zou het derde zijn geweest sinds Mahlers verblijf in Amsterdam. In 1920 organiseerde het Concertgebouworkest ter gelegenheid van Willem Mengelbergs 25ste jaar als dirigent voor het eerst een groots Mahler Feest, dat internationaal de aandacht trok. Vijfenzeventig jaar later was er een reprise. Mahlers hele oeuvre werd uitgevoerd in samenwerking met de Wiener en de Berliner Philharmoniker. Ricardo Chailly (dan hoofddirigent), Bernard Haitink (voormalig hoofddirigent), Claudio Abbado en Ricardo Muti stonden op de bok.

 

Beeld: 
Gustav Mahler (hij zit) in gezelschap van v.r.n.l. Alphons Diepenbrock (componist), Willem Mengelberg, Hendrik Freijer (beheerder Concertgebouw) en Cornelis Dopper (componist). Foto: W.A. van Leer, 1909. Collectie Haags Gemeentearchief

 

Koen Kleijn

Meinummer 2020

Delen:

Buurten:
Zuid
Dossiers:
Kunst en Cultuur
Editie:
Mei
Jaargang:
2020 72
Rubriek:
Hier gebeurde het
Tijdperk:
1900-1950