Valse messias bracht joods Amsterdam in extase

‘Alsof er een siddering door de stad ging’

De joodse gemeenschap in Amsterdam was er eventjes van overtuigd: Sjabtai Tsvi was de man die het joodse volk naar het beloofde land zou leiden. De stad was in 1666 vol van de belofte van de messias en velen maakten zich klaar om naar Palestina te vertrekken. Totdat het bericht kwam dat de messias zich in Turkse gevangenschap – onder dwang - toch maar tot de islam had bekeerd.

Het is moeilijk je een voorstelling te maken van de zonderlinge opwinding die het Amsterdam van 1666 moet hebben bevangen. De meest sprekende getuigenissen komen van Jacob Sasportas. Deze rabbijn werd in 1610 in Oran (in het huidige Algerije) geboren, maar moest in 1647 Noord-Afrika ontvluchten en belandde in Amsterdam, waar hij tot 1664 woonde. Vervolgens was hij korte tijd voorganger in Londen en sinds de herfst van 1665 in Hamburg. Hoewel Sasportas dus zelf geen ooggetuige was van het tumult in Amsterdam, bleef hij zeer betrokken bij de Amsterdamse gemeenschap en zijn beeldende brieven en verslagen en zijn felle oproepen om het hoofd koel te houden, maken die dolle maanden voor ons navoelbaar.
“En er was grote opschudding in Amsterdam, alsof er een hevige siddering door de stad ging. De vreugde was uitzinnig, met tamboerijnen en gedans, in alle straten. De wetsrollen werden uit de Ark, met zijn prachtige versieringen, gehaald, zonder dat men zich bekommerde om het gevaar dat zulks de jaloezie en haat van de niet-joden zou kunnen opwekken. Integendeel, ze predikten openlijk en brachten de niet-joden op de hoogte van alle berichten.”
De door Sasportas beschreven processie moet hebben plaatsgevonden voor de toenmalige Portugees-joodse synagoge aan de Houtgracht, het latere Waterlooplein. Deze eerste echte synagoge van Amsterdam heeft maar kort, tot 1675, als zodanig dienst gedaan, maar het gebouw De Herschepping heeft er nog tot 1931 gestaan. Nu staat er een rood bakstenen flatgebouw uit 1966; in de leegstaande winkel op de begane grond zat tot voor enige jaren een Dirk van den Broek. Op deze plek bezocht de wijsgeer Baruch Spinoza de synagoge en werd er in 1656 als ongelovige verstoten. Tien jaar later moet de deur van het gebouw zijn open gezwaaid, terwijl de jubelende meute de zilveren siertorens van de thorarollen in triomf liet rinkelen. De uitzinnige mystiek van de Amsterdamse Sjabtai-aanhangers (de sabbatianen) en hun kortstondige glorie, tegenover de kalme rede van Spinoza met zijn postume maar blijvende invloed. Een groter contrast is niet denkbaar.

Naar de verlossing
Wie was Sjabtai Tsvi*? Hij werd in 1626 geboren in het Klein-Aziatische Smyrna (tegenwoordig Izmir geheten) als zoon van een rijke sefardische familie. Al in zijn jeugd kampte hij met hevige stemmingswisselingen, die we nu als de symptomen van een manische depressie zouden aanmerken. Perioden van diepe wanhoop en afzondering werden gevolgd door extatische opgetogenheid. Tijdens zijn ‘manische’ buien at hij demonstratief onrein voedsel, sprak hij de heilige Godsnaam uit, en verklaarde dat hij door een openbaring tot deze daden was aangezet. Het is moeilijk om te beoordelen waarin de aantrekkingskracht van Sjabtai Tsvi lag. Veel stadsgenoten beschouwden hem als een gek, maar hij werd ook gewaardeerd om zijn muzikaliteit en zijn uitzonderlijk mooie stem. In 1656, hetzelfde jaar dat Spinoza werd geëxcommuniceerd, werd het de rabbijnen van Smyrna te gortig en ze zetten hem de stad uit.
Vanaf die tijd zwierf Sjabtai Tsvi langs de joodse gemeenschappen van het Ottomaanse rijk: Istanboel, Caïro, Jeruzalem. In Gaza ontmoette hij Nathan. Deze Nathan, een geleerde rabbijn en begenadigd exorcist, ontpopte zich tot Sjabtai’s profeet, maar ook tot diens therapeut en personal coach. Hij vertelde Sjabtai dat hij niet bezeten was, maar dat zijn uitzichtloze wanhoop juist het bewijs was van zijn messiaanse taak. Volgens Nathan had Sjabtai Tsvi de opdracht gekregen om eerst in de hel af te dalen voordat hij het volk van Israël naar de verlossing kon leiden. Op een dag in het voorjaar van 1665 verkondigde Sjabtai, aangemoedigd door Nathan, dat hij de messias was. Nathan verstuurde brieven naar de joodse gemeenschappen in de Ottomaanse steden, Italië, Duitsland, Polen en de Nederlanden om het goede nieuws te verspreiden. De opwinding verspreidde zich als een uitslaande brand over de hele joodse wereld, en zou uitgroeien tot de grootste messiaanse beweging sinds de opkomst van het christendom.
Nergens was de weerklank zo sterk als in de drie steden waar joden op dat moment de grootste vrijheid genoten: het Ottomaanse Thessaloniki, het Italiaanse Livorno en Amsterdam. In Amsterdam woonde in 1666 3000 à 4000 joden, 2 à 3% van de bevolking. Een aanzienlijk deel van hen heeft geloofd in de belofte van Sjabtai Tsvi, of tenminste gehoopt dat hij de waarheid verkondigde.
Onder de niet-joden van Amsterdam werden de gebeurtenissen met belangstelling gevolgd, een enkele christen aanvaardde zelfs de blijde boodschap. Maar het merendeel zal zich er toch vooral over hebben verbaasd. Edward van Voolen, conservator van het Joods Historisch Museum en rabbijn zonder gemeente, verwondert zich ook nu nog over de geschiedenis, die hem al sinds zijn studietijd fascineert. Bij het samenstellen van de nieuwe vaste tentoonstelling in 2004 heeft hij de kans niet laten liggen om een speciale vitrine te wijden aan deze curieuze bladzijde uit de Amsterdams-joodse geschiedenis.

Messiaanse miskleun
Volgens de Britse theologe Karen Armstrong schamen veel joden zich tot op de dag van vandaag over deze messiaanse miskleun. Van Voolen bevestigt haar woorden met een sardonische lach. “Niemand in de Portugees-joodse gemeente loopt er mee te koop. Het wordt toch gezien als een zwarte bladzijde. Dat is ook de reden waarom we in de vitrine de Amsterdamse brief aan Sjabtai Tsvi in een lade hebben ‘verstopt’. Om die schaamte te verbeelden.”
De brief in het museum is zo bijzonder omdat hij, ondanks die schaamte, bewaard is gebleven. De Hebreeuwse brief is een onvoorwaardelijke lofzang op ‘Het Licht van Israël’, ‘de schoonheid van Jacob’s trots’, ‘Onze Heer en Onze Koning’. De veertien ondertekenaars vragen of Sjabtai Tsvi hen wil bijstaan want “we weten niet wat we moeten doen en we wachten op het antwoord en de geboden van Onze Heer”. Het is niet de enige Amsterdamse brief aan de messias geweest. Een eerdere brief was onder meer ondertekend door de Portugees-joodse opperrabbijn Isaac Aboab, maar deze is nooit teruggevonden. De bewaard gebleven brief bevat een lijst met namen die duidelijk maakt dat de bloem der Portugees-joodse natie werkelijk dacht dat Sjabtai Tsvi de gezalfde was. Ondertekenaars als Benjamin Mussafia, Aaron Sarphati, Moses Raphael d’Aguilar en Solomon de Oliveira waren geleerde mensen, van wie sommigen bekend stonden als uitgesproken rationalisten.
Ook op de asjkenazim uit Duitsland en Oost-Europa maakten de berichten over de messias diepe indruk. Jacob Tausk bijvoorbeeld, een uit Praag afkomstige Amsterdamse schoolmeester, bejubelde Sjabtai Tsvi, en stelde rijke geloofsgenoten zelfs verdoemenis in het vooruitzicht als zij de armen niet zouden helpen om ook naar Palestina te kunnen reizen.
De Amsterdamse joden die niet geloofden in de boodschap van Sjabtai Tsvi en Nathan van Gaza waren sterk in de minderheid en openlijke tegenstand was niet zonder gevaar. Sasportas meldt dat de koopman Abraham de Souza “onbeschrijflijke mishandeling en kwellingen” te heeft verduren gehad vanwege zijn beleden ongeloof. Curieus is het verhaal van de sefardische koopman Alatino die publiekelijk verkondigde: “Jullie zijn gek! Waar zijn de tekenen? Waar zijn de tijdingen die de profeet Elia ons zelf moet brengen?” Op een dag kwam Alatina van de koopmansbeurs op het Rokin thuis voor zijn maaltijd, “en tussen het wassen van de handen en het breken van het brood viel hij neer en stierf plotseling,” aldus het verslag van Leyb ben Ozer. “Toen dit onder de joden bekend werd, en ook onder de niet-joden, daalden er angst en beven op hen neer.”
De boze brief van de Amsterdamse Sjabtai Tsvi-aanhanger Aaron Sarphati aan zijn oude vriend Sasportas geeft een aardig inkijkje in de verwachtingen van de sabbatianen. “Ik ben benieuwd wat je straks zegt, als je over twee of drie weken hoort dat de Grote Turk hem de koninklijke kroon op het hoofd heeft gezet en het gehele land van Judah en Jeruzalem heeft geschonken.” Die woorden maken nog eens duidelijk dat de joodse heilsverwachting in eerste instantie nogal aards is. De messias is degene die de over de wereld verspreide joden het beloofde land zal geven. Over de vraag of de komst van de messias ook meteen het einde der tijden inluidt, het moment van wederopstanding der doden, verschillen de schriftgeleerde opvattingen.

De grote uittocht
Anders dan hun geloofsgenoten in Rusland en Griekenland hadden de Amsterdamse joden meer gangbare vormen van transport in gedachte dan de wonderbaarlijke transportatie per wolk. Van twee is bekend dat zij daadwerkelijk naar Palestina vertrokken. Abraham Pereira en Isaac Nahar vertrokken half maart 1666, maar bleven steken in Italië. Ondanks het bericht (dat op 5 april 1666 Amsterdam bereikte) dat de messias in Istanboel gevangen was genomen door de Osmaanse machthebbers, maakte men plannen voor een grootschalige uittocht. Vlugschriften uit die dagen verhalen dat “de joden in Amsterdam hun huizen en goederen voor een derde van de prijs verkopen en zich reisvaardig maken”. Met het oog op de zeeoorlog met Engeland, verzocht Jean d’Illan de Engelse koning zelfs om een vrijgeleide van een Nederlands schip met vijftig joodse families naar Palestina. Mozes Gans noemt in zijn standaardwerk over het Nederlandse jodendom (Memorboek) zelfs een, niet nader aangegeven, bron waarin staat vermeld dat 125 boten klaar lagen om naar Palestina te vertrekken.
Het is niet bekend of er ook werkelijk Nederlandse joden het beloofde land hebben bereikt. Evenmin weten we welke weg de brief in het Joods Historisch Museum is gegaan. Mogelijk is hij bij de gestrande Palestina-gangers in Italië beland, mogelijk is hij nooit verzonden. Wat wel vast staat is dat de brief is gedateerd op 24 september 1666, acht of negen dagen nadat Sjabtai Tsvi zich had laten bekeren tot de islam.
Hoe ontluisterend de afvalligheid van Sjabtai Tsvi voor zijn aanhangers ook moge zijn geweest, vanuit het perspectief van een sterveling is zijn bekering tot de islam heel begrijpelijk. De berichten over zijn gevangenschap hadden zijn ster aanvankelijk verder doen rijzen. Sultan Mehmed IV voelde zich daardoor genoodzaakt hem de duimschroeven aan te draaien. De geneesheer van de sultan, een tot de islam bekeerde jood, adviseerde Sjabtai Tsvi om van geloof te veranderen teneinde zijn huid te redden. Die realiseerde zich dat er niets anders op zat en op 16 september gooide hij, in bijzijn van de sultan, zijn joodse dracht af en zette een tulband op zijn hoofd om zijn bekering te bezegelen. De sultan beloonde hem met een goed betaalde baan als poortwachter. Later zouden conflicten met de moslimautoriteiten leiden tot zijn verbanning naar het Albanese Dulcigno, waar hij in 1676 overleed.
De bekering van Sjabtai Tsvi betekende voor de meerderheid van de Amsterdamse joden het einde van de droom. Toch bleven er – ook in Amsterdam - tientallen jaren mensen trouw aan zijn belofte. In Griekenland en Turkije volgden groepen joden zijn voorbeeld, bekeerden zich tot de islam, maar bleven in het geheim het jodendom trouw. Nog steeds leeft er in Turkije een kleine groep afstammelingen van deze joods-islamitische sekte, de dönme. Sjabtai’s profetie dat hij de joodse wetten moest schenden, moet deze hardnekkige aanhangers hebben gesterkt in hun geloof. Behalve islamitische en joodse elementen vertoont de sabbatiaanse sekte een opvallende parallel met het christendom. In beide geloven staat de lijdende, onderdrukte messias centraal, een ‘koning der joden’ van likmevestje, en verlenen daaraan een mystieke aantrekkingskracht.
Zowel rabbijnen als rationalisten hebben de impact van de gebeurtenissen van 1666 altijd gebagatelliseerd. Daarin is de laatste decennia verandering gekomen. Gershom Scholem maakte in zijn boek The Mystical Messiah (1973) duidelijk hoe ingrijpend die krankzinnige dagen zijn geweest en hoe langdurig de nasleep. Mozes Gans gaat in zijn Memorboek zelfs zo ver dat hij het zionisme typeert als “een moderne poging om het ideaal van de aanhangers van Sjabtai Tsewie nieuw leven in te blazen.”

Mystieke oprispingen in de ban
Toen alles achter de rug was, maakte Sasportas, die later naar Amsterdam zou terugkeren, harde verwijten aan de Amsterdamse gemeenschap: “De ogen van heel Israël waren op jullie gericht toen deze misvatting post vatte, en als jullie de berichten hadden verworpen, of niet hadden geaccepteerd als zekerheden, hadden de andere gemeenschappen niet dezelfde vergissing gemaakt, want zij volgden jullie voorbeeld.” Hoe is het mogelijk dat de ontwikkelde sefardische joden van Amsterdam zich zo blindelings in dit avontuur hebben gestort? Edward van Voolen wijst erop dat, zowel voor de sefardim als de asjkenazim, de vervolgingen nog vers in het geheugen lagen. “In die jaren overheerste onder de joden in Amsterdam nog een groot gevoel van onzekerheid. De vervolgingen in Oost-Europa gaven voeding aan die onzekerheid. En die apocalyptische stemming voedde op haar beurt de messiaanse verwachting.” Wat volgens Van Voolen bovendien een belangrijke rol heeft gespeeld is dat de Spaans-Portugese joden hun identiteit en hun traditie opnieuw moesten uitvinden. Op het Iberische schiereiland had men immers noodgedwongen geleefd als maraan, als christelijke bekeerling.
Over de uitwerking van het messiaanse debacle op de joden van Amsterdam zijn de historici eensgezind. Men wilde allereerst weer rust in de tent en de rabbijnen kozen daarom voor een bedaard, ‘rationeel’ geloof dat zich ver hield van mystieke oprispingen. Van Voolen: “Als de messias komt, meldt hij zich wel, zo redeneerde men voortaan.” Alle energie werd nu gericht op het consolideren van de gemeente. “Het is geen toeval dat de Grote Synagoge en de Portugese synagoge kort na 1666 zijn gebouwd.” zegt hij. “Dat betekende: wij blijven!”

* De Hebreeuwse naam Sjabtai Tsvi is op veel manieren omgezet in het Latijnse schrift. Sabbatai, Sabetha, Sabethai, Sjabbatai... Sebi, Sevi, Tswi, Tsevi, Zevi, Zvi... Wij kiezen voor de spelling die ‘Het Oranje Boekje’, Hebreeuwse en Jiddisje woorden in het Nederlands, voorschrijft: Sjabtai Tsvi.

Mevrouw Tsvi
De band tussen Amsterdam en Sjabtai Tsvi was niet louter geestelijk van aard. Op 31 maart 1664 trouwde de man in Caïro met Sarah. Over deze Sarah is veel geschreven, maar weinig met zekerheid te zeggen. Wat wel vaststaat is dat zij tijdens Oost-Europese pogroms van 1648 haar ouders verloor. Haar broer Samuel ben Meir overleefde als enige familielid de moordpartij. Samuel trok naar Amsterdam, waar hij werkte als tabakssorteerder. Later volgde Sarah haar broer. Rabbijn Jacob Sasportas maakte haar in 1655 mee in Amsterdam. Hij beschrijft haar als “een meisje verstoken van intelligentie, die in haar waanzin zei dat ze met een messiaanse koning zou trouwen. Iedereen lachte haar uit, waarna zij naar Livorno vertrok.” Verschillende bronnen maken melding van de twijfelachtige reputatie van Sarah voordat zij mevrouw Tsvi werd. In Livorno zou ze hebben gewerkt als waarzegster en spiritueel medium, maar ook als prostituee. Ze reisde naar Caïro, waar ze er klaarblijkelijk voor zorgde dat haar profetie bewaarheid werd. Zij zou Sjabtai Tsvi trouw blijven tot zijn dood in 1676.
Te Amsterdam stond Samuel ben Meir, tijdens de gloriedagen van diens zwager, in de wandeling beter bekend als Samuel Messias.

Delen:

Jaargang:
2006 58

Gerelateerd

In de schaduw van de macht
In de schaduw van de macht
Verhaal 25 januari 2011
​​​​​​​Aanzienlijken, burgermenschen en het gemeen
​​​​​​​Aanzienlijken, burgermenschen en het gemeen
Recensie 28 december 2010
Architect Philip Warners, 1888-1952
Architect Philip Warners, 1888-1952
Markante Amsterdammers 23 december 2010