Uitgever, theaterjournalist en pianist Arnold de Vita (1860-1932)

Arnold de Vita was uitgever en drukker, maar bovenal was hij een bohemien, met een ontembare liefde voor het theater. Zijn scherpe pen leidde tot een duel te paard in het Vondelpark.

Op een vroege morgen in maart 1914 troffen twee heren elkaar in het Vondelpark voor een gewapend duel te paard. Journalist en uitgever Arnold de Vita van De Theatergids had medejournalist ‘Uiltje’ van De Telegraaf uitgedaagd. Uiltje had de vloer aangeveegd met De Theatergids; De Vita voelde zich belachelijk gemaakt. Achter Uiltje gingen twee journalisten schuil: David Orobio de Castro en Gerzon Blok. Het duo ging graag op de uitdaging in.

Uiltje deed zelf ronkend verslag in de krant verslag van het duel – waarvan het de vraag is of het ook werkelijk heeft plaatsgevonden. Want Uiltje was een echte spotvogel en andere sporen van het duel zijn niet te vinden. Hoe het ook zij: het duo Gerzon en Orobio de Castro wilde De Vita eens goed op zijn nummer zetten.

De Vita maakte er een hele show van. Hij had zich “deze zomer in het Hypodrome door en door in de rijkunst […] bekwaamd” en wilde daarom die paarden. En ook dacht hij dat zijn figuur te paard beter uitkomen zou op de foto’s van het duel. Brouwerij Heineken stelde de dieren ter beschikking. Toen de twee kemphanen met karabijn en al in het zadel zaten, stelde De Vita voor om de kogels uit de wapens te nemen en de afstand zó groot te maken dat ze elkaar niet meer konden zien – het ging uiteindelijk om het knaleffect. De Sumatra Post schreef: “Getuigen en duellanten overtuigden zich er nog eens uiterst secuur van, dat er geen enkel restantje van een kogel in één der karabijnen was achtergebleven; de duellanten plaatsten zich, ter berekening van de maximale zekerheid, zó, dat ’t Vondelmonument in zijn volle breedte tussen hen stond en een ongeluk dus uitgesloten was. De getuigen gaven het teken! En... de schoten knalden, vier-, vijf-, zesmaal! Daarop werd het duel gestaakt. Beide strijders waren, goddank, ongedeerd. Aan de eer was voldaan... Uiltje ging blijmoedig ontbijten – de heer De Vita dito naar de Beursdrukkerij.”

Concertvleugel

Arnold de Vita was in 1860 geboren als oudste zoon van makelaar en effectenhandelaar Salvador de Vita, die met zijn zwager Alexander de la Mar een van de eerste reclamebureaus van Europa had opgericht, het Financieel Advertentiebureau de La Mar en De Vita. Beide families waren actief op de beurs, in het boekenvak en de drukkerswereld, en sommige familieleden manifesteerden zich als regisseur, acteur, zanger en pianist. Charles de la Mar was de eerste toneelspeler in de familie; zijn zoon Napoleon ‘Nap’ de la Mar en vooral zijn dochter Fien (Josephine de la Mar) waren zeer geliefd bij het Amsterdamse theaterpubliek. Het De La Martheater is naar Fien vernoemd.

Ook de kinderen van Salvador de Vita hadden artistieke belangstelling. Arnold genoot een opleiding tot pianist aan het Conservatorium van Parijs, maar legde zich daarna toe op het drukkersvak. Hij kreeg in 1881 het recht van de Vereeniging voor de Effectenhandel om een prijscourant uit te geven met de laatste beurskoersen. Die dagelijkse krant was een revolutie in de Amsterdamse beurswereld: voor het eerst verschenen betrouwbare, gedrukte dagkoersen overzichtelijk in kolommen onder en naast elkaar. Handelsopdrachten konden nu veel sneller worden gegeven; de beurshandel kreeg er een nieuwe dynamiek door. In 1892 begon Arnold een eigen drukkerij, de Stoom-Snelpersdrukkerij, in de Warmoesstraat, vanaf 1918 de Beursdrukkerij (die heeft bestaan tot 2011).

Maar Arnolds eigenlijke liefde was de muziek. Midden in de drukkerij stond een concertvleugel, waarop hij dagelijks speelde tussen het kabaal van de vlakdrukrotatiepersen en het geschreeuw van de zetters, de drukkers en de telefonisten die de dagkoersen doorbelden naar de kranten. Hij was meer achter de piano te vinden dan achter zijn bureau. Regelmatig begeleidde hij ook zijn zus Estella, een internationale operaster, die ook in Amsterdam furore maakte. Zo zong zij met haar nicht Stella de la Mar in 1895 in de opera Charles VI van Jacques Fromental Halévy in het Paleis voor Volksvlijt op het Frederiksplein.

Emile Zola

Tussen 1907 en 1921 bracht Arnold de Vita dagelijks De Theatergids uit, met de voorstellingen in de belangrijkste theaters, de beschrijvingen en rolverdelingen – een Uitkrant avant la lettre. Elke dag was hij te vinden in de theaters rond het Rembrandtplein, in de Stadsschouwburg, het Concertgebouw en het Paleis voor Volksvlijt. Hij was uitgever, hoofdredacteur en criticus tegelijk. Hij schreef zelf vele recensies en voorbeschouwingen, vooral over klassieke muziek, maar ook over de plannen voor een nieuw operagezelschap, en diste hij bespiegelingen op over het Amsterdamse theaterleven.

Ondertussen deed hij wel degelijk belangrijk journalistiek werk. In 1898 was hij aanwezig bij het proces tegen Emile Zola in Parijs, naar aanleiding van diens befaamde aanklacht tegen de veroordeling van de Joodse officier Alfred Dreyfus. Zijn bevindingen publiceerde hij in dertien brochures, onder de titel Kwestie Dreyfus, Proces Emile Zola.

Hij zag Zola in de rechtszaal – “een klein mager mannetje, dat zich met de grootste moeite door de ontzaglijke vleesmassa drong” en bezocht hem de volgende dag. “In de zaal waar ik werd toegelaten moest ik even op de held van de dag wachten en mijn oog viel toen op een zeer groot biljard, terwijl tegen de muur een rek met queues is geplaatst, een bewijs dus, dat Zola van lichaamsoefening houdt.”

De van smaad beschuldigde schrijver zei “dat de blijken van sympathie uit Nederland hem ontroerd hadden, ja tot wenens toe (émotionné jusqu’aux larmes), en droeg mij op al mijn landgenoten hartelijk te bedanken voor die belangstelling, die hij nooit zou vergeten”. Zola kreeg een jaar gevangenisstraf. Ontgoocheld vertrok De Vita uit Parijs, teleurgesteld over het vonnis en moe van het openlijk beleden antisemitisme.

Terug in Amsterdam voelde hij zich in de theaterwereld al snel weer als een vis in het water. Het artiestenleven floreerde, de eerste bioscopen gingen open, het wemelde van de theaters. Hij leidde het leven van een bohemien die zich overal thuis voelde: tussen de effectenhandelaars op de beurs, achter de piano in zijn drukkerij en op de eerste rij van zo ongeveer alle theaters van Amsterdam. Hij roerde zich in de theaterwereld, bemoeide zich met alles en iedereen en stak zijn mening in De Theatergids niet onder stoelen of banken.

Rechtszaken

Niet iedereen was gecharmeerd van de uitgever-pianist en zijn meer dan eens botte en boude uitspraken. “Het allerzonderlingste, leeuwenmaanlokkige, kleine en dikke drukkersbaasje”, noemde de Telegraaf-journalist Vosmaer hem in 1912. Hoofdredacteur “van het voor de civiele prijs van vijf centen aan de ingang van ieder theater verkrijgbaar blaadje dat voor een derde gevuld is met overgedrukte programma’s, en voor twee derde met hartstochtelijk onleesbare korte inhouden van de diverse stukken, voor het overschietende deel vol met de meest huiveringwekkende, meest van alle stijl, alle gedachte, alle fond totaliter ontblote kunstbeschouwingen, die nog ooit door de ál te geduldige drukinkt in deze stad zijn gereproduceerd.”

Kennelijk nam De Vita het niet al te nauw met de Auteurswet, wat leidde tot een aantal rechtszaken. In 1909 werd een partij van De Theatergids voor de Stadsschouwburg in beslag genomen, omdat er een kopie van het officiële programma in zou zijn afgedrukt. De rechter accepteerde zijn verweer dat de informatie geen kopie was, maar overgeschreven van aanplakbiljetten op peperbussen. De Vita kreeg f 20,- schadevergoeding.

In september 1914 kreeg De Vita een proces aan zijn broek vanwege een pittige kritiek op de ‘piano-humorist’ Jules Boesnach na een optreden in Theater Flora in de Nieuwe Amstelstraat: “… al wat de man presteerde was in één woord schandelijk. Wat hij voordroeg was zo zouteloos, zo vervelend, zo geesteloos, dat directeur Nöggerath, die anders een fijne neus heeft, zúlk een prul laat optreden...” De zeeleeuwen die eveneens in Flora optraden, waren “heel wat knapper dan de heer Boesnach, die de kunst een weldaad zou bewijzen wanneer hij nimmer meer optrad”. Beledigd diende Boesnach een aanklacht in. Het Openbaar Ministerie eiste f 50,- boete wegens ‘eenvoudige belediging’. In hoger beroep, waarbij hij zijn eigen verdediging voerde, werd De Vita vrijgesproken.

Schuinsmarcheerder

Arnold de Vita trouwde twee keer. In 1889 met Rosalie Fuldauer (1866-1930), die een tijdje als redactrice bij De Theatergids werkte, en in 1924 met Elizabeth van der Tuin (1888-1966), mijn grootmoeder. Alles bij elkaar kreeg hij zeven kinderen, maar vaak thuis bij vrouw en kinderen was hij niet. Mijn oma noemde hem een schuinsmarcheerder, die in en rond de theaters flirtte met mooie actrices en violistes. Hun foto’s zijn in een boekje bewaard, naast de gesigneerde kaarten van pianisten en componisten, onder wie Giacomo Puccini.

Er is een foto uit 1930 waarop Arnold de Vita in een bloemenzee ligt alsof hij opgebaard is. Springlevend kijkt hij met een schalkse blik in de camera. De foto is gemaakt bij het 40-jarig bestaan van de Beursdrukkerij. Hij is inmiddels gestopt bij de Beursdrukkerij, maar beschikt nog wel over de vitaliteit om op zijn 70ste zijn tweede vrouw zwanger te maken van Liesje de Vita, mijn moeder.

RENÉ OEY IS DIRECTEUR VAN CULTUREEL CENTRUM MENEER DE WIT IN AMSTERDAM EN DANSLERAAR TANGO. ARNOLD DE VITA IS ZIJN OPA. DIT ARTIKEL IS EEN BEWERKING VAN EEN GEDEELTE UIT HET BOEK APOTHEEK OEY, EEN AMSTERDAMSE FAMILIEGESCHIEDENIS, verschenen in december 2020.

 

 

[kader] TWEE FAMILIES

Arnold de Vita stamt uit een Portugees-Joodse familie die eind 18de eeuw naar Nederland kwam: de eerste was Alexander Israël de Vita (ca. 1762-1828), die zich in 1799 als Alexander Vita Israël van Venetien in Amsterdam vestigde. In de loop van de 19de eeuw trouwden De Vita’s met leden van de eveneens Portugese familie De la Mar, later ook met Asjkenazische Joden, en aan het eind van de eeuw waren ook christelijke meisjes huwelijkskandidaten. Die ontwikkeling was typerend voor Joods Amsterdam: aanvankelijk bescheiden, maar niet onbemiddelde families verbonden zich met vergelijkbare families, nog altijd met een sterke Joodse identiteit, maar zonder al te veel religieuze bemoeienis en duidelijk op de Amsterdamse samenleving gericht. Tenslotte klonk bij de families De Vita en de la Mar alleen de naam nog Joods.

De Sefardische familie De la Mar was in dezelfde periode in Nederland neergestreken. De eerste was de Marokkaanse koopman Masahod de la Mar (1753-1836), die zich als ambassadeur van de sultan van Marokko in 1776 in Amsterdam vestigde. Het tweede huwelijk van zijn zoon Abraham (1787-1869) was in 1829 met Ester de Vita (1801-1858), dochter van Alexander Israël de Vita. Ze kregen zeventien kinderen, van wie er vier trouwden met een De Vita.

 

René Oey

December 2020

 

Beeld: Arnold de Vita in 1930 bij het 40-jarig bestaan van de drukkerij. COLLECTIE RENÉ OEY

Delen:

Buurten:
Zuid
Dossiers:
Amsterdammers
Editie:
December
Jaargang:
2020 72
Rubriek:
Markante Amsterdammers
Tijdperk:
1800-1900 1900-1950