Uit “onvergenoegdheid” van de brug af

Zelfmoord in de 18de eeuw

Wie zich verhing of verdronk om onder zijn gerechte straf uit te komen, werd alsnog postuum opgeknoopt op het galgenveld. Maar voor het overige zag men (anders dan in het buitenland) in het verlichte Amsterdam van de 18de eeuw zelfmoordenaars niet als zondaars, maar als beklagenswaardige sukkels met schulden, ziekten of akelige echtgenotes.

07082002_Bicker_Raye

In de 18de eeuw was het vrijwel overal in Europa strafbaar om eigenhandig een einde aan zijn of haar leven te maken. Dat was te danken aan de leer van de kerk die zelfmoord stellig als een doodzonde verwierp. Er bestond op dat punt geen verschil van mening tussen de verschillende geloofsrichtingen: katholieken en protestanten waren eensgezind in hun veroordeling. De Franse wijsgeer Montesquieu schreef er in 1721 het volgende over in zijn beroemde Lettres Persanes: “In Europe wordt ten aanzien van zelfmoord een extreem strenge wetgeving gehanteerd. Zelfmoordenaars worden als het ware nog een keer ten overvloede ter dood gebracht: hun lichamen worden smadelijk door de straten gesleept en gebrandmerkt, om hun eerloosheid aan te geven, en hun goederen worden in beslag genomen.” Hoewel het niet steeds precies zo ging als Montesquieu beschrijft - suïcidanten konden bijvoorbeeld al naar gelang de regio ook postuum worden opgehangen of verdronken - komt zijn voorstelling van zaken redelijk met de werkelijkheid overeen.

Dat neemt niet weg dat er ook gebieden waren met een toleranter klimaat, zoals de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden. Daar raakte de strafbaarstelling van zelfmoord al in de loop van de 17de eeuw in onbruik, in ieder geval in Amsterdam. Wat precies de oorzaak daarvan was is niet geheel duidelijk, maar zeker is dat de receptie van het Romeinse recht, dat suïcide onbestraft liet, een belangrijke rol heeft gespeeld. Het lijkt het er overigens niet op dat de Republiek tijdens de Verlichting een voortrekkersrol in Europa vervulde. De Franse filosofen die in eigen land een verzachting van de zelfmoord-wetten bepleitten, waren voor zover bekend niet eens op de hoogte van het voorbeeld van de Republiek.

Een indruk van de omgang met zelfmoord in het 18de-eeuwse Amsterdam geeft het dagboek dat Jacob Bicker Raye (1702-1777) van 1732 tot 1772 bijhield. De Amsterdammer, die tot de hogere maatschappelijke geledingen behoorde maar niet tot het regentenkorps, legde een opmerkelijke belangstelling aan de dag voor moord en brand en ander onheil. Zijn informatie is vaak afkomstig uit het geruchtencircuit en verschaft een uniek zicht op de beleving van afwijkend gedrag in zijn tijd. Dat geldt ook voor zelfmoord: liefst dertig maal maakte hij daar melding van. Veruit de meeste suïcidanten, zestien om precies te zijn, verdronken zich. Vijf mensen takelden zich toe met een mes, vijf verhingen zich, twee gebruikten vergif en één sprong uit het raam. Dat laat nog één zelfmoordenaar over die moeilijk is te plaatsen: de kleermaker Van Basel. Hij verdronk in de Herengracht, toen de strop brak waarmee hij zich aan de reling van de brug wilde verhangen. Voor de statistieken verder nog dit: negentien van de suïcidanten waren man, elf vrouw. De oudste uit het gezelschap was voor zover vermeld 82 jaar en de jongste 12.

Belangrijk is natuurlijk te weten hoe betrouwbaar de gegevens van Bicker Raye zijn. Daar valt helaas niet veel positiefs over te melden. De statistische waarde van zijn gegevens is nihil, ze bieden geen enkel inzicht in de frequentie van zelfmoord in Amsterdam. Daarbij is het in sommige gevallen sterk de vraag of het inderdaad om suïcidanten gaat, zoals bijvoorbeeld bij diegenen die vergif zouden hebben gebruikt. Voor drenkelingen geldt hetzelfde: al in de 17de eeuw was het Amsterdamse gerecht ertoe overgegaan om hen niet meer wegens zelfmoord te vervolgen, omdat niet volledig viel uit te sluiten dat het een ongeluk betrof. Soms erkent Bicker Raye overigens zelf de tekortkomingen van zijn materiaal en houdt hij het maar liever bij een vermoeden. Tot zijn eer moet wel worden opgemerkt dat díe zelfmoordenaars die met naam en toenaam worden genoemd, vaak zijn terug te vinden in de begraafregisters van Amsterdam of in de notariële archieven.

Prozaïsche motieven voor een wanhoopsdaad

Waarom plegen mensen zelfmoord? Dat is voor het verleden nog moeilijker vast te stellen dan voor het heden. Suïcidanten lieten ook in de 18de eeuw meestal geen briefje na met daarin al hun overwegingen keurig op een rij. En als er al zo’n document is, is het de vraag hoeveel waarde eraan mag worden toegekend: kunnen mensen de motieven benoemen die hun handelen bepalen? Zijn ze niet van nature geneigd te zoeken naar verklaringen die sociaal wenselijk zijn of tenminste aanvaardbaar? De suïcidanten die Bicker Raye noemt, hebben voor zover bekend geen zelfmoordbrieven achtergelaten, maar de inhoud van het dagboek maakt veel goed. Bicker Raye heeft in 23 gevallen de motieven opgeschreven die volgens de geruchten aan de wanhoopsdaad ten grondslag lagen. Daar moet overigens niet meer van worden gemaakt dan het is: de interpretatie van een buitenstaander. Bicker Raye werpt niet zozeer licht op de beweeg­redenen van de suïcidant als wel op de beleving van een tijdgenoot.

In de Middeleeuwen en ook daarna werd zelfmoord vaak gezien als een diabolische zonde. Bij Bicker Raye is daar geen spoor meer van te vinden, de tussenkomst van de duivel of een ander kwaad wordt niet één keer als verklaring genoemd. De motieven die Bicker Raye aandraagt zijn veel prozaïscher: financiële problemen, persoonlijk leed, een slepende ziekte of een dreigende straf. Opvallend is overigens dat er nergens een toespeling is te vinden op de belangrijkste verklaringen voor suïcidaal gedrag in onze tijd: psychische nood en depressiviteit. Het duurde tot het eind van de 18de eeuw voordat het idee opkwam dat zelfmoord samenhangt met geestesziekte.

Een motief dat Bicker Raye vaak noemt is economische tegenslag. Liefst acht maal maakt hij hier melding van. Soms blijft de precieze achtergrond mistig, zoals bij de gierige, inhalige kok die zich uit “onvergenoegthijt” de keel zou hebben afgesneden. Maar in de meeste gevallen drukt Bicker Raye zich duidelijker uit. Een makelaar met schulden die vergif inneemt, een vrouw die haar gezin niet kan onderhouden en uit het raam springt, een kapitein die zich verdrinkt als hij het beloofde nieuwe schip niet krijgt; dat zijn enkele van de voorbeelden die Bicker Raye opdist. Treurig is ook het verhaal van de vrouw die altijd met een kraampje “op de sluis bij de Rozengracht” stond: waarschijnlijk wordt met ‘sluis’ een brug bedoeld. Toen ze zich in 1754 weigerde neer te leggen bij het pas uitgevaardigde verbod om daar te handelen, namen de gerechtsdienaren haar goederen in beslag. Nog diezelfde avond verdronk de vrouw zich in het water bij de sluis.

Privé-omstandigheden vormen een ander motief, dat Bicker Raye acht maal opvoert. Veel familieperikelen hier, maar soms ook drama’s van een afwijkend soort. Zo zou een meisje van twaalf jaar zich verdronken hebben na een hoogoplopend conflict met een handelaar in koffie. Die wilde zijn geld hebben, maar het meisje beweerde bij hoog en bij laag dat ze dat al gegeven had. Toen de winkelier dreigde haar ouders en de schout erbij te halen, besloot het arme kind dat maar niet af te wachten. Bicker Raye bericht verder over de dienstmeid van apotheker Elten uit de (Oude) Hoogstraat, die door haar baas bezwangerd was en daarna het huis werd uitgezet. Ze sneed zich, “ontrent half dragt sijnde”, de keel af. Twee keer ook zette een zelfmoord een streep door een voorgenomen huwelijk. In 1753 verdronk een bruid zich na een ruzie met haar moeder over de erfenis van haar vader. En acht jaar later maakte een schipper een eind aan zijn leven toen zijn bruid door haar broers bij hem werd weggehaald. Ze wilden niet dat hun zus nog met hem omging, omdat hij een sodomiet zou zijn.

De dood ingejaagd door een ‘kwaataardig wijf’

Wat opvalt in Bicker Rayes beschrijving van familieverhoudingen is dat hij weinig opheeft met vrouwen. Hij bedient zich regelmatig van termen als “kwaataardig wijf” of “gemeen slag van een vrouwspersoon”. Soms schuift hij de vrouw zonder pardon de schuld in de schoenen voor de zelfmoord van haar man, zoals in het geval van de kastenmaker uit de Beulingstraat die zich in 1769 verhing. De man zou tot zijn daad zijn gekomen omdat zijn echtgenote hem slecht behandelde en “geen eeten of drinken gunde, eetende self heel lekker, en gaf haar man niet als klieken en brokken, seggende dat is al goed genoeg voor jou smoel”. Dit type verklaring, waarbij de partner de verantwoordelijk­heid wordt aangewreven, is ook uit een andere bron bekend: de Amsterdamse schepen Hans Bontemantel (1613-1688) maakt in zijn nagelaten aantekeningen melding van een schoorsteen­­veger die zich in 1668 verhing omdat hij van zijn vrouw geen geld kreeg om brandewijn te kopen.

Ziekte wordt door Bicker Raye maar weinig genoemd als motief voor zelfmoord, twee maal om precies te zijn. In het ene geval gaat het om een vrouw die al jaren last had van jicht en zich vervolgens van ellende verdronk. Opmerkelijker is het verhaal van de Zwitser Jean du Verge die met zware koorts in herberg de Vier Monarghie op de Fluwelen Burgwal verbleef: zo werd het zuidelijkste stuk van de Oudezijds Voorburgwal genoemd, omdat daar zulke deftige burgers woonden. De zieke Zwitser besloot tot verlichting zijn keel door te snijden, “dog sulks geen dood wond sijnde snee sijn selfs nog dwars het lijf open, haalde sijn darmen daar uijt, snee een stuk daar af en gooijde het op de grond”. Toen ook deze rigoureuze ingreep niet onmiddellijk tot het gewenste resultaat leidde, kwamen de chirurgijn en de gerechtsdienaars nog ter plaatse om de schade op te nemen. Er werd snel een testament opgesteld waarin de chirurgijn en de herbergier tot erfgenaam werden benoemd. Ze bezorgden Du Verge van zijn geld een eerlijke begrafenis in de Nieuwezijds Kapel.

Daar kwam de Zwitser goed mee weg. Het was bepaald niet zo dat alle zelfmoor­denaars “eerlijk” (eervol), dat wil zeggen normaal en zonder enige schande, ten grave werden gedragen. Soms werden ze ook in stilte begraven, na zonsondergang en zonder dat er lijkdragers of aansprekers aanwezig waren. In andere landen, ook in protestantse, was daar vaak een apart deel van het kerkhof voor ingericht, maar voor zover bekend was dat in het 18de-eeuwse Amsterdam niet het geval. Het is niet heel duidelijk op welke gronden werd besloten hoe suïcidanten werden begraven. Voor vroeger eeuwen gold dat aantoonbare gekte of tijdige boetedoening tussen daad en dood meewoog bij die beslissing, maar voor de 18de eeuw ontbreken de gegevens daaromtrent.

Een postume schandstraf

Van één categorie zelfmoordenaars is wel precies aan te geven welke omstandigheid bepalend is geweest voor hun postume lot. Diegenen die zich om het leven brachten uit angst voor straf werden soms naar het galgenveld gesleept om daar tóch te boeten voor hun daad. Bicker Raye noemt vijf suïcidanten die vanuit dat motief handelden: twee moordenaars, twee dieven en een sodomiet. Uit een andere bron, de cipiers­rekeningen van de gevangen­bewaarders van de Boeijen, is bekend dat minstens veertien verdachten zich tussen 1732 en 1795 hebben omgebracht in afwachting van hun vonnis. Sommigen deden dat terwijl ze op de vlucht waren voor justitie, maar de meesten verhingen zich in hun cel. Volgens de Amsterdamse justitie begingen ze hun daad, zoals het in de vonnissen staat, ex conscientia criminis: vanuit een schuldig geweten.

Negen van de veertien criminele suïcidanten werden veroordeeld tot straffen na hun dood. Het Amsterdamse gerecht zag geen reden hen postuum minder streng te behandelen dan andere criminelen die wel de voltrekking van hun vonnis afwachtten. Net als de lichamen van ter dood veroordeelden na afloop van hun executie naar het galgenveld konden worden gebracht, gebeurde dat ook met de lijken van zelfmoordenaars ex conscientia criminis. De postume straf die ze kregen hing af van het misdrijf dat ze hadden gepleegd: zo werden de zes suïcidanten die een moord of een roof op hun geweten hadden aan de galg gehangen, terwijl de twee fraudeurs in de put daaronder werden gegooid. De enige sodomiet uit het gezelschap werd met gewichten verzwaard in het IJ geworpen, net zoals dat met sodomieten gebeurde die door justitie ter dood waren gebracht. De vijf zelfmoordenaars met een crimineel verleden van wie geen veroordeling aanwezig is, zijn voor zover bekend begraven. Waarschijnlijk waren de delicten waar ze van werden verdacht niet zwaar genoeg om een postume schandstraf te rechtvaardigen.

In 1792 werd voor het laatst een suïcidant postuum op het galgenveld gehangen. De crimineel in kwestie was Hendrik Rooseboom, een dief die zich in het gevang had verhangen. Dat niemand na hem dat lot meer trof, had vooral te maken met een praktische omstandigheid: met de Bataafse Revolutie van 1795 werden de galgenvelden in de Republiek opgeruimd. Voortaan dienden de lichamen van ter dood veroordeelden terstond na de executie te worden begraven. Deze maatregel, die niet specifiek tot dat doel was afgekondigd, betekende effectief het einde van de postume bestraffing van criminele suïcidanten in Amsterdam.

Tekst: Machiel Bosman

Juli-Augustus 2002

Drs. M. Bosman is historicus

 

Delen:

Buurten:
Centrum Noord
Dossiers:
Editie:
Augustus Juli
Jaargang:
2002 54
Tijdperk:
1700-1800