Uit een eeuw Amsterdamse leesgeschiedenis: de eerste jaren van de OBA

'Het beste en mooiste voor iedereen'

 

Amsterdam was laat met een Openbare Leeszaal en Bibliotheek. Sinds eind 19de eeuw waren al in zo'n 40 plaatsen in het land openbare bibliotheken opgericht, toen de OLB aan de Keizersgracht in februari 1919 zijn deuren opende. De eeuw leesgeschiedenis die volgde is nu te boek gesteld door Joosje Lakmaker en Elke Veldkamp. Voor Ons Amsterdam beschrijven zij hier kort de eerste jaren.

Het was een bescheiden bijeenkomst voor een select gezelschap, de officiële opening op zaterdagmiddag 8 februari 1919 van de Openbare Leeszaal en Bibliotheek aan de Keizersgracht 444-446. Burgemeester Jan Willem Tellegen hield een toespraak. Hij zei dat het gemeentebestuur de arbeiders graag de mogelijkheid wilde geven om behalve het werk “nog iets anders te kunnen genieten dan enkel slaap”. De openbare leeszalen en bibliotheken konden de arbeiders ontspanning brengen. Als de verkorting van de werkdag er eenmaal was – de SDAP en de vakbonden streden er al jaren voor – moest de ontstane vrije tijd zinvol worden besteed. De timing kon niet beter: de Wet op de achturige werkdag passeerde op 11 juli dat jaar de Tweede Kamer.

 

Aanloop

De aanloop was lang geweest. Achttien jaar had de totstandkoming van een Openbare Bibliotheek de Amsterdamse gemeentepolitiek beziggehouden. Bij de gemeenteraadsverkiezingen van 1901 vroeg Philip Falkenburg, hoofd van het Gemeentelijk Bureau voor Statistiek en later gemeentesecretaris, zich in het Algemeen Handelsblad af waarom geen enkele partij in de gemeenteraad het initiatief nam tot een openbare bibliotheek. In andere landen bestond die al wel. “Ontwaakt bij ons de behoefte aan ontwikkeling, aan ideële verbetering zooveel later dan elders? Heeft ons volk geen honger noch dorst naar geestelijke genietingen? Wie heeft niet dikwijls de bittere ervaring opgedaan dat zelfs in de hoofdstad de gelegenheid ontbrak om kennis te nemen van historische, populairwetenschappelijke boeken of literatuur op sociaal gebied?”

Lokale overheden namen in die jaren meer en meer taken van algemeen belang op zich. Zo waren in Amsterdam gas- en elektriciteitsleveranciers en tram- en telefoonmaatschappijen gemeentebedrijven geworden. Maar een openbare bibliotheek stond niet hoog op het lijstje van het stadsbestuur. Een andere bibliotheek kreeg voorrang: die van de Gemeentelijke Universiteit aan het Singel was dringend aan vernieuwing en uitbreiding toe. Het aantal bezoekers was er van nog geen 4000 in 1880 gestegen tot bijna 27.000 in 1900. B&W zei volmondig voor de vestiging van een openbare bibliotheek te zijn, maar wees een samenvoeging met de universiteitsbibliotheek af.

‘Ons gebouw is veel te klein. We hebben filialen noodig, overal in de stad’

Zolder

Er kwam pas beweging in de zaak toen de Amsterdamse afdeling van de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen in het voorjaar van 1910 f 40.000,- toezegde voor de inrichting van een bibliotheek, mits de gemeente de grond leverde en f 100.000,- bijlegde voor een gebouw. Op 15 november 1912 werd de Vereeniging voor Openbare Leeszalen en Bibliotheken te Amsterdam opgericht. B&W stelde verschillende locaties voor: het Paleis voor Volksvlijt, de Waag op de Nieuwmarkt en het terrein van de gesloopte Parkschouwburg aan het Wertheimpark, maar pas in december 1913 was de kogel door de kerk, toen de keus viel op het voormalige kantoor van de gemeentegasfabrieken aan Keizersgracht 444-446. De gemeente betaalde de verbouwing en de vereniging zocht f 50.000,- voor de inrichting en de aanschaf van boeken. Subsidies en eigen middelen moesten de exploitatie bekostigen.

Binnen vijf maanden had Nut-penningmeester Alexander Wertheim het geld bijeen. De verbouwing van het pand begon in 1916 en in juni dat jaar werd de 37-jarige Tietse Sevensma benoemd tot directeur-bibliothecaris. Eerder had hij voortvarend de bibliotheek van de Rotterdamse Handelshogeschool opgezet. Met drie medewerksters, onder wie zijn latere opvolgster Annie Gebhard, hield hij voorlopig kantoor bij hem thuis aan de Overtoom. De boeken lagen tijdelijk op een universiteitszolder. Eind 1918 kon de inrichting van de Keizersgracht beginnen, al ontbrak nog het nodige. Zo waren er geen ketels en radiatoren voor de centrale verwarming verkrijgbaar en moesten de eerste winter dus kachels worden gestookt. Ook konden de meeste magazijnkasten nog niet worden geleverd, waardoor de uitleen van boeken onmogelijk was. “Maar”, had wethouder Willem Vliegen al in mei 1918 tegen enkele raadsleden gezegd, “wij zouden met recht de Chinezen van Europa worden genoemd, als wij, nu de leeszaal gereed is, de deuren gesloten hielden.”

 

Boekenjongens

Toch beleefden de meeste bezoekers de Openbare Leeszaal aan de Keizersgracht vermoedelijk als stimulerend, juist omdát zij zo voornaam was. Een cultuurcentrum, een plek van reflectie, waar je vaak heel goed geholpen werd. Het belangrijkste was de enorme omvang van de collectie, in 1920 maar liefst 45.000 titels. Hiermee liep Amsterdam vóór op de rest van Nederland, “een voordeel van de lange aanlooptijd”, zoals bij de opening werd opgemerkt. Niet alle bezoekers waren overigens belust op kennis en ontwikkeling. Vanaf het begin werden er boeken gestolen, er waren zelfs helers in het spel. Maar de “leeglopers en lanterfanters” over wie tevoren met enige zorg werd gesproken, keren in de verslagen niet meer terug.

 

Buurtfilialen

Nog voor de opening van de Keizersgracht was al duidelijk dat één centrale bibliotheek in het centrum nooit de hele stad kon bedienen. Precies een jaar later verzuchtte adjunct-directrice Annie Gebhard in De Telegraaf: “Ons gebouw is nu al veel te klein. We hebben filialen noodig, overal in de stad. We sturen wel kleine ‘reizende’ bibliotheekjes, wissel-bibliotheekjes uit naar speeltuinen en woningbouwvereenigingen, maar dat zijn nog geen filialen. Als u bedenkt dat Liverpool, een stad met evenveel inwoners als Amsterdam, een centrale heeft met een naslagbibliotheek, waar het publiek zelf zijn boeken kan kiezen om in de leeszaal te lezen, net zo groot als onze heele uitleenbibliotheek. En dat daar niet minder dan 24 filialen zijn, alleraardigste gebouwtjes, die door de heele stad zijn verspreid. Ja, zoo ver zijn we hier nog lang niet.”

De buurtbibliotheekjes kwamen er. Op 25 januari 1923 werd het filiaal Meidoornplein in Amsterdam-Noord geopend, in een pandje van de gemeentelijke woningdienst, oorspronkelijk een sportgebouw. In november volgde een tweede aan de Kometensingel, in de nieuwe wijk Tuindorp Oostzaan, en in de jaren erna verschenen er filialen in de Watergraafsmeer en de Coöperatiehof en aan het Roelof Hartplein. En de wisselbibliotheekjes – die tot de jaren vijftig bleven bestaan – leenden bij elkaar meer boeken uit dan de Keizersgracht.

In maart 1928 vertrok Tietse Sevensma naar Genève om de bibliotheek van de Volkenbond op te zetten. Annie Gebhard volgde hem op (zie kader). De beperkte toegankelijkheid van de boekencollectie aan de Keizersgracht bleef tot 1977 bestaan. Toen werd de bibliotheek uitgebreid met een nieuw gebouw aan de Prinsengracht 587-607. Daar had een textielfabriek gestaan, die in 1969 was gesloopt en vervangen door een groot nieuw pand van de architect Rob Nord, dat niet als bibliotheek was ontworpen. De fundering moesten worden aangepast om het gewicht van de boeken te kunnen dragen. De Openbare Bibliotheek verhuisde in 2007 naar het Oosterdok.

 

BOVENSTAAND ARTIKEL IS ONTLEEND AAN JOOSJE LAKMAKER & ELKE VELDKAMP, AMSTERDAMMERS EN HUN BIBLIOTHEEK. OBA 1919-2019. VERSCHIJNT OP 8 FEBRUARI BIJ UITGEVERIJ WERELDBIBLIOTHEEK. JOOSJE LAKMAKER IS HISTORICUS EN PUBLICIST, ELKE VELDKAMP JOURNALIST EN TEKSTSCHRIJVER.

Januari/februari 2019

Delen: