Twee keer opgehangen

Zelfmoordenaars konden vroeger in Amsterdam na hun dood nog worden opgehangen. Daar was niets vreemds aan: dergelijke praktijken kwamen in de vroegmoderne tijd overal in Europa voor. Suïcidanten konden al naar gelang de regio waar ze woonden postuum worden verdronken, verbrand of opgehangen. Daarnaast werden hun goederen vaak geconfisqueerd.
In Amsterdam kwam er midden 17de eeuw een eind aan de bestraffing van zelfmoord, schrijft Ons Amsterdam-medewerker Machiel Bosman in het suïcide-nummer van tijdschrift De Achttiende Eeuw. De laatst bekende veroordeling wegens zelfmoord in Amsterdam vond plaats in 1668. Het slachtoffer was een schoorsteenveger, die geld wilde van zijn vrouw om brandewijn te kopen. Hij riep dat hij zich anders zou verhangen, maar zijn echtgenote was niet onder de indruk. “Loop geck loop, dat sech ghy altyt,” reageerde ze gekscherend. Ze zal raar hebben opgekeken toen ze haar man even later aantrof met een strop om zijn nek. Zijn lichaam werd door de rechters tot de Volewijk veroordeeld, het galgenveld aan de overkant van het IJ, “tot schrik ende exempele van anderen”.
Hoe treurig het lot van de schoorsteenveger ook was, Amsterdam was naar verhouding vroeg met de decriminalisering van zelfmoord. In de 18de eeuw werden alleen criminelen die zich in afwachting van hun vonnis ombrachten nog postuum bestraft. Dat was anders in de omringende landen, waar het tot het eind van het Ancien Regime duurde voor de wetten tegen zelfmoord werden verzacht.

Machiel Bosman, ‘De laatst bestrafte zelfmoordenaars in Amsterdam’, in: De Achttiende Eeuw, 2002

Mei 2002

Beeld: Wintergezicht aan de Volewijk, met enkele toeschouwers bij de galgenput, 1816 ca. t/m 1820 ca. Collectie Beeldbank Amsterdam.

Delen:

Buurten:
Centrum Noord
Dossiers:
Amsterdammers
Editie:
Mei
Jaargang:
2002 54
Rubriek:
Herinneringen
Tijdperk:
1600-1700 1700-1800