Trotse buurten tonen eigen geschiedenis

‘We willen een levend museum’

De buurtmusea zijn in opmars. De plannen voor musea in Amsterdam-Noord, de Jordaan en de Bijlmer liggen klaar. Museum Het Schip in de Spaarndammerbuurt bestaat al en de Kinkerbuurt heeft sinds jaren het Buurtmuseum Bellamy. De initiatiefnemers mikken op een breder publiek dan alleen de buurtgenoten.

“Als je kijkt naar een toeristische plattegrond van Amsterdam, dan zie je dat er tientallen musea op staan en niet één daarvan in Noord”, legt Henk Ras uit. Hij woont sinds 1968 boven het IJ en is bezig de achterstand weg te werken. Een onderdak is er al. “Het oude badhuis op de kop van Vogeldorp is vrij en wij zijn kandidaat om het te huren van Stadsherstel. Het is een monument uit 1918, ontworpen door de architect Berend Boeijenga van de Amsterdamse School.”
Wat zal er dan te zien zijn? “Om te beginnen moet de bezoeker iets te weten komen over de geschiedenis van dit gebied in de afgelopen 1000 jaar. Hoe het moeras in de tiende eeuw werd ontgonnen, hoe dorpen als Buiksloot, Nieuwendam en Schellingwoude ontstonden. Dat kan met archeologische vondsten, want er zit hier meer in de grond dan je zou denken. Een buurman van me heeft een prachtige baardmankruik in zijn tuin gevonden, waarschijnlijk uit de zeventiende eeuw.”
Er komt ook aandacht voor de sociale geschiedenis en de volkswoningbouw in de twintigste eeuw. “We willen Amsterdam-Noord uit het verwaarloosde hoekje trekken”, zegt Ras. “Andere Amsterdammers kunnen in ons museum met dit deel van de stad kennismaken. Voor de bewoners van Noord zelf is het goed om wat meer te weten van de grond waarop ze wonen en werken. Dat kan ook leiden tot een beter onderlinge verstandhouding.”

Eigen cultuur
Aan de andere zijde van het IJ werkt Mieke Krijger aan het Jordaanmuseum. “Het is méér dan een buurtmuseum, het is voor heel Amsterdam”, benadrukt Krijger. Ze is al sinds de jaren tachtig gefascineerd door de buurt en de mensen die er wonen. Destijds organiseerde ze een tentoonstelling over het leven in de Vinkenstraat aan het begin van de twintigste eeuw. Ze sprak daarvoor met vrouwen die de tijd van de grote armoede nog hadden meegemaakt. Ze deed onderzoek naar het Aardappeloproer van 1917 en ging samen met buurtbewoners op zoek naar hun geschiedenis.
“Het moet een museum zijn voor oud-Jordanezen en hun kindskinderen, voor de huidige bewoners en voor toeristen die óók geïnteresseerd zijn in de keerzijde van de rijkdom.” Behalve voor het dagelijks leven en de armoede zal er ruimte zijn voor de eigen cultuur van de buurt. Mieke Krijger: “Toen ik die eerste interviews maakte, was ik meteen onder de indruk van wat er bovenkwam aan verhalen en liedjes, het eigen taalgebruik. Dat moet je in het museum kunnen zien en horen. Er komt natuurlijk ook het interieur van zo’n typische Jordaanwoning. Als we straks ruimte hebben, kunnen mensen uit de buurt spulletjes brengen waar een verhaal aan vast zit.”
De Stichting Jordaanmuseum heeft subsidie aangevraagd en zoekt een onderkomen. De activiteiten van het museum zijn intussen al lang en breed begonnen. Er worden wandelingen georganiseerd en er wordt onderzoek gedaan, ook naar de vroegste geschiedenis van de buurt. Mieke Krijger reconstrueerde het zwierige uitgaansleven in de zeventiende en achttiende eeuw rond het voormalig Karthuizer-klooster bij de Lindengracht. Trots is ze op de resultaten van de workshops die ze samen met anderen organiseert en waarin buurtbewoners de geschiedenis van hun huis, straat of familie naspeuren. “Dat versterkt het zelfrespect van de mensen en de buurt. Je ziet hoe soms op basis van een paar foto’s een heel verhaal over hen zelf en hun achtergrond boven tafel komt.”

Een levend museum
Wie op station Ganzenhoef de metro uitstapt, is eigenlijk al in het Bijlmermuseum, stelt Karin Moor. “Er is veel veranderd, maar je kunt er nog goed zien hoe de Bijlmer bedoeld was.” Moor ziet voor zich hoe het straks moet worden: “En als je dan even doorloopt, vind je hier in Grubbehoeve het Bijlmermuseum over verleden, heden en toekomst van Zuidoost. Elke flat had oorspronkelijk een ‘collectieve ruimte’. Die van Grubbehoeve kun je gebruiken voor het museum.”
Karin Moor woont al sinds haar kinderjaren in de Bijlmer; mede-initiatiefnemer Henno Eggenkamp sinds 1969. Ze merken dat er belangstelling voor de buurt is bij voormalige bewoners, nieuwe bewoners, stedenbouwkundigen uit het buitenland, studenten en bij mensen die gewoon nieuwsgierig zijn. Henno Eggenkamp: “Het moet natuurlijk gaan over de bevolking en over de relatie tussen bevolking en stedenbouw. Wat betekent stedenbouw voor het leven van mensen? Je hebt overal in Europa van dit soort wijken gehad, door stedenbouwkundigen neergezet met allemaal verwachtingen. Je kunt gaan kijken en vergelijken hoe dat is afgelopen in Frankrijk, Duitsland, Engeland.” 
De naam Bijlmermuseum is voor de buurt rond Grubbehoeve overigens al sinds de jaren tachtig in gebruik. Bewoners als Moor en Eggenkamp verzetten zich toen tegen de grootschalige sloopplannen van de gemeente. Ze wisten te bereiken dat in de G- en K-zone een stuk van de Bijlmer in min of meer oorspronkelijke staat behouden bleef: een stedenbouwkundig museum in de open lucht. Over de Bijlmer valt een hoop te vertellen. Als de initiatiefnemers hun zin krijgen, gebeurt dat straks in het Bijlmermuseum. Moor: “Je kunt er ook activiteiten organiseren, films vertonen. We willen geen stoffig museum, maar een levend museum.”

Sfeer proeven
Het museum om de hoek kómt er niet alleen. Het ís er al. Het mooiste voorbeeld daarvan is museum Het Schip in de Spaarndammerbuurt. Het is sinds 2001 gevestigd in het volkswoningbouwcomplex van die naam, ontworpen door Michel de Klerk. Je kunt er rondkijken in het bijzondere postkantoortje in Amsterdamse School-stijl, de sfeer proeven in een volledig ingerichte arbeiderswoning uit de jaren twintig en de binnenkant van het karakteristieke torentje van Het Schip bekijken. Voor de inhoudelijke verdieping is er de expositie over Amsterdam als ‘Het Mekka van de volkshuisvesting’. Daar wordt duidelijk welke unieke plaats Amsterdam eigenlijk inneemt in de geschiedenis van de volkswoningbouw. Te zien is hoe sociaal-democratische wethouders, woningbouwverenigingen en architecten het voortouw namen om voor arbeiders woningen te bouwen die goed van kwaliteit en ook nog eens mooi om te zien zijn. Dat de welwillende dames en heren ook erg bedillerig konden zijn, blijft bij de rondleiding in het museum niet onvermeld.
De arbeiderswoning uit de jaren twintig van de vorige eeuw doet het goed bij bezoekers die zelf een sociaaldemocratische achtergrond hebben. Alice Roegholt van Het Schip: “Natuurlijk komen die mensen hier, die herkennen het zelf nog van vroeger. Maar we krijgen ook heel veel andere bezoekers hoor. Er komen schoolklassen uit de buurt, maar net zo goed uit de rest van de stad en eigenlijk uit het hele land. Verder zien we hier veel buitenlanders, want internationaal is er veel belangstelling voor de geschiedenis van de Amsterdamse volkswoningbouw.” 
Hoewel de Amsterdamse School vaak wordt geassocieerd met Zuid is Roegholt blij met de vestiging van het museum in de Spaarndammerbuurt: “Hier is de Amsterdamse School écht begonnen. De aanleg van het Spaarndammerplantsoen gaat al van start in 1913. In Zuid komt het pas in de jaren twintig goed op gang. Dit voorjaar gaan we trouwens uitbreiden. We krijgen er een museumtuin bij, achter de lunchroom in de Oostzaanstraat. Vanaf april komt daar dan een expositie van straatmeubilair uit de periode van de Amsterdamse School met veel originele objecten: prullenbakken, girobussen, straatlantaarns, brughekken enzo.”

Beschuit en pijpekoppen
Het bekendste en misschien wel enige échte buurtmuseum van Amsterdam staat in de Kinkerbuurt. Bij Buurtmuseum Bellamy aan de Tweede Kostverlorenkade is iedereen welkom, maar niemand schaamt zich ervoor dat het museum er in de eerste plaats is voor de buurt zelf. Buurtbewoner Leo Reniers geeft een enthousiaste rondleiding door een ruimte vol informatiemateriaal, foto-albums en vitrines: “In deze vitrine hebben we allerlei foto’s en spulletjes bij elkaar gezet die te maken hebben met alle bedrijven die hier ooit in de buurt hebben gestaan. Bijvoorbeeld de chocoladefabriek van Caspar Flick, waar de naam ‘flikje’ voor chocolaatjes vandaan komt. En hier: de brood en beschuitfabriek van Haust, nog steeds bekend van de toastjes.” Potscherven en pijpekoppen, blikken trommeltjes en textielpuntkaarten uit de oorlog: er is in het museum van alles te bekijken. De spullen zijn vaak door buurtbewoners geschonken. De portretten van Borger, Kinker en andere schrijvers waar de straten in de buurt naar zijn genoemd, kijken er goedkeurend op neer.
Terwijl Leo Reiniers onverstoorbaar zijn rondleiding voortzet, staat opbouwwerker Nico Kuyvenhoven twee buurtbewoonsters te woord. Ze zijn ergens heel erg boos over, maar dat heeft niets met het museum te maken. Als Kuyvenhoven het afgehandeld heeft, legt hij uit hoe Buurtmuseum Bellamy is ontstaan: “Zo’n vijf jaar geleden wilde stadsdeel Oud-West iets gaan doen aan de samenhang in de buurt. Toen is er ook een informatie- en vergaderruimte gekomen en daar is toen door buurtbewoners een tentoonstelling georganiseerd over de buurt. Dat was het begin van het buurtmuseum.” Er werden historische wandelingen door de buurt georganiseerd en de collectie van het museum groeide gestaag. De vitrines werden geschonken of gevonden op straat en opgeknapt. 
Buurtmuseum Bellamy staat in een bijzondere omgeving. Dit stukje Amsterdam is voor een deel nog op polderniveau gebouwd. Hier en daar is duidelijk te zien dat delen van de straat lager liggen dan de rest. In het patroon en de namen van de straten zijn de poldersloten en de eeuwenoude paden nog terug te vinden. Is er in de buurt ook belangstelling voor al die geschiedenis op straat en in het museum? Kuyvenhoven: “Al het materiaal dat we krijgen komt van de bewoners. De buurtorganisaties hebben zelf de sleutel van het pand hier, het opbouwwerk doet het beheer.” Ook allochtone buurtbewoners maken gebruik van het museum. Leo Reniers heeft zijn bedenkingen: “Ik ga dan wel bij nieuwe mensen langs met informatie over de buurt en een cd-rom over de geschiedenis. Je ziet ze meestal nooit terug. Ze hebben het druk, vaak verhuizen ze ook na een tijdje alweer.” Kuyvenhoven: “Maar bij gerichte activiteiten komen ook nieuwe bewoners best wel opdagen, je moet iets organiseren.”

Optimistisch
De bedenkers van het Noordmuseum, het Jordaanmuseum en het Bijlmermuseum zijn optimistisch. In Noord is al onderdak gevonden en in de Jordaan en de Bijlmer is subsidie aangevraagd. Dit overzicht van (beoogde) musea is trouwens niet uitputtend. In de Baarsjes hebben ze nog het Buurtmuseum Ortelius en er is méér. Soms hebben enthousiaste buurtbewoners ooit een museum ingericht en is het niet helemaal duidelijk hoe het daar inmiddels mee staat. Over allerlei al dan niet tijdelijke tentoonstellingen over buurt- en straatgeschiedenis hebben we het dan nog niet eens. Veel Amsterdammers zijn bezig met de geschiedenis van hun buurt en op internet zijn indrukwekkende digitale tentoonstellingen te bewonderen. 
Wie zijn ogen buiten de kost geeft, ontdekt trouwens dat Amsterdam eigenlijk één groot museum is. Dat leert ook de ervaring van de bewoners van het oudste deel van Tuinstad Slotermeer. In het noordoostelijk deel van de wijk zijn volgens deskundigen de opvattingen van de beroemde stedenbouwkundige Cornelis van Eesteren in een uniek zuivere vorm terug te vinden. Zijn ideeën over functionaliteit, ruimte, licht en lucht zijn er op een prachtige manier gerealiseerd. Dit gedeelte van de stad wordt in bestuurlijke kring dan ook graag gepresenteerd als een stedenbouwkundig openluchtmuseum. Sommige bewoners van het noordoostelijk deel van Slotermeer ontdekten niet zo lang geleden tot hun opperste verbazing dat ze wonen in het ‘Museum Van Eesteren’. Het buurtmuseum kan héél dichtbij komen!
 

Delen:

Jaargang:
2008 60

Gerelateerd

Marius Frans Duintjer: architect van de Nederlandse bank
Marius Frans Duintjer: architect van de Nederlandse bank
Actueel 9 oktober 2019
Czaar Peterbuurt herleeft
Czaar Peterbuurt herleeft
Verhaal 14 december 2010
De onzichtbare hasjhandelaar
De onzichtbare hasjhandelaar
23 november 2008