Toen de Oude Kerk nog jong was

De eerste eeuw van Amsterdams oudste godshuis

Op 17 september viert de Oude Kerk haar 700ste verjaardag. Al is ze waarschijnlijk nog een stukje ouder. Er zijn goede argumenten om de kerk het belangrijkste monument van de stad te noemen. Het is het oudste nog bestaande stenen bouwwerk en bovendien het allereerste religieuze gebouw van Amsterdam. Ter gelegenheid van dit feest reconstrueren we de eerste eeuw van de Oude Kerk, die toen nog een kerkje was.

Als we de vermoede eerste houten versie meerekenen bestond de kerk waarschijnlijk al tientallen jaren vóór 1306. Veel stelde Amsterdam toen nog niet voor. Ze zal zo’n 600 of 700 inwoners hebben geteld; in 1300 waren het er ongeveer 1000. Amsterdam was een van de jongere nederzettingen in Amstelland, van oorsprong een moerassig veengebied, dat vanaf ongeveer het jaar 1000 was ontgonnen door kolonisten vanuit van het Sticht, zo’n beetje de huidige provincie Utrecht. Daar begon het naar de maatstaven van toen iets te vol te worden: om voedsel te verbouwen of vee te houden hadden de middeleeuwers veel grond nodig. Ook Amstelland behoorde formeel tot het Sticht, waar de bisschop van Utrecht de baas was. Bisschoppen waren toen naast geestelijke leiders meestal ook wereldlijke heersers.
Om namens hem het nieuwe gebied te besturen, koos de bisschop een van zijn slimste bedienden, Wolfger van Aemstel. Diens nazaten oefenden tot 1295 het gezag uit in Amstelland, niet altijd overeenkomstig de wens van hun bisschop. Ze lieten zich voor militaire steun ook graag lucratief inhuren door diens grote concurrenten, de graven van Holland, maar die bleven ze evenmin trouw. Hun ronde houten woontoren stond sinds ongeveer 1100 op een kunstmatig heuveltje in Ouderkerk aan de Amstel, dat daarmee het bestuurlijke, maar ook het economische centrum van de regio werd. En bovendien het religieuze middelpunt, want al snel werd daar een houten kapel gebouwd, iets later vervangen door een stenen kerkje, gewijd aan de heilige Urbanus, schutspatroon van de adel. Die keuze verraadt de invloed van de heren van Aemstel, die zich steeds meer adellijke allures aanmaten. Rond 1250 kwam er een weer wat grotere kerk en in 1774 zou die worden vervangen door de huidige Nederlands Hervormde Kerk in de Kerkstraat.

Amsterdams eerste eigen kerkje
Op dijken aan weerszijden van de monding van de Amstel (nu het Damrak) ontstond Amsterdam: eerst rond 1225 op de westelijke dijk (nu Nieuwendijk) en rond 1250 ook aan de overkant (nu Warmoesstraat). Er waren vrijwel meteen een schoenmaker en een smid, een bakker en wat vissers, maar één belangrijke voorziening ontbrak: een kerk. En dat in een maatschappij waarvan het katholieke geloof het hele leven doordrenkte. Om de heilige mis bij te wonen moesten de eerste Amsterdammers helemaal naar Ouderkerk lopen of varen. Dus werd er waarschijnlijk al kort na 1250 vlak achter de oostelijke dijk op een opgeworpen zandheuveltje een houten kapel gebouwd, als filiaal van de parochiekerk in Ouderkerk. Van die kapel zelf is overigens niets teruggevonden. Dat hij er was, kunnen we afleiden uit een opgraving in de Oude Kerk in 1963. In het hoogkoor werden daar de fundamenten van het altaar van de oudste stenen kerk opgegraven. Een dikke meter daaronder, bedekt door een schelpenlaagje, bleek nog een doodskist te liggen, gemaakt van een uitgeholde boomstam. Begraven worden onder het altaar was een privilege van priesters. Maar het skelet in de boomkist lag met de voeten naar het oosten. Dus was de dode geen priester, want die werden altijd met hun voeten naar het westen begraven. Kortom: het altaar stond eerst elders. Bovendien lag de boomkist anderhalve meter onder het altaar én vlak onder een twee centimeter dik schelpenlaagje dat al eerder was gevonden onder de fundamenten van de oudste kerk. Die schelpen bedekten een kunstmatig heuveltje (een terp) bovenop de oude veenlaag. Conclusie: de man werd begraven op een kerkhofheuveltje. En waar een kerkhof was, moest ook een kerkje of kapel geweest zijn, zij het kennelijk kleiner dan later. Omdat dáárvan geen fundamenten werden teruggevonden, moet het wel van hout geweest zijn. Het ligt voor de hand dat ook ditmaal de heren van Aemstel het initiatief namen tot de bouw.

Een kerk van steen
De eerste stenen kerk moet hier kort na 1300 zijn gebouwd; dat is onder meer af te leiden uit de bouwstijl. Maar de heren van Aemstel waren daar niet meer bij betrokken, want Gijsbrecht IV van Aemstel had zijn hand overspeeld: in 1296 hielp hij graaf Floris V van Holland vermoorden en moest toen vluchten naar Pruisen. Zijn zoon Jan van Aemstel probeerde in 1304 Amsterdam te heroveren, maar dat werd een fiasco, drie eeuwen later beschreven in Vondels toneelstuk Gijsbreght van Aemstel.
De zwakke jonge graaf Jan I, Floris’ zoon, stierf in 1299 en werd opgevolgd door Jan van Avesnes, die onder de naam Jan II graaf werd van Henegouwen (nu Zuidwest-België), Holland en Zeeland. Die besteedde in 1300 het beheer van Amstelland uit aan zijn broer Gwijde (Guy) van Avesnes. Gwijde gaf Amsterdam formeel stadsrechten. In 1301 werd hij ‘gekozen’ tot bisschop van Utrecht. In die rol heeft hij Amsterdams oudste kerk officieel ingewijd.
De nu herdachte wijdingsdatum is eerlijk gezegd niet helemaal zeker, maar wel waarschijnlijk. Het staat vast dat de Amsterdamse kermis al in de late Middeleeuwen werd gehouden op de eerste zondag na de feestdag van Sint Lambertus, 17 september. Het woord kermis komt van ‘kerkmis’ en betekent oorspronkelijk de viering van de inwijdingsdatum van de plaatselijke kerk. Dat wijst erop dat de Amsterdamse kerk op die datum is ingewijd. Ook staat vast dat bisschop Gwijde half september 1306 een (zeldzaam) werkbezoek bracht aan Amsterdam (zie ook het artikel over mejuffrouw Bijtelaar hierna). De bisschop zal toen ook de kerk plechtig hebben ingezegend. Het godshuis werd gewijd aan Sint Nicolaas alias Sinterklaas, patroon van de zeelieden. In 1334 werd de kerk eindelijk onafhankelijk van de Urbanuskerk in Ouderkerk. Voor het eerst kreeg ze een eigen pastoor: Wouter van Drongelen. Die kreeg op den duur assistentie van een aantal kapelaans. Het beheer van het kerkgebouw werd de taak van vier kerkmeesters, meestal kooplieden.
Hoe zag die eerste stenen kerk eruit? Op grond van de opgravingen in 1955-1963, tijdens een grote restauratie, is daarvan wel een beeld te vormen. Hoewel ondergeschikt aan de parochiekerk in Ouderkerk, was de Sint-Nicolaaskerk een stuk groter. De Urbanuskerk was bijna 30 meter lang en 8 meter breed; de Nicolaaskerk was aanvankelijk 40 meter lang, al snel verlengd tot 54 meter inclusief de massieve 28 meter hoge toren. Op het achterste stukje na (het koor) was ze 18 meter breed, door twee rijen pilaren verdeeld in een breed middenschip en twee smalle (iets lagere) zijbeuken. Achterin de kerk hielden de zijbeuken op; de verlengde middenbeuk, eindigend bij een rechte achtermuur, was het koor. Daar stond het altaar. (Rond 1370 werd het koor nog verlengd.) De muren waren opgetrokken uit baksteen, een vrij nieuw materiaal. De kerk had een flauw hellend puntdak.
Over de inrichting en de versieringen van deze kerk weten we helaas vrijwel niets. Maar zoals gebruikelijk zullen er tegen de pilaren de nodige heiligenbeelden gestaan hebben, zeker dat van Sint Nicolaas, de patroonheilige. Maar dat was nog niet het beroemde zilveren Nicolaasbeeld dat na de Alteratie in 1578 door de protestanten tot muntgeld werd omgesmolten, want dát werd pas in 1522 gemaakt.
In de kerk werden natuurlijk allereerst veel missen opgedragen, maar het was ook de vertrekpunt voor processies. Allereerst de overal gebruikelijke Sacramentsprocessie, vlak na Pinksteren. Maar specifiek voor Amsterdam werd de Mirakelprocessie in maart. Die herinnerde aan het Mirakel van Amsterdam, dat volgens de overlevering plaats vond in de kleine uurtjes van 16 maart 1345. In een huis in de Kalverstraat nuttige een stervende man een heilige hostie, symbool van de kracht van Christus zelf. Maar hij moest overgeven; zijn vrouw gooide het braaksel in het vuur. De volgende ochtend vond ze de hostie ongeschonden tussen de haardas. De wonderhostie werd in optocht naar de Nicolaaskerk gebracht. Maar hij keerde miraculeus terug naar de Kalverstraat. Daar werd toen maar een kapel gebouwd: de beroemde Heilige Stede alias Nieuwezijds Kapel. Wat er van waar is valt niet na te gaan, maar dát er iets gebeurde staat vast. Al in 1346 werd het wonder door de Utrechtse bisschop officieel erkend. Amsterdam werd een pelgrimsoord en de Oude Kerk deelde in die glorie.
Maar er gebeurde veel meer in en om de kerk. Ze was het centrum van het hele – van religie doordrenkte – stadsleven. Er waren die eerste eeuw nog geen andere kerken in de stad, laat staan kloosters; vóór omstreeks 1350 was er zelfs nog geen stadhuis. De kerk was een dagelijkse ontmoetingsplaats voor de burgers. Op den duur liep dat wel eens uit de hand. Toen werd handeldrijven in de kerk verboden, kinderen mochten er niet meer dobbelen, ballen en hinkelen en prostituees mochten noch in de kerk noch op het kerkhof hun beroep uitoefenen. Maar de zeilmakers mochten er soms wel hun zeilen spannen.
Maar dan hebben we het al over de veel grotere ‘hallenkerk’ (met drie even grote beuken) die rond 1390 de kerk uit 1306 verving, de kerk waarvan het middenschip in 1512 werd verhoogd, die tussen 1500 en 1570 werd uitgebreid met een krans van kapellen, in 1566 werd geplunderd en in 1578 een kale protestantse kerk werd. Dat is een verhaal apart. Ons relaas over de eerste eeuw eindigt in 1408, toen bisschop Frederik van Utrecht de Amsterdammers toestond een tweede parochiekerk te bouwen bij de Dam. Die werd al snel de Nieuwe Kerk genoemd – en pas toen werd de Nicolaaskerk ‘de Oude’.
 

Delen:

Jaargang:
2006 58

Gerelateerd

In de schaduw van de macht
In de schaduw van de macht
Verhaal 25 januari 2011
​​​​​​​Aanzienlijken, burgermenschen en het gemeen
​​​​​​​Aanzienlijken, burgermenschen en het gemeen
Recensie 28 december 2010
Architect Philip Warners, 1888-1952
Architect Philip Warners, 1888-1952
Markante Amsterdammers 23 december 2010