Nummer 2: Februari 2014 - Heineken neemt Hooiberg over

Op 25 februari 1864 zette de 22-jarige Gerard Adriaan Heineken zijn handtekening onder de acte waarmee bierbrouwerij de Hooiberg zijn eigendom werd. Die brouwerij aan de Nieuwezijds Achterburgwal was opgericht in de 16de eeuw en dus van een eerbiedwaardige ouderdom. De piepjonge nieuwe eigenaar moest nog moeite doen om meerderjarig verklaard te worden. Dat was je toen pas op je 25ste. Maar de kiem voor het latere wereldconcern was gelegd.

In de zomer van 1863 zette Heineken de eerste stappen om brouwerij De Hooiberg aan de Nieuwezijds Achterburgwal over te nemen. Op 30 juni sprak hij met de drie commissarissen van de brouwerij die sinds 1855 een NV was en Maatschappij de Hooiberg heette. Het gebeurde ten huize van Willem Frederik Heshuysen op de Herengracht bij de Reguliersgracht. Met de aanhef “Lieve Moes” deed Heineken jubelend verslag aan zijn buiten de stad verblijvende moeder. Hij woonde nog in het ouderlijk huis Singel 132, waar ooit P.C. Hooft resideerde. De andere commissarissen, aangeduid als  “H en Roelofsen”, waren jhr. Henrik Hoeufft van Velsen en Jan Hendrik Roelofsz. Het kapitaal bleek ƒ86.400 te zijn, “dus niet erg groot! vind U wel. Dat viel mij zeer mede.” Hoeufft raadde hem aan de meerderheid van de aandelen te verwerven, maar dat leek Heineken niks: “alles of niets”. Dat de jonge ondernemer een vreemde was in de brouwwereld, vormde geen beletsel. Hoeufft had hem die avond nog verteld dat hij iemand kende “die sinds Januarij eene brouwerij had gekocht & die sinds Paschen zoo goed als alleen dreef en er vroeger niets van wist!”

Brouwerscollege
Heineken kon op zijn gemak in het najaar op het kantoor van de brouwerij de boeken nazien en in oktober het heft al in handen nemen. De overdracht werd met terugwerkende kracht gesteld op 1 oktober 1863 en het bewaard gebleven ‘copie-brievenboek’ van zijn hand begint in die maand. Het wachten was op de statutair bepaalde datum van de algemene aandeelhoudersvergadering, de tweede maandag van december. Die viel op de 14de. De aandeelhouders stemden toe: uitbetaald zou worden ƒ300,- per aandeel (koers 100%) plus een dividend van 2%. Heshuysen stond zijn zetel in het stedelijk Brouwerscollege af aan Heineken. In de dagen erna werden zestien ‘agenten’ (groothandelaren) van de brouwerij aangeschreven. “Ik heb mij ten doel gesteld de zaak met de meeste inspanning en zorg voort te zetten en zal niets onbeproefd laten om op den duur beste kwaliteit van Bier te blijven leveren.” En passant beval hij zijn “uitmuntend Novemberbier” aan. De formele overdracht per 1 januari 1864 moest nog even uitgesteld worden “door onvoorziene omstandigheden, die niet van mij afhankelijk waren”, maar 25 februari kon hij dan een brief aan een agent in Semarang ondertekenen met Heineken & Co. “Sinds de zaken van de Maatschappij aan ons zijn overgegaan, legden wij ons vooral toe om deugdzaam bier voor de Oost-Indiën te vervaardigen en houden wij ons overtuigd, dat UEd de kwaliteit van ons bier beter zult vinden dan het vroegere Hooibergbier.”

Ondergistend bier
De zelfverzekerde jonge directeur was een zoon van Cornelis Heineken (in 1862 op 62-jarige leeftijd overleden) en Anna Geertruida van der Paauw. Cornelis had met zijn broers de handel in kaas en boter voortgezet die hun vader in de Bataafse Tijd was begonnen. In 1870 werd nog een werknemer in het zonnetje gezet wegens zijn 60-jarig (!) dienstverband. Cornelis was ook grootaandeelhouder en commissaris van een in 1841 opgerichte verzekeringsmaatschappij, waarvan zijn jongere broer Adriaan Gillis directeur was. De weduwe ‘Moes’ Heineken was dus niet bepaald onbemiddeld en voor de aankoop van de brouwerij kon zoon Gerard onbeschroomd bij haar aankloppen.
Maar wat had hij eigenlijk overgenomen? In de bedrijfsgeschiedenis – elk jubileum is goed voor een boek – wordt De Hooiberg steevast afgeschilderd als een bijna failliete tent die door het heerlijk heldere inzicht van Heineken tot bloei kwam, vooral toen hij overstapte op het gewilde ondergistende ‘Beijerse’ bier. Dat beeld behoeft enige nuancering. De Hooiberg was na de stichting verschillende malen in andere handen overgegaan tot het in 1744 op een veiling door elf mensen gekocht werd nadat de vorige eigenaar – die op veel te grote voet had geleefd – failliet was gegaan. Deze Theodorus de Fries had met geld van zijn schoonfamilie wel fors geïnvesteerd: zo waren er bij de Zaagmolenpoort een molen gekocht om mout te vermalen en een mouterij gebouwd. Ook was de mouterij op de Nieuwezijds Voorburgwal (die in verbinding stond met de brouwerij) verbouwd tot pakhuis en het woonhuis ernaast (Die Port van Cleve of Huis te Kleef genaamd) kreeg een nieuwe gevel met gelijkvormige ronde geveltoppen.

Stoombrouwerij
De firma heette nu Pieter Bolten & Co naar de brouwmeester die met zijn familie de helft van de aandelen bezat. De brouwerij floreerde en was eind 18de eeuw de grootste van Holland. Op de Achterburgwal werden een pakhuis en aanpalend pand naast de brouwerij erbij getrokken, alsook een pakhuis verderop bij de Gasthuismolensteeg (met reservoir voor het Vechtwater). Tevens nam men op het Roeterseiland een mouterij over. De eerste decennia van de 19de eeuw bloeide de zaak nog steeds, al waren de brouwerijen ’t Haantje (Krombooms Sloot) en De Gekroonde Valk (Hoogte Kadijk) inmiddels De Hooiberg voorbijgestreefd.
Maar allengs ging het minder en door het passeren van dividend zakte de balanswaarde. In 1855 werd er ingegrepen: de 80 erfgenamen van de kopers van 1744 stichtten een NV, waarbij de koers van het aandeel werd bepaald op ƒ300,- (70% van wat het geweest was).
Helaas liep de brouwmeester/directeur bij terugkeer van een dienstreis ’s avonds de gracht in en verdronk. Zijn opvolger moest de zaak nu op de rails zetten. Er werd fors geïnvesteerd: de Hooiberg was in 1856 de tweede brouwerij in Nederland die overging op stoomkracht (in Haarlem waren ze eerder). Ook werd begonnen met de productie van ‘Beijersch bier’ en het lichtere ‘Lager’, naast het traditionele bovengistende ‘Prinsessebier’ en het Engelse ‘Ale’. De resultaten vielen tegen. Het rendement stond vooral onder druk omdat het steeds populairdere ‘Duitse’ bier alleen ’s winters gebrouwen kon worden en bovendien ruim tweemaal zo zwaar werd belast als bovengistend bier. Zo was de situatie ten tijde van Heinekens overname. Die fiscale hobbel zou drie jaar later in 1867 door wetswijziging genomen worden.
De opmars van Heinekenbier begon pas echt na de verhuizing van de brouwerij naar nieuwbouw bij de Singelgracht in januari 1868. Niet met het ‘Beijersch’, maar met het lichte ‘Lager’. Het bedrijfscomplex van De Hooiberg werd eind 1895 afgebroken. In de Spuistraat kwam het grote postkantoor, aan de Nieuwezijds Voorburgwal café-restaurant Die Port van Cleve.

Marius van Melle & Niels Wisman
Februari 2014