Nummer 6: Juni 2007 - Diaconaal dorp aan de Amstel



Diaconaal dorp aan de Amstel
Amstelhof gesloten na 325 jaar ouderenzorg
Tekst: Niels Wisman

062007_AmstelhofAchter de lange gevel van voormalig verpleeghuis Amstelhof tussen Nieuwe Heren- en Nieuwe Keizersgracht wordt vanaf deze zomer gebroken en gebouwd. Dit voorjaar verlieten de laatste bewoners het huis en in 2009 neemt de Amsterdamse dependance van de Hermitage in Sint-Petersburg hier zijn intrek. Daarmee is een einde gekomen aan bijna 325 jaar ouderenzorg op deze fraaie locatie.

Met de verbouwing van Amstelhof zet Hermitage Amsterdam een traditie voort. Al sinds de opening van het Diaconie Oude Vrouwenhuis in 1683 hebben timmerlieden, metselaars en andere vaklui de bewoners regelmatig uit de slaap gehouden. Het huis werd opgeleverd als een strak vierhoekig complex in de traditie van het classicisme. De zalen en vertrekken waren aangelegd rondom een grote binnenplaats en twee kleinere binnenhoven in de zijvleugels. Al spoedig moest er worden uitgebreid en sindsdien heeft men in de loop van drie eeuwen met grote ijver doorgebroken, overkapt, aangebouwd en natuurlijk ook weer afgebroken. De buitenkant liep onder al dit geweld weinig schade op en zal bij de huidige ombouw tot museum ook onaangetast blijven.
Het opvallendst aan het pand zoals dat in de 17de eeuw werd neergezet, was de symmetrisch ingedeelde voorgevel die met een lengte van 76 meter het niet veel later gebouwde stadhuis op de Dam naar de kroon stak. De fraaie hoofdingang in het midden was alleen voor de sier aangelegd en kon niet open. Van de twee kleinere zij-ingangen was alleen die aan de kant van de Nieuwe Herengracht echt in gebruik. De grote kerk- en eetzaal achter het midden van de gevel was na de Burgerzaal in het stadhuis de grootste in de stad en werd ook wel uitgeleend voor officiële gelegenheden die niet direct te maken hadden met het huis.
Behalve deze kerkzaal worden ook de Regenten- en Regentessenkamers op de hoeken van het pand aan de Amstelzijde bij de huidige verbouwing tot museum gespaard en zelfs zoveel mogelijk teruggebracht in historische staat. Hetzelfde geldt voor de 18de-eeuwse kelderkeuken in de voorvleugel. In de hier nog steeds te bewonderen reusachtige, in baksteen gevatte kookpotten werden tot in de tweede helft van de 19de eeuw de karige maaltijden voor honderden bewoners bereid.

Mannenkelder
Het Diaconie Oude Vrouwenhuis aan de Amstel werd gesticht door de Nederduits Gereformeerde Gemeente (de latere Hervormde Gemeente) op grond die door de stad beschikbaar was gesteld. De bouw was mogelijk dankzij een royaal legaat van de rijke Amsterdammer Barend Helleman. In de wandeling werd de instelling al snel het ‘Besjeshuis’ genoemd, ook toen het na een verbouwing aan de achterzijde in 1718 was omgedoopt tot Diaconie Oude Vrouwen en Mannen Huis. Het stukje Amstel voor het huis stond ook wel bekend als de ‘Besjesgracht’.
De eerste vrouwen woonden in kamertjes voor vier personen in de zijvleugels en achtervleugel, maar op den duur werden steeds meer gemeenschappelijke slaap- en ziekenzalen ingericht. De vrouwen waren voor 18de-eeuwse begrippen redelijk goed gehuisvest, maar de mannen hadden het slecht getroffen. Ze deelden met zijn allen een lage zaal in een aanbouw aan de achtervleugel, die veelzeggend ook wel werd aangeduid als de ‘kuil’ of ‘mannenkelder’.
“Die ’t reglement overtreden, worden door diakenen of diaconessen bestraft of, zo woorden niet baten, aan ene afgezonderde tafel, de schandtafel genaamd, met geringer spijze vertoefd,” meldt stadsgeschiedschrijver Jan Wagenaar in 1760 over het regime in het Besjeshuis in de 18de eeuw. Het pand mocht door de bewoners niet naar eigen goeddunken worden verlaten en ’s avonds na 9 uur moest het overal donker en stil zijn. Eenmaal per week kwam de dokter langs en één keer per jaar werden kleding en schoeisel uitgereikt. Een lichtpuntje was voor sommige bewoners in de 18de eeuw misschien dat er altijd genoeg bier was. Betrouwbaar drinkwater was in deze tijd schaars en duur. Het huis beschikte aan de Amstel op de hoogte waar later Carré is gebouwd over een eigen brouwerij, waar overigens bier met een zeer laag alcoholpercentage werd bereid.
Het Oude Vrouwenhuis bood bij opening onderdak aan 368 vrouwen en dat was voor toenmalige begrippen uitzonderlijk veel. Tot in de 19de eeuw zou het tehuis het grootste van Nederland zijn. Het aantal bewoners nam verder toe door de opening van de mannenafdeling en de groei zou de komende eeuwen aanhouden. De economische achteruitgang van de 18de eeuw stuwde het getal van hulpbehoevende Amsterdammers op en vooral in de 19de eeuw zou de nood grote proporties aannemen. Het hoogste aantal bewoners werd bereikt toen in het laatste kwart van de 19de eeuw de Amsterdamse bevolking explosief ging groeien. Rond 1900 woonden in het inmiddels flink uitgebreide complex tussen Amstel, Nieuwe Keizersgracht, Weesperstraat en Nieuwe Herengracht zo’n 1000 mensen. Dat moet ondanks de gerealiseerde aan- en nieuwbouw toch erg krap geweest zijn.

Merkwaardig uniform
“Regentesse, wat doet de slager elleke dag voor de Ossenpoort met z’n kar?” De Ossenpoort was de ingang van het Besjeshuis waardoor koeien voor de slacht naar binnen gebracht werden, en deze retorische vraag werd in het toneelstuk Bloeimaand van Herman Heijermans gesteld door een bewoner. In het stuk – dat in 1904 in Amsterdam werd opgevoerd – was meer kritiek te horen op de gang van zaken in het huis, waar de bejaarde schoonmoeder van de schrijver enig tijd gewoond had. Je kreeg niet alleen te weinig vlees, maar het eten was ook nog eens waterig, als je de bel niet op tijd gehoord had kwam je de eetzaal niet meer binnen, en klagen kon je beter uit je hoofd zetten: “Dan kenne ze je zo pèste, dat je ’t bezuurt tot je in je houte pallotje ligt.” Over het toneelstuk ontstond enig rumoer en journalisten kwamen kijken of het echt zo erg was. Hun conclusie was dat het wel meeviel, maar de regenten en regentessen hadden natuurlijk wel geweten dat de pers kwam.
De heren regenten resideerden in een mooie kamer op de hoek van Amstel en Nieuwe Herengracht en vormden het bestuur van de instelling. De dames regentessen hadden een prachtig vertrek op de hoek met de Nieuwe Keizersgracht en bestierden samen met het leidinggevend personeel de dagelijkse gang van zaken in het huis. Tot in de jaren dertig van de 20ste eeuw was donderdag ‘Regentessendag’ en kwamen de dames gehuld in hun uniform per koets naar het tehuis om te controleren of alles goed ging. Ze droegen dan traditioneel een zwart kostuum, een zwart mutsje en een schortje, gecompleteerd met een reusachtige kasjmieren sjaal die als een mantel aan de voorkant werd dichtgespeld. De dames sloegen zelden een donderdag over, behalve die ene keer rond de eeuwwisseling die door historica Isabel van Eeghen in 1951 werd geboekstaafd in het Maandblad Amstelodamum: “Eenmaal gebeurde het op een koude winterdag dat een onvoorzichtige koetsier op het einde van de Keizersgracht niet draaide, maar de Amstel opreed. Dankzij het dikke ijs kwamen de vier inzittende regentessen in hun merkwaardige uniform met de schrik vrij.”

Verstilde oase
De groei van het aantal bewoners in de 19de eeuw was behalve door aanbouw van nieuwe vleugels en overkapping van de binnenhoven in de zijvleugels mogelijk doordat op het terrein achter het Oude Vrouwen en Mannenhuis een aantal nieuwe gebouwen was verrezen: al in 1725 het Corvershof voor behoeftige oudere echtparen, in 1789 het Bestedelingenhuis voor bijzonder kwetsbare armen van verschillende leeftijden, en in de tweede helft van de 19de eeuw achtereenvolgens een Gesticht voor Gehuwden, het gebouw van de Magdalena Hodshon Stichting en dat van de Van Limmikstichting. Ook in de laatste drie huizen woonden ouderen en zo ontstond tussen Amstel en Weesperstraat een ‘diaconaal dorp’ dat in de drukke stad een wereldje op zichzelf was.
“En als ge tenslotte door den fraaien tuin wandelt, die uitzicht geeft op een aantal diaconale instellingen, dan kan zich een wonderlijk gevoel van u meester maken,” lezen we in De helpende hand, een boekje van de Hervormde Diaconie uit 1936. “Ge vergeet dat ge u in het hart van de stad bevindt: geen gerucht van buiten klinkt tot u door; even, als ook het ruischen van den wind in de boomtoppen ophoudt, kunt ge van heel ver het geklingel van de tram horen.” In de jaren die volgden maakte dat geklingel van de tram plaats voor het permanent geraas van het verkeer over de Weesperstraat, maar het verpleeghuis bleef een verstilde oase in hartje stad.
Vanaf 1953 Amstelhof geheten, ontwikkelde het tehuis zich sindsdien in overeenstemming met de tijdgeest. Het werd een echt Amsterdams verpleeghuis met uitstapjes naar de terrassen van het Rembrandtplein en een geheel eigen sfeer. Beroemd werd de in 1966 ingevoerde ‘ober’: een personeelslid dat achter een wagentje met advocaat, frisdrank en jenever de afdelingen rondging.
Plannen om de bewoners van Amstelhof in andere huizen onder te brengen bestonden al langer, maar tot voor enkele jaren werden die steeds weer afgeblazen. In de jaren zeventig van de vorige eeuw werd het hele pand nog een keer grondig onder handen genomen. Alle aanbouwsels die aan het complex waren vastgegroeid werden toen afgebroken en in de binnenhoven van de zijvleugels werden met betonconstructies moderne dienstruimten gebouwd. Inmiddels voldoen ook de toen aangebrachte verbeteringen niet meer aan de normen die tegenwoordig in de zorg gelden, en tot een nieuwe verbouwing als verpleeghuis is het dit keer niet gekomen. De regionale zorginstelling Cordaan heeft de bewoners nu in overleg weten te plaatsen bij eigen huizen elders of bij collega-instellingen in de stad.

Kunsttempel
Een bestemming als museum zat er voor het Besjeshuis aan de Amstel al heel lang in. Begin 19de eeuw zou op deze plaats een Paleis van Kunsten en Wetenschappen komen, een prestigeproject van Lodewijk Napoleon die tussen 1806 en 1810 ‘koning van Holland’ was. Er werd zelfs een serieus ontwerp voor gemaakt, maar de koning regeerde te kort om de plannen werkelijkheid te laten worden. Nog in 1952 toonde het Rijksmuseum belangstelling voor het complex om er een kunstnijverheidsmuseum in onder te brengen. Omdat het kabinet na de grote watersnoodramp van 1953 wel wat anders aan het hoofd had, kwam er niets van. De plannen voor een ‘Hermitage aan de Amstel’ dateren van rond 2000 en het beroemde Russische museum heeft inmiddels al een klein filiaal aan de Nieuwe Herengracht. In vergelijking met wat er straks komt, is dit nog maar kinderspel.
“Door de Ossenpoort betreedt het publiek de binnenplaats, steekt deze over en komt de Hermitage Amsterdam binnen in de tuinvleugel aan de oostzijde.” Aldus het ontwerp voor de verbouwing van Amstelhof tot museum van architect Hans van Heeswijk. Achter de gevel van Amstel 51 wordt weer eens verbouwd en het belooft groots en prachtig te worden. Zoals dat in het verleden met het Oude Vrouwen en Mannen Huis wel vaker ging, blijven de oudste elementen gespaard, maar worden de recentere sporen uitgewist. Waar eens de slachtkoeien hun droevig lot tegemoet gedreven werden, wandelen straks montere toeristen de kunsttempel binnen.