Nummer 10: Oktober 2006

102006_Cover


Op het omslag: Buurvrouwen op de balkons van hun woningen in de Camperstraat (achter het Onze Lieve Vrouwe Gasthuis) gefotografeerd in 1912. Gemeentearchief.

- 25 jaar Stadsdelen
- Moord in de sneltrein
- Architect Theo Bosch
- Gestapeld wonen
- De wereld in stukjes
- Gezongen stadsnieuws





25 jaar Stadsdelen
Wat vinden bestuurders en Amsterdammers van de decentralisatie?
Tekst: Eric Slot

102006_StadsdelenTwee van de tien Amsterdammers is ontevreden over het functioneren van hun stadsdeel. Vier van de tien willen de stadsdelen zelfs afschaffen, aldus een enquête van de Dienst Onderzoek en Statistiek (O+S) uit 2005. Het betekent ook dat zes van de tien inwoners de stadsdelen willen behouden. 54% is zelfs (héél) tevreden. Kortom: er zijn nog steeds voldoende voorstanders én tegenstanders om de discussie levendig te houden, ook nu de eerste stadsdelen precies 25 jaar geleden werden ingesteld.

De aanzet tot de bestuurlijke hervormingen dateert van begin jaren zestig. In juli 1963 schopten Ban de Bom-demonstranten een rel tijdens een NAVO-taptoe in het Olympisch Stadion, waar ook gespeeld werd door het militaire muziekkorps van Portugal – destijds geregeerd door dictator Salazar. De politie sloeg de demonstratie hard uiteen, te hard vonden velen. Maar burgemeester Gijs van Hall vond het optreden gerechtvaardigd, op enkele excessen na. Volgens de Algemeen Handelsblad-journalist Hans van Mierlo liepen er in de stad echter honden met agenten aan de lijn.
Sindsdien werd de Amsterdamse politie geconfronteerd met een reeks van ordeverstoringen, waarop ze met harde hand reageerde. In 1966 brak het Bouwvakkersoproer uit. Op 13 juni dat jaar demonstreerden bouwvakkers tegen korting op hun vakantiegeld. Tijdens die demonstratie overleed de 51-jarige voeger Jan Weggelaar. Met gummiknuppels doodgeslagen, meenden de demonstranten; overleden aan een hartaanval, schreef De Telegraaf. De krant had gelijk, maar toch werd het gebouw van De Telegraaf op de Nieuwezijds Voorburgwal de volgende ochtend het doelwit van boze bouwvakkers.
De Telegraaf-rellen (zoals de gebeurtenissen ook werden genoemd) waren voor de regering aanleiding om de achtergronden van de ordeverstoringen in de hoofdstad te onderzoeken. De belangrijkste conclusie was dat het bestuur in Amsterdam regenteske trekken vertoonde en dat er een grote kloof tussen bestuur en bevolking van de stad bestond.
Niet dat er onmiddellijk iets veranderde. Nog geen tien jaar later braken de Nieuwmarktrellen uit en de kloof tussen bestuur en bevolking leek groter dan ooit. Op 24 maart 1975 begon de politie met het ontruimen van de woningen die moesten wijken voor de aanleg van de metro. Zeventien uur lang stonden demonstranten en ME tegenover elkaar. De binnenstad was het toneel van een ware veldslag. Drie jaar later werd het principebesluit tot bestuurlijke decentralisatie genomen.
Het idee kwam van Michael van der Vlis, wethouder Ruimtelijke Ordening voor de Partij van de Arbeid. De PvdA kreeg begin jaren zeventig veel nieuwe leden die iets met de stad wilden, mensen die in het ‘buurtgerichte actiewezen’ al de nodige ervaring hadden opgedaan met de logheid van het ambtelijke apparaat. ‘Vlis’ – zoals de wethouder werd genoemd – schreef met anderen de nota Macht voor de wijken, waarin één gedachte centraal stond: “Inspraak zonder uitspraak deugt niet, uitspraak zonder inspraak evenmin.” Om die kreet waar te kunnen maken, werd voorgesteld te decentraliseren, macht aan de wijken te geven. Een groot deel van het ambtelijke apparaat en een deel van publieke diensten als het Bevolkingsregister zouden worden opgesplitst en over die wijken verdeeld, net als het dagelijks bestuur.
Er was vrij snel een politieke meerderheid voor decentralisatie, maar men kon het niet eens worden over het aantal stadsdelen. CDA en VVD wilden er zeven, de linkse partijen wilden vooral kleine stadsdelen. De CPN was helemaal tegen. Niet zozeer vanwege het principe, maar vanwege het feit dat de partij – in die tijd nog een politieke factor van enige betekenis – juist in de wijken sterk was georganiseerd. Dát was de angst van de communisten: dat hun macht in de wijken zou worden gebroken. Sterker: het breken van die macht was binnen de PvdA een van de bijkomende redenen tot decentralisatie, al zal dat door de betrokkenen (nog steeds) niet hardop worden gezegd. In één moeite door kon de macht van Publieke Werken – een staat in een staat – worden beperkt.
Hoewel dus een meerderheid vóór wijziging was, raakte de discussie in een impasse, vooral omdat burgemeester Ivo Samkalden – portefeuillehouder bestuursorganisatie – tégen decentralisatie was en sterk in het uitstellen van besluiten en het opwerpen van juridische drempels. Toch werd in 1978 een principebesluit genomen en op 3 juni 1981 besloot de gemeenteraad tot een proef met twee stadsdelen: Noord en Osdorp.

‘Een bewaarschool met een fopspeen’
De stadsdelen die waren aangewezen om het spits af te bijten waren heel bewust gekozen: een groot en een klein stadsdeel zodat de juiste maat genomen kon worden. Beide lagen bovendien ver van het centrum, figuurlijk én letterlijk. Ver weg van het Bevolkingsregister op de Herengracht, waar alle Amsterdammers heen moesten voor hun paspoort en rijbewijs, en voor aangifte van huwelijk, geboorte en overlijden. De afstand tot dat loket verkleinen zou de acceptatie van het stelsel van stadsdelen sterk vergroten, hoopte men.
De VVD, de PSP en de CPN waren overigens tegen de proef. De VVD wilde wel, maar alleen als er op korte termijn ook een provincie Groot-Amsterdam zou komen waarin de stadsdelen zouden fungeren als zelfstandige gemeenten. Die stadsprovincie zou er evenwel nooit komen. PSP en CPN waren tegen omdat geen rekening was gehouden met de wensen van bewoners van beide stadsdelen. In Noord wilde men bijvoorbeeld kleinere stadsdeelraden, vergelijkbaar met bestaande wijken.
Op 28 oktober 1981 werden in Noord en Osdorp verkiezingen gehouden. De opkomst viel sterk tegen: in Noord kwam 45,4% opdraven, in Osdorp 47,2%. Bij de Tweede-Kamerverkiezingen eerder dat jaar was de opkomst in beide stadsdelen nog 84%, bij die voor de gemeenteraad (bijna) 70%. Wethouder Volkshuisvesting Louis Genet (PvdA) kon zijn teleurstelling nauwelijks verbergen. Cynisch zei hij: “Heel wat beter dan bij de deelraadsverkiezingen in Rotterdam.” Maar de opkomst zou alleen maar verder dalen. De uitslag moet Genet nog sterker hebben teleurgesteld: de PvdA verloor 35% in Noord en 25% in Osdorp – aan de CPN, maar vooral aan lokale partijen.
In beide stadsdelen deden in totaal dertien ‘belangengroeperingen’ mee (de traditionele partijen en de pers zag hen consequent niet als normale politieke partijen). In Noord onder meer Huurdersvereniging Noord en Belangen Partij Noord (lijsttrekker Simon Brinkhuysen: “Sommige van onze kandidaten zijn zelfs in Noord geboren”), in Osdorp onder andere Osdorp Onafhankelijk Zelfbestuur en Osdorp ’81. Alleen deze genoemde vier kregen zetels, maar waren gezamenlijk wel direct goed voor 16% van de stemmen. Het was de consequentie van het beginsel ‘macht voor de wijken’, maar toch bleef de PvdA in Noord en in Osdorp de grootste partij (zij het in het laatste stadsdeel alleen qua stemmen).
“De stadsdeelraad is een bewaarschool met een fopspeen, maar ik zal er voor knokken dat wij als partij iets te vertellen krijgen,” aldus Gère Paulussen van Belangen Partij Noord tijdens een verkiezingsbijeenkomst in het Zonnehuis. Osdorp Onafhankelijk Zelfbestuur (OOZ) zette ook meteen hoog in en eiste ƒ 120 miljoen van het gemeentebestuur. De rekensom was eenvoudig: de begroting van de hele stad was 2,4 miljard ofwel 3400 per inwoner. “Over zo’n bedrag willen wij ZELF kunnen beschikken. WIJ WILLEN NIET AFHANKELIJK BLIJVEN van de welwillendheid van de Amsterdamse gemeenteraad…” Die ƒ 120 miljoen zou Osdorp (uiteraard) niet krijgen.
Een andere eis van OOZ was een eigen ambtenarenapparaat, “opdat wij ons EIGEN BELEID kunnen bepalen” – maar veel ambtenaren kregen de stadsdelen niet: Osdorp in het begin exact vijftien. De begrotingen hadden ook niet veel om het lijf; veel meer dan een “eigen geldje” was het niet. Pas in 1990 zou er een Stadsdeelfonds komen. De stadsdelen Noord en Osdorp werden de wereld ingeschopt – en dan nog wel een boze wereld, aldus adjunct-gemeentesecretaris Hans Moor, tussen 1985 en 1991 belast met de ambtelijke leiding over de bestuurlijke decentralisatie.

‘Wijkburgemeesters’
De inwoners en de toekomstige bestuurders van Noord en Osdorp was van alles beloofd. Tal van bevoegdheden zouden door het gemeentebestuur worden overgedragen. Het stadsdeelbestuur zou zeggenschap krijgen over “praktisch alle belangrijke zaken” behalve “bovenwijkse” – aldus een verkiezingsfolder. In de officiële verordeningen werd het bepaald niet concreter geformuleerd. Daarin heette het: “Alle bevoegdheden van het gemeentebestuur komen in aanmerking voor overdracht, indien wettelijk toegestaan.” Een zin die bovendien werd gevolgd door het al even vage: “Overdracht van bevoegdheden mag geen belemmering vormen voor het functioneren van de gemeente als geheel.”
Maar zelfs concrete beloften werden niet nagekomen. Verschillende publieke diensten zouden in de twee stadsdelen worden gevestigd: Herhuisvesting, Bevolkingsregister, Sociale Dienst. Tien jaar later moesten de ‘wijkburgemeesters’ constateren dat Bevolkingsregister én de Sociale Dienst centraal georganiseerd bleven – en nog veel meer bevoegdheden werden uiteindelijk niet overgedragen. “Iets lulligs” (aldus Ger de Visser, de eerste deelraadvoorzitter van Noord) als het marktwezen bijvoorbeeld – “en dat eindeloze gelazer over de riolering”.
De belofte dat het een proef van twee keer vier jaar zou zijn, werd ook al niet ingelost. Al in 1982 besloot de gemeenteraad vroegtijdig te evalueren, lees: door te gaan met decentraliseren. In 1986 werden vier nieuwe stadsdelen ingesteld: Zuidoost, Watergraafsmeer, Buitenveldert en de Pijp. Vier jaar later kwamen er nog tien bij. Intussen had de bestuurlijke decentralisatie een nieuw motief gekregen: bezuinigingen. Met de komst van meer stadsdelen, trok de centrale stad de touwtjes zelfs weer strakker aan. De centrale stad gaf zichzelf de mogelijkheid projecten de status ‘grootstedelijk’ mee te geven. Zo werden de vernieuwing van het Oostelijk Havengebied en de uitbreiding van de RAI (het complex lag in drie stadsdelen!) grootstedelijk verklaard – en had het Museumplein dat volgens velen moeten worden.
Zestien stadsdelen, in een tijd dat in de rest van Nederland de bestuurlijke dichtheid juist te groot werd gevonden en gemeenten werden samengevoegd. Zelfs raadsleden en wethouders wilden er minder. CDA-fractievoorzitter Rendert Algra wilde al begin jaren negentig dat zijn Westerpark zou fuseren met Oud-West. Hij vond acht stadsdelen wel genoeg; Hermans Wals – hij was voor D66 raadslid in Noord en wethouder in Zuid – dacht aan maximaal zeven.
De stadsdelen Westerpark, Bos en Lommer, De Baarsjes en Oud-West zijn inderdaad erg klein. Een fusie met andere stadsdelen, zou voor alle vier niet alleen geografisch, maar ook financieel een stap vooruit hebben betekend. De ideale schaal voor een gemeente is 30 tot 80.000 inwoners, aldus adjunct-gemeentesecretaris Moor. Alle vier komen net boven het minimum van 30.000 uit. Maar geen van deze vier fuseerden, zes andere stadsdelen eind jaren negentig wel: Oost en Watergraafsmeer plaatsten een schuine streep tussen hun beider namen, Buitenveldert en de Rivierenbuurt pikten de Prinses Irenebuurt van Zuid af en noemden zich ZuiderAmstel en Zuid en de Pijp heten nu Oud Zuid. Dat bracht het aantal stadsdelen op dertien. In 2001 kwam er daar weer één bij: Binnenstad.
Het bedrijfsleven was geen voorstander van een stadsdeel Binnenstad. Voorzitter R. de Vilder van de Kamer van Koophandel riep in 1991 tegen elke journalist dat hij “gewoon ordinair tegen” het stelsel als geheel was en vooral tegen een stadsdeel Binnenstad. De Vilder: “De functie van de binnenstad is immers grensoverschrijdend.” Er wonen minder mensen dan er werken en die minderheid zou het toch voor het zeggen krijgen.
Ook oud-wethouder Jan Schaefer (PvdA) ageerde tegen een stadsdeel Binnenstad. Hij richtte de partij Referendum op, met maar één doel: meedoen aan de verkiezingen voor dat stadsdeel en bij een meerderheid in de raad het stadsdeel opheffen. Een idee dat overigens bij de laatste stadsdeelraadverkiezingen weer eens uit de kast werd gehaald. Maar een stadsdeel kan alleen door het gemeentebestuur worden opgeheven. Dat stadsdeel Binnenstad kwam er dus, ondanks een referendum waaruit bleek dat 87% van de bevolking tegen was (alleen werd de kiesdrempel niet gehaald).

Zestien koninkrijkjes
De VVD wil nog steeds minder stadsdelen: zes – en wel Noord, Zuid, Oost, West (eventueel te delen in Oud-West en Nieuw-West), Zuidoost en Binnenstad. In 2006 publiceerde oud-wethouder Economische Zaken Mark van der Horst het boekje Bestuurlijke spaghetti. Zijn stelling: het openbaar bestuur kan en moet effectiever en efficiënter. Niet door de zoveelste bestuurlijke vernieuwing, maar door vermindering. “Afslanken!” aldus de man die begon als raadslid in Oud-West en daarna wethouder in Zuidoost werd. “Er zijn zoveel politici, bestuurders en bestuursorganen dat we niet meer weten waar we mee bezig zijn en niet meer weten wie wat doet.” Collega-wethouder Hester Maij (CDA) werd er off the record af en toe ook gek van: nadat zij eerst met vijftien stadsdeelvoorzitters over milieu had gepraat, deden zestien ambtenaren het nog eens dunnetjes over. Zestien koninkrijkjes, met honderden raadsleden – waar steden als New York en Los Angeles het met ongeveer vijftig gekozen raadsleden doen.
In 1992 stelden de stadsdelen een verzameling krantenknipsels samen getiteld Beeldvorming van de stadsdelen in de media – voor de noodzakelijke reflectie. Vrolijk kunnen bestuurders en raadsleden er niet van zijn geworden. “Amsterdam en de lantaarnpaleninspraak,” kopte NRC Handelsblad boven een artikel over tien jaar stadsdelen. Trouw: “De deelraden brengen niet de democratie maar de bureaucratie dichter bij de burgers. Het blijkt niet te gaan om kweekvijvers van bestuurlijk talent, maar eerder om afvalbakken. De stadsdeelraden verdelen Amsterdam in dorpen met elk z’n eigen dorpspolitiek.”
Veel ging inderdaad mis. Competentiestrijd tussen de centrale stad en de stadsdelen (denk aan de actie ‘Redt het Olympisch Stadion van het stadsdeel’), concurrentie tussen de stadsdelen onderling (na Osdorp wilden ook Noord en Watergraafsmeer een eigen crematorium – maar was drie niet te veel voor de stad?) en gebrek aan samenwerking: sinds eind jaren zestig werd de gezondheid van de Amsterdamse bomen vanuit de lucht via infrarood foto’s gecontroleerd, maar sommige stadsdelen hadden daar geen geld voor over.
En dan waren er nog tal van affaires: ‘spookraadsleden’ verschenen niet of zelden op vergaderingen, bouwopdrachten werden gecompenseerd door het opknappen van voetbalkantines, stadsdelen onder curatele, het bevoordelen van bevriende stadsdeelgenoten uit EU-fondsen, laster. Een kwestie op zich was de coalitie die PvdA smeedde in Watergraafsmeer om Meerbelangen buiten de raad te houden.
Zijn de Amsterdammers/stadsdeelbewoners er nu per saldo op vooruitgegaan? En is de politiek nu dichter bij de burger geraakt? O+S deed na 2005 nóg een onderzoek naar de populariteit van de stadsdelen, speciaal voor Ons Amsterdam. Het blijkt dat Amsterdammers die met de stadsdelen zijn opgegroeid, ze willen behouden. Zij die de stadsdelen willen afschaffen zijn inmiddels van middelbare leeftijd en ouder. De straten zijn inderdaad schoner (al betaalt niet iedereen er hetzelfde voor) en Bevolkingsregister en Sociale Dienst werden alsnog gedecentraliseerd. Maar de stadsdelen hebben zich vooral onmisbaar gemaakt bij de stadsvernieuwing, het kleinschalig opknappen van wijken en buurten. Precies wat decennia eerder in de Nieuwmarkt misging. De stedelijke vernieuwing van de Bijlmer bijvoorbeeld, was niet gelukt zonder stadsdeel Zuidoost; bij de stedelijke vernieuwing van Nieuw-West werken vier stadsdelen zelfs samen. Noord heeft zich in 25 jaar op de kaart gezet als een echt deel van de stad.
Dat betekent niet dat er geen verbeteringen mogelijk zijn, al zal het voorstel van de wethouders Lodewijk Asscher (PvdA) en Maarten van Poelgeest (GroenLinks) door sommigen vooral als een stap terug worden gezien: het vetorecht dat stadsdelen nu nog hebben inzake beleidsplannen die de hele stad betreffen, wordt afgeschaft. De macht van de stadsdelen wordt verkleind. Voor de stadsdeelbestuurders een grote teleurstelling; ze zullen vaker met de centrale stad om de tafel moeten.




Moord in de sneltrein
Raadselen rond de dood van Jacques Wijsman
Tekst: Theo van der Meer

102006_WijsmanOudejaarsavond 1921, 20.15 uur, station Holland Spoor in Den Haag. In een eersteklascoupé van de sneltrein die net uit Amsterdam is aangekomen treft een zojuist ingestapte reiziger een vermoorde man aan. Hij blijkt Jacques Wijsman te heten, is advocaat, woonachtig in Amsterdam, afkomstig uit gegoede Haagse kringen, én homoseksueel. De ‘treinmoord’ zorgde voor veel rumoer, maar werd nooit opgelost. Het geklungel van de politie was hilarisch, er werden Kamervragen gesteld en er waren onophoudelijk geruchten over homoseksuele netwerken.

31 december 1921 was zo’n typische Nederlandse winterdag: een paar graden boven nul, grijs en een druilerige regen. Vroeg in de avond was het op het Centraal Station in Amsterdam een drukte van belang van reizigers die de jaarwisseling met familie of vrienden gingen vieren. Jacques Wijsman zou zoals gebruikelijk op deze dag van het jaar – het was ook nog eens zijn verjaardag - naar zijn bejaarde ouders in Den Haag gaan. In de drukte was het hem niet opgevallen dat hij al vanaf zijn kamers op het Rokin gevolgd werd.
De trein van 19.15 naar Rotterdam via Haarlem, Leiden en Den Haag vertrok op tijd. Wijsman had helemaal achteraan in een eersteklascoupeetje plaatsgenomen, zijn achtervolger een paar coupés daarvoor. Toen de trein Haarlem naderde en vaart minderde, stond de achtervolger op, verliet zijn coupé en schoof via de treeplank naar de coupé van Wijsman. Hij stapte die binnen, trok een pistool, schoot tweemaal, stapte weer op de treeplank, en sprong op het perron zodra het rijtuig het station binnenkwam.
De beschrijving van de moord komt niet uit een detectiveromannetje, maar uit een proces-verbaal van een tweetal Haagse dienders, en werd in oktober 1923, anderhalf jaar na de moord, opgetekend uit de mond van Willy Verhoeve. Hij was een bijna 30-jarige man, die zich prostitueerde en hij zat toen hij zijn verhaal afstak wegens diefstallen in het Haagse Huis van Bewaring. Verhoeve had volgens de politiemannen in “zeer intieme gesprekken” zoveel boeiends verteld over Wijsman en diens milieu, dat ze na overleg met de officier van justitie ertoe over waren gegaan hem formeel te verhoren. Dagen waren ze ermee bezig en ze vulden uiteindelijk 26 grote vellen papier, terwijl Willy zich ongans rookte aan door hen meegebrachte sigaretten. Soms wel 30 op een dag zei hij later.
Willy Verhoeves verhaal ging over een homoseksuele vrijmetselaarsloge De Driestip, die vertakkingen had tot in Brussel en Frankfurt en die leden telde uit de adel, de rechterlijke macht en de politie. Ook Willy, ooit ‘liefdesvriend’ van Wijsman, was lid. Wijsman had volgens Willy gezondigd tegen de regels van de loge en die had besloten dat hij uit de weg geruimd moest worden. Een van de leden was door het lot - strootjestrekken - aangewezen om het vonnis ten uitvoer te leggen.
Het enige juiste aan Willy’s verhaal is dat Jacques Wijsman op oudejaarsavond 1921 in de trein van Amsterdam naar Rotterdam is doodgeschoten, en dat hij lid was van een loge: een theosofische. Verhoeve was er in het Huis van Bewaring in elk geval in geslaagd met zijn verhaal de verveling te verdrijven. Hij had er zelf erg om moeten lachen en had genoten van het rokertje dat de agenten meebrachten. De officier zei later niets van Willy’s verhaal te hebben geloofd, maar had sommige van diens beweringen toch laten checken. Ze verschilden eigenlijk niet veel van wat de recherche zelf over Wijsmans entourage heeft opgeschreven, maar eerst iets meer over het onderzoek naar de moord.
Een grote man in gabardine jas
Toen de eerste agent ter plaatse arriveerde was het lijk op last van de stationschef – die geen vertraging duldde - al uit de coupé verwijderd. De agent slaagde er nog net in de coupédeur op slot te laten doen. Pas in Rotterdam werd het rijtuig losgekoppeld en verzegeld, maar toen waren de meeste sporen al vernietigd. Een Haagse politiecommissaris zei later het flauw te vinden dat er smalend over de haast op het station werd geschreven: het was tenslotte een sneltrein.
Hoewel de identiteit van de dode binnen het uur bekend was, kreeg de bejaarde vader van Jacques Wijsman het nieuws pas te horen toen hij op nieuwjaarsochtend op het station ging informeren of er de vorige avond iets gebeurd was. Hij en zijn vrouw hadden de oudejaarsnacht in groeiende zorg over hun zoon doorgebracht. Op het station werd hij doorverwezen naar het politiebureau. Vandaar ging het naar het ziekenhuis en daar zou de man plompverloren met het stoffelijk overschot van zijn zoon geconfronteerd zijn.
Het nieuws over de moord bereikte een groot deel van het publiek pas op 2 januari, toen er weer een krant verscheen. Al snel meldde zich een verpleegster die nagenoeg tot aan Haarlem de coupé met Wijsman had gedeeld. Op het laatste moment voor vertrek uit Amsterdam was er nog een grote man in gabardine jas en met een slap artiestenhoedje ingestapt, wist ze te vertellen. De reizigers hadden niet met elkaar gesproken. De mannen waren in Haarlem blijven zitten, verklaarde ze.
In de dagen na de moord liepen politiekorpsen van Amsterdam tot Den Haag elkaar letterlijk voor de voeten bij de speurtocht naar deze man. De Amsterdamse politie arresteerde bijna een paar Zandvoortse collega’s die in Amsterdam een verdachte op het spoor meenden te zijn. Die werd inderdaad opgebracht en naar verluidt viel de verpleegster flauw nadat ze hem op het Amsterdamse politiebureau herkend had. De man in kwestie had echter zoveel alibi’s dat de politie hem na een paar dagen liet gaan. Zijn privé-leven was toen al breed in de kranten uitgemeten. De inhoud van verhoren van getuigen, en ook van deze verdachte, haalde tijdens het onderzoek nog dezelfde dag de krantenkolommen. Pas door Kamervragen werd daar een eind aan gemaakt.
Al rap diende zich in de januaridagen van 1922 het gebruikelijke leger van helderzienden, rancuneuzen en fantasten aan. Alle tips, ook die afkomstig waren van gene zijde, werden naar behoren nagetrokken. Menigeen met een grief tegen een wat groter dan gebruikelijk persoon, die in het bezit was van gabardinejas en slappe hoed, wees de speurders op zo’n verdachte. Veroordeelden boden in ruil voor onmiddellijke invrijheidsstelling aan de dader aan te wijzen. Een vrouw in Leiden, woonachtig langs de spoorlijn, had op oudejaarsavond kijkend uit haar raam een vechtpartij gezien in een passerende trein. Het zou nog veertig jaar duren voordat Margareth Rutherford als Agatha Christies Miss Marple iets gelijksoortigs zag in de film Murder she said (1961). De laatste aantekeningen uit het dossier Wijsman dateren uit 1936; toen meldde zich opnieuw iemand met een verzinsel over de moordenaar.

‘Middelpunt van homo-sexueel leven’
De moord op hun zoon moet voor het echtpaar Wijsman dubbelhard zijn aangekomen: al na een paar dagen schreef Het Vaderland dat de ouders weinig van het leven van hun zoon wisten. Uit politieonderzoek bleek hoe strak hun zoon zijn leven in hokjes had ingedeeld en hoe gesloten hij was over zijn privé- (lees ‘homoseksuele’) leven. Wijsman hield er groepen vrienden op na, die hij strikt van elkaar gescheiden hield. Zijn vrienden waren vaak niet van elkaars bestaan op de hoogte, rapporteerde een rechercheur.
Wijsman woonde op kamers op het Rokin. Daar gebruikte hij gewoonlijk alleen het ontbijt; hij had zijn hospita duidelijk gemaakt niet van haar bemoeienis gediend te zijn. Ze had ‘zelfs’ (schreef de rechercheur) geen idee wie zijn bezoekers waren. Zijn feitelijke home, “als dat dan nog zoo genoemd mag worden”, aldus het rechercherapport, had hij ten huize van acteur Gerard Vrolik, Grensstraat 18, die eerder zijn ‘intimus’ was geweest. “In dat huis bestonden de meest zonderlinge toestanden.” Wijsman was er de baas, beheerde het huishoudboekje, ontving er vrienden, - “allen homo-sexueel” - ook voor diners. Hij eet er met de huishoudster in de woonkamer, terwijl Vrolik gegriefd in de keuken zijn maaltijden verorbert. “We zijn er in een middelpunt van homo-sexueel leven. (…) Een vrouw bestiert het huishouden, ontvangt en zorgt voor het groot aantal kennissen en vrienden van allerlei slag… Lang niet alle vrienden, die Wijsman aan het Rokin bezochten, kwamen in de Grensstraat.”
Op verontwaardigde toon ging het verslag verder over de klassenoverschrijdende contacten die gangbaar zouden zijn voor het homoseksuele milieu, of zoals een gelegenheidsdichter eerder had geschreven, voor die “mietjessociëteit, waarin de baron met een melkboer vrijt”. “Als staaltje van uiteenloopende maatschappelijke kring, waartoe de vrienden behoorden”, noemde de rechercheur een chemicus, een gewezen zeeofficier, een chauffeur en pakknecht, een kantoorbediende en een zekere Bleekpoeier Bet, die een “bekend homo-sexueel mainteneetje” was.

‘De politie moest zwijgen’
Onder grote publieke belangstelling zette in de Haagse Emmastraat, waar Wijsmans ouders woonden, tegen 11 uur in de ochtend van 5 januari 1922 de begrafenisstoet zich in beweging om zich naar begraafplaats Nieuw Eik en Duinen te begeven. Langs de route konden velen hun tranen niet bedwingen, schreef Het Vaderland. Bij de teraardebestelling bleek dat Wijsmans vrienden niet alleen elkaar niet kenden, maar ze wisten ook van de overledene zelf eigenlijk weinig af. Een spreker namens Wijsmans Leidse studiegenoten meende in de geest van de overledene – “wiens zeldzaam grote bescheidenheid bekend was” - te spreken door zijn deugden niet breed uit te meten. De secretaris van de theosofische vereniging in Amsterdam wist niets beters te zeggen dan dat “broeder Wijsman” voor Gods troon zou bidden voor het zieleheil van de moordenaar: “Vader vergeef het hem, want hij wist niet wat hij deed!” Een ongelukkige uitspraak, want van een toevallige roofmoord leek toch echt geen sprake. Na een verstikt vaarwel van Wijsmans vader aan de groeve, “gingen allen, diep geroerd, heen”, aldus het verslag in Het Vaderland.
Wijsmans dubbellevens en het onvoorstelbare geklungel bij het onderzoek droegen in hoge mate bij tot geruchten over het uitblijven van onderzoeksresultaten. Dat kon alleen maar worden toegeschreven aan duistere machinaties van een netwerk van geperverteerden dat tot in de hoogste regionen reikte.
In de loop van 1922 dook in de kranten het verhaal op dat de Haagse commissaris ’t Sant (dezelfde die in opdracht van koningin Wilhelmina de brokken van prins Hendrik moest opruimen) een rechercheur die de waarheid op het spoor was, van de zaak had afgehaald. Het leidde tot Kamervragen en onderzoek waaruit overigens niets van zo’n opdracht bleek. Vijf jaar na de moord deed het schandaalblaadje De Wereld het nog eens dunnetjes over. Een tekening van het lijk van Wijsman sierde in 1927 de omslag van het desbetreffende nummer. Ze was exact nagetekend van een foto die van de ongelukkige gemaakt was op de sectietafel. Tekening en foto tonen duidelijk de kogelwonden in bovenlichaam en arm. De foto was al kort nadat die gemaakt was, uitgeleend door de commissaris van politie aan een journalist die later met de uitgave van De Wereld begon. De afdruk werd in 1927 na nieuwe Kamervragen geretourneerd en alsnog in het politiedossier geplaatst.
Het artikel in De Wereld grossierde in insinuaties over het opzettelijk frustreren van het onderzoek. “Het publiek [werd] een rad voor de oogen gedraaid. (…) De politie wist, maar moest zwijgen. (…) Men zwijgt uit angst voor eigen reputatie, die door het slijk gesleurd zal worden, als het zedenschandaal dat hierachter ligt, geheel onthuld zal worden. De homosexualiteit en vooral de uitwassen daarvan, is langzamerhand tot een ritus geworden, tot een cultus, en de afwijkelingen beschermen elkaar, zwijgen dood uit eigen schuldgevoel. Al kort na den moord kwam het officieele besluit, dat de zaak in den doofpot moest.”
De insinuaties werden niet gedragen door enig concreet voorbeeld van ingrijpen in het onderzoek, maar door beschrijvingen van Wijsmans geperverteerde levensstijl. Hij was een verwende knaap, “die in sexueel verval was geraakt”. Het stuk beschreef de kamers van Wijsman op het Rokin als “niet rommelig of smakeloos, maar artistiek en antiek”, om prompt in de volgende zin te beweren dat het meeste nepantiek was. Naar die kamers troonde hij gewoonlijk minderjarige jongens die hij had aangesproken op de roeivereniging of in het zwembad, waar de badmeesters een oogje dichtknepen vanwege Wijsmans royale fooien. “In zijn kamer rookte doorloopend de wierook haar zwoele, fijne geuren uit exotische potten de atmosfeer in en vermengde zich met den reuk van geparfumeerde sigaretten; fantastisch schemerlicht deed de rest om de jongelui te brengen in de gewenschte walgelijke stemming.” Volgde het verhaal dat Wijsman een ‘mainteneetje’ had afgesnoept van een vooraanstaande man, die opdracht had gegeven voor de moord.

Levenswarmte
Uit het geheim archief van het ministerie van Justitie blijkt dat de moord op Wijsman tot in de jaren dertig gemoederen bezighield. Tussen de regels door wordt duidelijk dat met de vooraanstaande man die volgens de schandaaljournalisten opdracht tot de moord had gegeven, Abraham Bredius bedoeld werd. Bredius was een formidabel rijk man; hij was de eerste directeur geweest van het Mauritshuis, machtig maar ook omstreden in kunstkringen en vermoedelijk daarbuiten. Zijn naam viel in bijna elk homoseksueel schandaal van zijn tijd. Hij is kort na de moord in elk geval door de politie gehoord. Of het met deze zaak te maken had, is niet bekend, maar Bredius heeft dat jaar nog Nederland voor Monaco verruild.
(Hij voltooide in 1922 ook zijn levenswerk over de 17de-eeuwse Nederlandse schilderkunst.)
De moord op Wijsman kreeg een plaats in Hans van Stratens fameuze boekje Moordenaarswerk (1964), over moorden die de experts verbijsterden. De verbijstering gold ook de entourage rond het slachtoffer. Ruim 30 jaar na de moord vertelde een politieman aan Elsevier hoe bij acteur Gerard Vrolik aan huis “talloze ongetrouwde Amsterdammers bijeen [kwamen], wie het niet moeilijk viel hun vrijgezellenbestaan nochthans [sic] de nodige levenswarmte te verlenen. Het was (…) een enge collectie al met al.” Gerard Vrolik kreeg tot aan zijn dood een uitkering uit de nalatenschap van Wijsman. Het overgrote deel van die nalatenschap ging naar jhr. mr. Jacob Anton Schorer ten behoeve van diens in 1912 opgerichte homorechtenorganisatie, het Nederlands Wetenschappelijk Humanitair Komitee. Schorer heeft er voor de Tweede Wereldoorlog menig homoseksueel enige echte levenswarmte mee bezorgd.




Architect Theo Bosch
Architectuur als genereus gebaar naar de mens
Tekst: Sjaak Priester

102006_ArchitectArchitecten van wie praktisch iedereen het werk de moeite waard vindt, zijn er niet veel. Theo Bosch (1940-1994) is een van de weinigen. Bijna iedereen, kenner of niet, heeft wel iets met zijn gebouwen. Je voelt je er onmiddellijk prettig. Het ging Bosch dan ook niet in de eerste plaats om zijn gebouwen, maar om de mensen die erin wonen, werken of studeren.

Theo Bosch hield van mensen, en had vertrouwen in ze. Op het naïeve af, soms. Een aantal van zijn gebouwen – het Pentagon, het P.C. Hoofthuis – moest naderhand tot zijn verdriet worden aangepast omdat de “geleidelijke overgang van buiten naar binnen” die hij voorstond, te uitnodigend bleek voor de onaangepaste types die nu eenmaal ook bij de grotestadsbevolking horen.
Theodorus Johannes Bosch werd op 24 februari 1940 geboren als middelste van drie kinderen in een Amsterdams gezin van Zevendedagbaptisten, een zeer bijbelvaste stroming die niet de zondag maar de zaterdag als sabbat (rustdag) beschouwt. Zijn vader werkte voor de oorlog bij Werkspoor en had later een timmermansbedrijfje in de Zeeheldenbuurt. De weg naar de architectuur was een klassieke: Bosch wist al vroeg dat hij architect wilde worden en begon op zestienjarige leeftijd als loopjongen bij een architectenbureau. Zijn opleiding was aanvankelijk niet veel soeps: zelfs de eerste klas van de mulo wist hij niet af te maken. Wel had hij op de ambachtsschool timmeren en meubelmaken geleerd.
Op het architectenbureau kreeg men echter in de gaten dat in de loopjongen talent school, en al snel mocht Theo Bosch helpen met tekenen. Allengs werd meer werk aan hem overgelaten, en uiteindelijk wist hij de manco’s in zijn opleiding ook weg te werken. Hij haalde in 1963 de avond-uts, en drie jaar later het diploma ‘voortgezet bouwkunde-onderricht’ aan de Academie van Bouwkunst. Op die laatste werd hij pas toegelaten na een goed woordje van Herman Hertzberger, die in Bosch waarschijnlijk al een geestverwant had herkend.
Vanaf begin jaren zestig werkte Bosch kort bij een groot aantal hoofdzakelijk in Amsterdam gevestigde architectenbureaus, tot hij in 1965 als eerste medewerker werd aangetrokken door Aldo van Eyck (1918-1999). De verbintenis met de toen al wereldberoemde en veeleisende Van Eyck zou Bosch’ wederwaardigheden bijna twintig jaar bepalen, tot er in 1984 met een knal een einde aan zou komen.
Aldo van Eyck en Theo Bosch waren in veel opzichten tegenpolen. Van Eyck was het prototype van de kunstenaar-architect die grote faam genoot vanwege zijn bevlogen colleges over Noord-Afrikaanse volksbouwkunst voor Delftse studenten. Hij kon de vele ideeën die in hem opborrelden nauwelijks in bedwang houden, veranderde vaak impulsief van gedachten en bleef eindeloos veranderingen aanbrengen in zijn ontwerpen. Bosch daarentegen werkte veel systematischer. Na enige tijd ontstond een stilzwijgende taakverdeling: Van Eyck was de man die in de beginfase van projecten de ruwe plannen maakte en zijn niet geringe overtuigingskracht inzette om opdrachtgevers over de streep te trekken, terwijl Bosch het grootste gedeelte van de uitvoering op zich nam.
Bij de Amsterdamse projecten van het duo Van Eyck-Bosch horen woningen in de Jordaan (hoek Palmdwarsstraat-Tweede Goudsbloemstraat en bejaardenwoningen in de Rozenstraat), maar de naam van Theo Bosch werd vooral gevestigd door zijn werk in de Nieuwmarktbuurt. Daar immers vond na de metroaanleg het eerste grote stadsvernieuwingsproject van Nederland plaats. Bosch is hier van de late jaren zestig tot de vroege jaren tachtig bij betrokken geweest. Aanvankelijk had Aldo van Eyck de supervisie, maar al snel werd Bosch de drijvende kracht. Voor de gemeente was Bosch bepaald niet de gedroomde projectleider, voor de buurtbewoners daarentegen wel. Hij was immers de eerste architect die serieus werk maakte van bewonersinspraak. Voor Bosch waren niet de afdelingen Stadsontwikkeling en Volkshuisvesting zijn opdrachtgevers, maar de bewoners van de stad.

‘Goed gedrag van gebouwen’
Niet alleen het stedenbouwkundig plan van de Nieuwmarktbuurt is van Theo Bosch, dat geldt ook voor de architectonische uitwerking van veel van de panden. Hij voerde er negen projecten uit, en had de supervisie over een tiental andere. Verreweg het belangrijkste project is het Pentagon. Daar komen de ideeën van Bosch (en Van Eyck) het duidelijkst voor het voetlicht: de ‘compacte functiemenging’ van wonen en werken, het ‘goede gedrag’ van gebouwen in de ‘georganiseerde chaos’ van de bestaande omgeving. Bosch moest niets hebben van op de tekentafel ontworpen slaapsteden als de Bijlmer en Almere. “Mijn architectuur,” zei hij in een hoogdravende bui, “is als een genereus gebaar naar de mens.” Bosch was dan ook niet mals in zijn kritiek op vakbroeders als Koolhaas en Weeber, die volgens hem “minachting voor de mens” ten toon spreidden. Omgekeerd kreeg hij vaak het verwijt een naïeve dromer en onverbeterlijke moralist te zijn.
Het hoeft nauwelijks betoog dat aan hun werkverdeling haken en ogen zaten, en geregeld zaten Van Eyck en Bosch elkaar dan ook in de haren. Bosch kon het niet altijd velen dat Van Eyck met de eer ging strijken. Ook had Van Eyck de hebbelijkheid om de aansprekende utiliteitsprojecten naar zich toe te trekken, en de nederige woningbouw aan Bosch over te laten. Geregeld liepen de ruzies hoog op. In 1969 werd Bosch zelfs even op staande voet ontslagen, om praktisch meteen weer te worden aangenomen. Een jaar later maakte Van Eyck zijn eerste medewerker volwaardig compagnon en ontstond Aldo van Eyck en Theo Bosch Architecten vof. In 1979 werd het een bv. Het bedrijf zou bewust altijd een klein architectenbureau blijven met hooguit vijftien medewerkers (onder wie Jo Coenen).
Tot een definitieve breuk kwam het in de eerste helft van de jaren tachtig. Oorzaak: de Letterenfaculteit van de Universiteit van Amsterdam (het P.C. Hoofthuis) tussen Singel en Spuistraat. De prestigieuze en gecompliceerde opdracht was eerst op persoonlijke titel naar Aldo van Eyck gegaan, maar deze had het nog te druk met zijn Hubertushuis (‘Moederhuis’) aan de Plantage Middenlaan. Theo Bosch begon er alvast aan te werken, en toen Van Eyck zich ermee begon te bemoeien konden de twee niet tot overeenstemming komen over de rooilijn en de kleuraccenten en Van Eyck haakte af. “Je kunt nu eenmaal niet met zijn tweeën een potlood vasthouden,” luidde de verklaring van Bosch.
Het P.C. Hoofthuis staat nu te boek als belangrijkste werk van Theo Bosch. Bij de oplevering haalde Amsterdam collectief opgelucht adem. Jarenlang was gevreesd voor weer zo’n afstotende betonnen kolos op een van de gevoeligste locaties van de historische binnenstad, maar nadat de steigers waren weggehaald was er nauwelijks wanklank te horen. Met het P.C. Hoofthuis was er op de plaats van de onherbergzame Twentse Bank een boeiend, levendig, plezierig stukje binnenstad bijgekomen. Tot uit Japan toe kreeg Bosch lof toegezwaaid. Volgens de Britse architectuurcriticus Peter Buchanan markeerde het gebouw een heuse nieuwe architectuurrichting, de ‘New Amsterdam School’. Dat het spoedig nodig bleek een paar van de ‘dubbelzinnige overgangsgebieden’ tussen straat en het inwendige af te sluiten met wat stevig hekwerk om de junks buiten de deur te houden, deed hoegenaamd niets af aan de kwaliteiten.

Schuine ‘Bosch-plinten’
In 1984 ging Theo Bosch alleen verder. Het was niet gemakkelijk om aan opdrachten te komen, alleen al omdat Bosch na zijn bemoeienissen met de Nieuwmarktbuurt niet bepaald te boek stond als een architect die gemakkelijk en goedkoop was voor zijn opdrachtgevers. Hij nam soms opdrachten aan die een flink eind buiten zijn vertrouwde terrein vielen. Zo bouwde hij in 1986 op het industrieterrein Amstel III een bedrijfshal voor Honeywell. Hij verdiende bij als deeltijddocent aan de Academie van Bouwkunst en als gastdocent in Berlijn en Hamburg. De studenten daar droegen de Amsterdamse, amper Duits sprekende non-conformist op handen en hij vond het geweldig om met “Herr Professor” te worden aangesproken.
De eerste belangrijke opdracht die de firma Theo Bosch Architect kreeg was een groot woningbouwproject (de Sijzenbaan) in Deventer. Het leverde hem veel waardering en de Gerrit Rietveldprijs op. In 1987 werd Bosch, op voorspraak van PvdA-wethouder Adri Duivesteijn voorzitter van de welstandscommissie in Den Haag. Een andere belangrijke opdracht was de stedenbouwkundige supervisie in Hilversum.
Na het succes in Deventer durfde ook Amsterdam hem wel weer een omvangrijk woningproject toe te vertrouwen, op het voormalige Technische Unie-terrein aan de Houtmankade (1990). In de ‘hamerkoppanden’ werd ook een politiebureau gehuisvest. Hij maakte ook een uitbreiding aan het in 1859 door Willem Springer gebouwde Tolhuis op de Buiksloterweg in Noord. Bosch verloste de stad in 1989 met zijn Willemshuis ook van een beschamend gat op de Stadhouderskade, dat daar na de brand in het Van Nispenhuis in 1977 was ontstaan en door onverkwikkelijke speculatiepraktijken meer dan een decennium had bestaan.
Zijn laatste Amsterdamse project heeft Theo Bosch niet meer in voltooide staat kunnen zien: het Faciliteitengebouw of Voorlichtingspaviljoen op het Binnengasthuisterrein, een ovaal paviljoen dat met een glazen navelstreng verbonden is met het hoofdgebouw van de kinderkliniek van Amsterdamse-Schoolvoorloper J.M. van der Mey uit 1911. Het is zijn tweede project voor de Universiteit van Amsterdam en net als de Letterenfaculteit voorzien van de kenmerkende ‘Bosch-plinten’ – schuine plinten van glazen baksteen waardoor de kelderverdieping licht krijgt en als bijkomend voordeel dat het vrijwel onmogelijk is fietsen tegen de gevel te zetten.
Theo Bosch was een gezelschapsdier. Hij moest altijd volk om zich heen hebben en was een graag geziene gast in café De Pool. Voor een rustig gezinsleven was hij niet in de wieg gelegd. Zijn huwelijk met een vriendin die hij kende van de kleuterschool strandde eind jaren zeventig, naar men zegt mede door de spanningen van zijn ruzies met Aldo van Eyck. Theo Bosch overleed op 6 april 1994 onverwachts aan een hartstilstand, slechts 54 jaar oud. Hij ligt op de Oosterbegraafplaats.





De geur van buren op de trap
Amsterdam is recordhouder gestapeld wonen
Tekst: Cristel Sunter en Hansje Galesloot

102006_Gestapelde_woningenWaar men in de rest van Nederland vaak in een eengezinswoning woont, daar leven de Amsterdammers hutjemutje bovenop elkaar. Etagewoningen kent de stad al vanaf 1600. Eerst uit ruimtegebrek, maar later als positieve keuze vanwege de grootstedelijke uitstraling. Amsterdam is dé stad van het gestapeld wonen in Nederland en dus ook samenleven met veel buren.

Bovenburen stampen wel eens. Of ze spelen piano. De ergernissen kunnen soms zo hoog oplopen dat Herman Heijermans een heel toneelstuk nodig had om zijn leed van zich af te schrijven. Zijn eenakter Buren uit 1903 is op eigen ervaringen gebaseerd, volgens zijn biograaf Hans Goedkoop: “Drie jaar eerder woonde Heijermans op de Ringkade 6 (nu Transvaalkade) en werkte aan Op hoop van zegen. Maar zijn concentratie werd hevig verstoord door de zangoefeningen van de bovenbuurvrouw. Als tegenactie huurde hij in de Jordaan een groot draaiorgel. Toen zelfs dat niet hielp, probeerde hij haar uit te roken. Zij op haar buurt gaf een recital voor een massa vrienden, die de kalk van Heijermans’ plafond dansten. Die spande een proces aan, dat ten slotte geschikt werd. In de eenakter vinden we het allemaal terug, inclusief draaiorgel en uitroking!”
In herinneringen van Amsterdammers spelen de buren op de trap vaak een prominente rol, in positieve of negatieve zin. “Ons trappenhuis had vijf verdiepingen met een scala van geuren: altijd hout, met per buur een heel eigen lucht, van minder lekker eten tot scherper stinkende poep of ‘verkeerd’ schoonmaakspul, zoals lysol. Alleen onze etage stonk niet, behalve als we spruitjes aten,” schrijft Rob Stravers op de website Het Geheugen van Oost. “Ik ruik nog de geur van onze portiek,” bericht Yvonne Kruk niet zonder weemoed op diezelfde website over haar ouderlijk huis. “Op vrijdagochtend werden de kleedjes, trap- en ganglopers geklopt met de mattenklopper. Daarna werden de stoep en trap geschrobd en het stuk trottoir voor de portiek. Je zag dan overal de langwerpige natte stoepen voor de huizen want ‘zo hoorde dat’.”

Koploper in hoog wonen
Amsterdam is in Nederland de onbetwiste koploper als het gaat om gestapeld wonen. Volgens cijfers uit 2002 van het Centraal Bureau voor de Statistiek bestaat Amsterdam voor maar liefst 86% uit meergezinshuizen. Nog redelijk in de buurt blijven Den Haag en Rotterdam met respectievelijk 81 en 74%. Maar dan valt er een gat en volgt een trits steden als Leiden, Groningen, Arnhem en Utrecht met ongeveer de helft gestapelde woningen. En die etagebouw is bovendien meestal lager dan de bouwhoogte van vier of vijf etages die in grote delen van de Amsterdamse vooroorlogse stad zo kenmerkend is.
Deze cijfers zeggen niet alles. Nergens anders in Nederland is de etagebouw, als kenmerk van een metropool die meetelt in de wereld, zo bewust binnengehaald als in Amsterdam. In Den Haag bijvoorbeeld, de nummer twee als het om meergezinswoningen gaat, is bewust gekozen voor bouwwijzen die de pijn van het gestapeld wonen moesten verzachten. Waar de etagewoningen in Amsterdam en Rotterdam meestal werden voorzien van doorlopende trappen met een gemeenschappelijke voordeur, bestond het Haagse portiek uit een open buitentrap, die leidde naar een bordes waarop de voordeuren van álle vier de bovenwoningen uitkwamen. In Den Haag werd doorgaans ook gekozen voor huizenblokken van slechts drie woonlagen. Dit laaghouden van de bebouwing gebeurde op last van hogerhand: men wilde niet dat Den Haag tot metropool zou uitgroeien. De stad moest een ‘gemoedelijke uitstraling’ behouden.
Is Amsterdam dan niet gemoedelijk? Daar valt over te twisten, maar in elk geval is bovenstaande typering van Den Haag leerzaam voor het kunnen aanduiden van het aparte van Amsterdam: de hoofdstad van Nederland wilde en wil juist wél een metropool zijn, die buitenlandse hoofdsteden naar de kroon kon steken. Deze keuze voor hoog wonen als kern van de Amsterdamse stedenbouw dateert echter van rond 1900 – toen gingen ook de rijken de hoogte in. In de eeuwen daarvoor was het wonen met meer gezinnen in een pand vooral een kwestie van ruimtenood en waren het vooral de huizen van de armen die werden gestapeld.
Volgens Henk Zantkuyl, oud-hoofd van Bureau Monumentenzorg en auteur van het dikke boek Bouwen in Amsterdam over de geschiedenis van het Amsterdamse woonhuis, begon het wonen met meerdere gezinnen in één pand omstreeks 1600. “Het begon in de arme buurten van de stad: meerdere gezinnen betrokken dan een huis dat eigenlijk voor één gezin gebouwd was. Maar al snel kwamen er huizen waar al bij de bouw met die bewoningswijze rekening werd gehouden. Zo weet ik van een huis in de Suikerbakkerssteeg, gebouwd kort voor 1600, met al twee voordeuren waarvan de ene toegang gaf tot de begane grond en de andere tot een steile trap naar de bovenverdieping.”
Amsterdam kampte in deze periode met nijpend grondgebrek binnen de stadsmuren. Zelfs toen het inwonertal van de stad tussen 1400 en 1600 toenam van 1000 naar 100.000, bleef het grondgebied nagenoeg gelijk: zo’n 75 hectare. De percelen waarin dit gebied verdeeld was, werden ten volle benut en helemaal dichtgebouwd, inclusief de binnenterreinen. Niet in de laatste plaats omdat de stad ommuurd was; nieuwe stadswallen bouwen was een dure beslissing die dan ook zo lang mogelijk werd uitgesteld. In de loop van de 17de eeuw bleek de situatie echter onhoudbaar en werd begonnen met het uitbreiden van de stad: de Jordaan en de grachtengordel werden gebouwd.
Ook aan die deftige grachten werd de ruimte zo efficiënt mogelijk benut, dus de panden waren hoog, maar dat betekende natuurlijk niet dat hier meerdere gezinnen werden gehuisvest. De zijstraten boden een ander beeld. Daar leefde het armere deel van de bevolking, soms met wel vijf gezinnen op één verdieping. De Jordaan, door de socialistische journalist Louis M. Hermans in 1901 aangeduid als het “koninkrijk der sloppen”, was nog dichterbevolkt. Het was geen uitzondering dat daar per pand zo’n zestien gezinnen woonden, die slechts één privaat deelden. Privacy was dus ver te zoeken.
De etagewoning was toen, rond 1900, allang de gangbare woningvorm in Amsterdam. In de 18de eeuw en in het begin van de 19de eeuw vonden arbeiders nog meestal onderdak in gesplitste eengezinswoningen, omgebouwde pakhuizen, of in niet-gebruikte delen van panden die bewoond werden door gegoede families. Op den duur werd al in het ontwerp rekening gehouden met het wonen op een hele of halve verdieping. Dat de panden met etagewoningen in Amsterdam hoger zijn dan elders in Nederland, vloeide voort uit de hogere grachtenpanden die er al stonden. Bij die bouwhoogte paste men zich aan. En natuurlijk was ook de grond in de hoofdstad duur.
In de tweede helft van de 19de eeuw brak ook in Amsterdam de Industriële Revolutie los, overigens veel later en minder hevig dan in Engeland en Duitsland. Toch zorgde dit voor een grote trek van het platteland naar de stad. Talloze rokende schoorstenen torenden boven de stad uit. Boeren en arbeiders kwamen af op de toenemende werkgelegenheid en zij wilden natuurlijk ook een dak boven hun hoofd. De plotselinge drukte in de stad vroeg om creatieve oplossingen op de korte termijn. Veel extra woonruimte werd geschapen door van kelders woningen te maken, door hofjes en binnenterreinen van reeds bestaande gebouwen als bouwgrond te gebruiken of door bestaande grotere woningen te splitsen. Na de jaren zeventig van de 19de eeuw werd de woningvoorraad vooral uitgebreid door middel van het bouwen van ‘uitbouwwoningen’ – kleine huisjes die als het ware vastgebouwd werden aan huizen die er al stonden – en alkoofwoningen, een type etagewoning waarbij twee woningen rug aan rug op een etage lagen met in het midden een klein kamertje: de alkoof, meestal in gebruik als slaapkamer.
Paradoxaal genoeg woonden de grootste gezinnen vaak in dit soort piepkleine woningen. Rond dezelfde tijd, in 1874, schafte de gemeente de vestingwet af die tot dan toe stedelijke uitbreiding buiten de stadswallen verbood. Een jaar later was er de Europese landbouwcrisis die nog een stroom boeren de stad in dreef. De hoge huizen met kleine etages waar deze mensen in gingen wonen schoten als paddenstoelen uit de grond. Soms was deze revolutiebouw echter van zo’n slechte kwaliteit dat de huizen al tijdens de bouw instortten.

Het summum van stedelijkheid
Het was evident dat het zo niet langer kon. Men begon met de bouw van de nieuwe arbeidersbuurten de Pijp, Kinkerbuurt, Dapperbuurt, Oosterparkbuurt en Staatsliedenbuurt. Alle moeite ten spijt, de woningnood bleef bestaan en de meeste mensen vonden nog steeds onderdak in gebrekkige, ongezonde etagewoningen. Rijke particulieren realiseerden zich eind 19de eeuw dat het ook in hun belang was als arbeiders gezond woonden. Immers, blije mensen produceren beter en epidemieën (zoals cholera) konden worden voorkomen, waardoor deze besmettelijke ziektes ook de rijkeren bespaard bleven.
Daarbij kwam de mogelijkheid tot vergroting van het eigen kapitaal door het verhuren van etages aan de minder kapitaalkrachtigen. Door de industrie en handel hadden sommige families genoeg geld vergaard om bouwmaatschappijen te kunnen oprichten, die soelaas gingen bieden voor de krotwoningen. Naast op winst beluste particulieren waren er na 1850 ook al een paar verenigingen die, zonder winstbejag, streefden naar goede en goedkope woningen.
Met de woningwet van 1901 kwam de sociale woningbouw in een stroomversnelling. Het doel was goede, betaalbare woningen te bouwen waar tegelijkertijd veel mensen in konden wonen. De etagewoning was hiervoor uitermate geschikt en werd dan ook het meest toegepaste woningtype. In deze periode werden vooral portieketagewoningen gebouwd. Daarbij werden etages links en rechts via een portiek ontsloten en zaten op elke woonlaag twee etagewoningen. De Amsterdamse woningvoorraad steeg enorm: van 120.000 naar 220.000 huizen (ter vergelijking: nu zijn er ongeveer 370.000 woningen in Amsterdam). Het effect van deze stijging werd enigszins tenietgedaan door de groei van het aantal inwoners tussen 1900 en 1960: van 500.000 naar bijna 900.000. Zo veel hoofden heeft de stad sindsdien nooit meer geteld.
Het hoogtepunt van de bouwproductie werd bereikt halverwege de jaren twintig. In die periode waren vooral particuliere bouwers actief, de overheid liet het tijdelijk afweten. Met z’n allen op één etage wonen bleef een veelvuldig gebruikte oplossing, maar er kwamen ook door de Engelse tuindorpgedachte geïnspireerde ‘stadsdorpjes’ als Betondorp, Nieuwendam, Oostzaan en Buiksloot waar veel waarde werd gehecht aan het creëren van een dorpse idylle. De buurtgemeenschap en het hebben van een eigen tuintje waren hierbij onmisbaar.
De architecten van de Amsterdamse School, zoals Berlage, De Klerk en Kramer, waren de eersten die van etagebouw een kunst maakten. Kenmerkend voor deze bouwstijl waren bij uitstek de gesloten gevelwanden langs de straten, in baksteen uitgevoerd waarbij allerlei tierelantijnen voor de nodige afwisseling zorgden. Voor Berlage waren dergelijke strakke bouwblokken het summum van stedelijkheid. Compleet met torens bij de toegang tot buurten (zoals op het Mercatorplein of aan het begin van de Vrijheidslaan) imiteerde hij de beslotenheid van de middeleeuwse stad. Die compacte stad is tot op de dag van vandaag kenmerkend gebleven voor Amsterdam, al vormt de periode van de jaren dertig tot de jaren zestig daarin een onderbreking met de aanleg van de Westelijke Tuinsteden en de Bijlmermeer, waarin juist de filosofie van ‘licht, lucht en ruimte’ centraal stond en gebroken werd met elk streven naar stedelijke beslotenheid. In de nieuwste uitbreidingswijken van Amsterdam, het Oostelijk Havengebied en IJburg, voert echter het streven naar de compacte stad weer duidelijk de boventoon.
Begon het etagewonen ooit als noodoplossing voor de armen, in de 20ste eeuw raakte het wonen in appartementencomplexen (zoals het chiquer ging heten) onder alle sociale lagen ingeburgerd. De woonblokken van de Amsterdamse School werden gebouwd voor geschoolde arbeiders en middenstanders die zich iets meer huur konden permitteren. Zo kwamen bijvoorbeeld de Rivierenbuurt en de Transvaalbuurt tot stand. In diezelfde tijd raakte het etagewonen ook voor het eerst in zwang bij de rijkeren. Welvarende alleenstaanden die vroeger bij hun ouders bleven wonen gingen nu ‘op kamers’. Etagewoningen bleken een passende woonvorm voor deze groep: genoeg ruimte voor één persoon en van alle gemakken voorzien. Er waren dan ook architecten, zoals Philip Warners met zijn eigen Maatschappij voor Etagewoningen, die in opdracht van wat vermogender mensen ruimere, luxueuze etages ontwierpen – niet alleen voor alleenstaanden, maar ook voor gezinnen. Deze woningen zijn vooral te vinden in Oud-Zuid, in de Apollolaan en de De Lairessestraat. Amsterdam imiteerde daarmee welbewust de bekendste buitenlandse metropolen uit die tijd, zoals Wenen, Boedapest en Berlijn.

Van loggia tot penthouse
Hoogbouw is in de hele 20ste eeuw de voornaamste bouwwijze gebleven in Amsterdam, met uitzondering dan van de periode waarin de tuindorpen zijn aangelegd. Een verschil met vroeger is de kwaliteit van de huizen. Ze worden steeds beter geïsoleerd, er wordt ingespeeld op gezinnen door meer groen om de woningen aan te leggen en vaak wordt er in het gebouw zelf een ondergrondse garage opgenomen. De etagewoningen zijn bovendien vaak met de lift bereikbaar.
Etagewoningen zijn er vandaag de dag voor iedereen. Etages bestaan tegenwoordig in alle vormen en maten en kunnen op veel verschillende manieren worden ‘opgewaardeerd’. Je kunt een etage simpel houden, maar er kunnen ook open, grote ruimtes gecreëerd worden. Er worden loggia’s ingebouwd om op de derde verdieping zonder balkon of tuin toch een beetje buiten te kunnen zitten, of er is een gezamenlijke binnenplaatsm – die soms helaas niet meer is dan een ‘kijktuin’.
In de jaren negentig van de vorige eeuw kwam het begrip studio naar voren: een éénkamerappartement van alle gemakken voorzien en met een oppervlakte waar vroeger een heel gezin op woonde. Ook werd het zowat een statussymbool om op de bovenste verdieping te wonen, boven alle buren, met een mooi uitzicht, een dakterras en veel vierkante meters – naar het concept van het Amerikaanse penthouse (en dat terwijl de bovenste verdieping daarvoor juist een armoedig imago had en door jongeren werd bewoond die het niet zo breed hadden). Etagebouw lijkt kortom een vorm van woningbouw die zich kan aanpassen aan steeds veranderende behoeften en is daarom uitermate geschikt voor een stad als Amsterdam.





De wereld in stukjes
Zijn legpuzzels een Amsterdamse uitvinding?
Tekst: Geert Bekkering

102006_LegkaartenLegpuzzels bieden al eeuwenlang een geliefde tijdspassering voor kinderen maar ook voor ouderen. Maar wanneer zijn ze eigenlijk uitgevonden? En hoe? En bovendien: waar? Het laatste woord is daar voorlopig nog niet over gezegd. Maar het lijkt erop dat Amsterdamse kaartenmakers in de ontwikkeling van de puzzels een belangrijke rol hebben gespeeld.

De Engelsen beweren graag dat in hun land de legpuzzel is uitgevonden, en er is in ieder geval bewijs dat ene John Spilsbury al vanaf 1760 in Londen zulke puzzels maakte. Hij graveerde landkaarten met niet te veel details, plakte ze op mahoniehouten planken en verzaagde ze langs de landsgrenzen. Kinderen van rijke ouders konden daarmee al heel jong de aardrijkskunde leren. En dat was belangrijk in die kringen. Het was de tijd van de grote ontdekkingsreizen. Bijna ieder jaar werd er wel ‘nieuw’ land ontdekt. Daar moest je over mee kunnen praten.
Maar, vermoeden ze ook in Engeland, het is best mogelijk dat de legpuzzels al eerder waren uitgevonden en dat Spilsbury vooral de man was die ze in serie produceerde en populair maakte. In ieder geval tonen alle 18de-eeuwse Nederlandse legpuzzels (die zich vaak lastig laten dateren) landkaarten van het vermaarde Amsterdamse cartografische uitgeversbedrijf Covens & Mortier (1685-1866). Veel van die kaarten zijn rond 1700 getekend door Guillaume de l’Isle (1675-1726) en lieten de nieuwste ontdekkingen zien. In 1730-1733 werden de kaarten van deze Franse hofgeograaf door het Amsterdamse uitgevershuis in atlassen gebundeld. Sinds wanneer Covens & Mortier er legpuzzels van gingen maken, staat niet vast; misschien inderdaad pas na Spilsbury. Anderzijds: puzzels waren duur, want al werd er in Amsterdam veel dunner eikenhout gebruikt dan in Engeland, ze moesten wel stuk voor stuk worden gezaagd. Dan wilde je natuurlijk wel waar voor je geld; en zou je dan als rijke 18de-eeuwse koopman puzzels met zwaar verouderde landkaarten kopen voor de opvoeding van je zoontje? Of mogen we aannemen dat sommige van die puzzels toch al veel eerder dan die van Spilsbury zijn uitgebracht, niet lang na de publicatie van de atlassen van De l’Isle, dus al pakweg rond 1740?
Pieter Mortier, stichter van de uitgeverij, gaf sinds 1692 in Amsterdam al spellen uit om de wapenschilden van landen en vorsten te leren: Le jeu d’Armoires des Princes de l’Europe – een soort kwartetspellen. Later verkocht hij ook spellen voor het onderwijs in aardrijkskunde en geschiedenis. Uit een boedelbeschrijving bij de dood van zijn weduwe in 1719 blijkt dat het om duizenden sets spellen ging. Educatieve spellen waren dus erg populair en de uitgeverij buitten dat succes bekwaam uit. Tegelijk bestond er destijds in Europa een levendige handel in landkaarten. Uitgevers namen die gretig op in hun eigen pakket: copyrights bestonden nauwelijks of werden gemakkelijk omzeild. Helaas is het eerste bewijs dat Covens en Mortier ook legpuzzels uitgaven pas te vinden in een advertentie in de Amsterdamsche Courant van 29 mei 1784:
“By C. MORTIER en J. COVENS en ZOON, Boek- en Landkaartverkoopers op den Vijgendam, te Amsterdam, word uitgegeven (…). By bovengemelden zijn ook te bekomen allerlei Geographische LANDKAARTEN in Stukjes, om op een gemakkelijke en vermaakelijke wijze de Kinderen al speelende de Aardrijkskunde te leeren, en daardoor in korten tyd kundig te worden in deeze zo nuttige Weetenschap.”
De uitgebreide omschrijving doet overigens vermoeden dat puzzels toen nog niet heel erg bekend waren bij de lezers van de Amsterdamsche Courant; dat pleit weer een beetje tégen de hypothese van een veel vroegere uitvinding, in Amsterdam of elders. Voorlopig blijven de legpuzzels van Spilsbury dus wel de oudste met zekerheid dateerbare.

‘Legkaarten’ voor onder de kerstboom
Ik heb in de Amsterdamsche Courant de advertenties uitgeplozen die van 1810 tot 1860 verschenen tussen 25 november en 10 januari, de tijd van de Sinterklaas-, Kerst- en Nieuwjaarscadeautjes. In onderstaande lijst is te zien wie er hier spellen en legpuzzels verkochten. Vooral van 1830 tot 1850 wordt er veel voor legpuzzels geadverteerd, met een piek tussen 1825 en 1835. Opvallend is dat de naam van de puzzel toen nog niet vaststond. Tegen 1850 blijkt de term ‘legkaart’ het gewonnen te hebben, zelfs als er geen landkaart, maar een prent op de puzzel zit. (Ook nu nog spreken ouderen vaak van legkaarten.)

Verkoper Adres Verkoopt spellen Verkoopt puzzels Benaming
Covens & Mortier Vijgendam 1692-1830 1750-1830 Geografische landkaart in stukjes/kaart doorgezaagd in provintiën/doorgezaagde landkaart/legkaart
Gebr. Van Arum Bezijden het Paleis 1815-1834 1822-1823 Legkaart
C. Bijl Leliegracht 1827-1837 1827-1835 Legprint/legkaart
A. Boggia Nieuwendijk 1830-1856 1836 Legkaart/inlegprent/legprint/legspel
W. Bosch & S.M. Coutinho 1854 Jeu de Patience en Arabesque
P.G. & N. Geysbeek Leliegracht 1807
F.P. Henke, na 1856 H.J. Henke Singel ? 1818-1895 Inlegprent/legprent/legkaart
A. Humme Hartenstraat 1833-1848 1835-1848 Legspel/legprent
E. Lartschneider Nieuwendijk 1821-1829 1821-1829 Legdoos/legkaart
J. Lartschneider Nieuwendijk 1811-1826 1819-1825 Legkaart/legprent
E. Maaskamp Singel 1815-1833 1823-1833 Legkaart/geografische legkaart/inlegkaart
Minderman & Comp. Beurssteeg, later Rokin 1821-1834
H. Moolenijzer Heiligeweg 1817-1837 1819-1834 Doorgeslagenen legplaatjes en geografie-kaartjes / legdoos /legprent/inlegprent
G.C. Swengels Warmoestraat 1826-1837 1829 Legkaart
M.C. Vos Zoutsteeg 1833-1837 1822-1837 Inlegprent/legkaart
A.G.J. Witsen Geijsbeek 1832-1835 1832 Legprent

Puzzels van Henke: zien wat je koopt
Een speciale rol in de legpuzzelhandel speelde de familie Henke, die een winkel had op het Singel, eerst bij de Raamsteeg, later op de hoek van de Schoorsteenvegerssteeg. Rond 1818 kwam Franciscus P. Henke (oorspronkelijk behanger, later boekhandelaar) op het idee puzzels, in ‘gelegde’ vorm te verpakken in een map, een portefeuille. Dat is bijzonder, want in Engeland, Frankrijk en Duitsland werden puzzels toen alleen als losse stukjes in doosjes en kistjes verkocht. Henke plakte altijd zijn etiketje in de map, anderen zetten zelden een naam op de verpakking. Er zijn ruim dertig puzzels van Henke bekend en dat is betrekkelijk veel, want van tijdgenoten is nog maar een enkele puzzel over. De legpuzzels van andere Amsterdamse handelaren werden meestal, net als in het buitenland, in een eiken kistje met schuifdeksel verkocht. Soms zat daar een opgevouwen voorbeeld bij. Dat hoefde bij de puzzels van Henke niet, want als je de map opendeed zag je meteen de hele puzzel.
De meeste 19de-eeuwse puzzels zijn duidelijk voor kinderen bedoeld, maar de puzzels van Henke hebben vaak veel meer dan 100 stukjes en zijn lastig gezaagd. Die zullen dus voor oudere kinderen of volwassenen bedoeld zijn geweest. Het was een tijd waarin jonge dames uit gegoede familie niet erg veel mochten doen. Wellicht was puzzelen in die kringen een geliefd tijdverdrijf. De fraaie afbeeldingen die Henke gebruikte waren daar zeker geschikt voor. Onderzoek in dagboeken kan daarover wellicht duidelijkheid brengen.
Enige jaren nadat de firma Henke in 1895 was opgeheven, werd hun fakkel even overgenomen door de in 1872 opgerichte vrouwenvereniging Tesselschade. Die verkocht ‘handwerken’ van dames van gegoede stand, om hen enige economische zelfstandigheid te kunnen geven. Toen er in 1908 in Amerika een rage was uitgebroken in houten legpuzzels voor volwassenen, sloeg die al snel over naar Europa. De gegoede stand ging in de salons puzzelen in plaats van bridgen. In die tijd verkocht Tesselschade puzzels “naar het Systeem Henke”. Rond 1925 kwam de vereniging met Picture Play Puzzles in een doosje. Tegen 1935 maakten dames voor Tesselschade puzzels van de gekleurde platen uit de Panorama.
De pioniersfase was toen al ruimschoots voorbij. Mede dankzij nieuwe productietechnieken konden legpuzzels in de 20ste eeuw een massaproduct worden. Maar dat is weer een verhaal apart, dat u van ons tegoed houdt.




“De oude tijd heeft afgedaan”
Gezongen stadsnieuws uit de jaren tien en twintig
Tekst: Patrick van den Hanenberg en Lisa Wade

102006_Gezongen_nieuwsHet Aardappeloproer, de Duitse keizer, het vertier in Zandvoort, de ‘OW-ers’, de Spaanse griep en het wonder der elektriciteit: allemaal onderwerpen uit het Amsterdamse nieuws uit de Eerste Wereldoorlog en de ‘gay twenties’ die werden bezongen op straat, in het theater of op de plaat. Vanaf deze maand te horen en te zien in het Amsterdams Historisch Museum, samen met talloze andere Amsterdamse liederen uit de laatste anderhalve eeuw.

De geschiedenis van Amsterdam is al heel wat keren opgeschreven, maar er bestaat ook een gezongen geschiedenis van Amsterdam. Vele opzienbarende historische gebeurtenissen kregen hun weerslag in een lied. Samen met tijdlozer odes aan de stad (en vooral natuurlijk de Westertoren) en het dagelijks lief en leed van de Amsterdammer, is dat gezongen stadsnieuws van weleer vanaf half oktober rijk geïllustreerd te horen in het Amsterdams Historisch Museum op de tentoonstelling Geef mij maar Amsterdam. Tegelijk verschijnt een gelijknamig boek waarin deze liederen in hun historische context worden gezet. Hier geven wij u daarvan alvast een voorproef, over de periode 1914-1929.

In de Eerste Wereldoorlog blijft Nederland neutraal. De Nederlandse soldaten hoeven niet op het slagveld in actie te komen, en het dagelijks leven lijkt aanvankelijk niet echt van slag. Zoals wel vaker, zitten in kommervolle tijden de theaters en de stranden vol. Dat laatste is voor de Amsterdammers Zandvoort. ‘Amsterdam aan Zee’ is vertier voor het gewone volk en de ‘chique’ hoofdstedelingen. En als de zon de lijven niet verwarmt, dan doen de liedjes uit de populaire revues het wel:

De snobs uit Amsterdam
In ’t helder wit flanellen pak,
De ridders van de koude grond
Met ’n kwartje in d’r zak.
Die prefereren Zandvoort, want je vindt er meer natuur;
Oostende is te banaal, Monte Carlo is veel te duur.
Dies gaan ze naar Zandvoort, zo beweren ze met klem
En zingen keurig met hun halve-zachte Fosco-stem:

Zandvoort près la mer
We gaan naar Zandvoort près la mer
Met papa, met mama, met broertje en met zusje
Oncle Pierre, tante Claire en enfin ’t gehele husje
Gaat naar Zandvoort près la mer.
C’est très chique là, ce n’est pas cher
Oh, het is zo’n zaligheid
Wanneer je van de duinen glijdt
In Zandvoort près la mer.

Dat zingt de jonge zanger-komiek Louis Davids (1883-1939) in 1914. Vanuit zijn geboortestad Rotterdam was hij zijn artiestenloopbaan begonnen onder de hoede van zijn ouders, die de kermissen afreizen. Aanvankelijk vormt hij een duo met zijn zus Rika. Als zij naar Engeland verhuist, gaat Louis verder met zijn andere zus Henriëtte – Heintje, in de wandeling. Het succes brengt hen naar Engeland, waar Davids de pianiste Margie Morris ontmoet, de dochter van een conservatieve legerofficier. In 1913 volgt zij haar geliefde naar Amsterdam. Bij de pier van IJmuiden wordt het koppel verwelkomd als vorsten die uit ballingschap terugkeren.
Davids voelt zich steeds beter thuis in de hoofdstad, waar hij, met muzikale steun van Morris, de beste vertolker van het Jordaan-repertoire zal worden. Tot 1922 vormen ‘He, she and the piano’ een succesvolle combinatie.
Maar eerst viert Louis Davids nog triomfen met zus Heintje in het Flora-theater in de Amstelstraat, waar het gezelschap van Leon Boedels in 1915 de revue Loop naar den Duivel opvoert. Die is geschreven door Rido, ofwel journalist Philip Pinkhof, sinds 1914 Heintjes echtgenoot.
De onderwerpen voor die revue liggen voor het opscheppen: diplomatieke schermutselingen, de Nederlandse neutraliteit (“Naar Holland wordt heel druk gevrijd, maar Holland blijft een brave meid”), de eerste tekenen van voedselschaarste, straatverkoop van kranten (Heintje en Louis Davids bieden als krantenverkoper tegen elkaar op met doden en gewonden) en vaderlandsliefde. Als vuilnisman Tinus bezingt Louis Davids de politiek met humor en enige afstand:

“Ik loop langs straten en langs grachten
Altijd te ratelen uit alle macht
En blijf geduldig overal wachten
Totdat het vuilnisbakkie wordt gebracht.
Want vuil is er in elke woning,
Ik neem het mee zonder beloning,
Aan ied’re deur roep ik zo hard ik kan:
‘Juffrouw!... de vullisman!’

Zo zoek ik overal mijn vullis,
En kwam laatst ergens in Berlijn,
Geloof maar niet dat het flauwe kul is,
’k Moest bij een zekere Heer Keizer zijn.
’k Zei: ‘Sire, laat de lui maar kletsen,
Heeft U nog méér papieren Fetzen,
Of wat verdragen, die je schenden kan?
Sire!... de vullisman.”

Bij De Telegraaf is Rido/Pinkhof collega van theaterrecensent Barbarossa, die zijn mening over de revue in één woord samenvat: “Reuzensucces.”
Als hoofdredacteur schrijft Barbarossa (J.C. Schröder) ook over politiek. Zoals al in het vorige nummer van Ons Amsterdam werd verteld, jaagt hij de neutralistische Nederlandse regering op stang door fel voor de geallieerden en tegen Duitsland stelling te nemen. Op sinterklaasavond 1915 laat de minister van justitie hem zelfs daarom arresteren. Dat levert een golf van protest op. Zelfs in de Franse en Engelse pers verschijnen kritische stukken. 24 Amsterdamse hoogleraren eisen dat “aan deze beschamende gevangenneming een einde wordt gemaakt”. Louis Davids, die in het Paleis voor Volksvlijt optreedt, plakt een extra couplet aan het lied ‘Breng mij naar Amsterdam terug’, waarmee hij als een moderne cabaretier op de actualiteit inspeelt.

“Ik wil naar Amsterdam terug voor ’n heilig ideaal
D’r zit een Amsterdammer in een cel
Die moest, omdat ie z’n plicht deed in de bajes –
een schandaal, U snapt me wel.
Zo’n stoere Amsterdammer die moest ereburger zijn,
Een sieraad is hij voor de burgerij,
’k Ga naar de rechters toe
En smeek: ‘Laat onze Schröder vrij.’”

De voedselvoorziening wordt tijdens de oorlog een steeds groter probleem. Behalve voor de handelaars die een slaatje slaan uit de situatie. De OW’er (oorlogswinstmaker) is een dankbaar onderwerp voor (straat)liedjes:

“Die O.W.er is een type
Die men vroeger hier niet had
Hij is nu een illustratie
Van het leven onzer stad

Vroeger was hij varkensslager
Groenteboer of kruidenier
Nu bewoont hij ’n chique villa
In ’t museum- of parkkwartier.”

In 1917 wordt het broodrantsoen gezet op vier ons per dag. Noodgedwongen moet men de witte boterham verruilen voor het minderwaardig geachte bruinbrood. De komiek Maurice Dumas (Maurits Bonavang) zingt:

“Geacht publiek,
Ik ben zo ziek,
’k Kan geen oorlogsbrood verdragen!
Dat paardenbrood,
Dat is mijn dood,
’t Maakt me gek of idioot.
’k Ben geheel van streek,
Zie van maagkramp bleek.

’k Ben abonnee
Van de W.C.,
’k Moet me telkens absenteren.
Loop ik op straat,
Weet ik geen raad,
Als mijn maag aan ’t romm’len gaat.
’k Droom er van in bed,
En roep luid: ‘Bezet.’”

In de zomer van 1917 gaat het mis in Amsterdam. Vrouwen in de Jordaan hebben er lucht van gekregen dat in de Prinsengracht een schip met aardappelen ligt, officieel bestemd voor het Amsterdamse garnizoen van Amsterdam, maar volgens sommigen voor het Duitse leger. Het onbewaakte schip wordt door de vrouwen geplunderd. Dat is het startsein voor meer wanhoopsagressie. Pakhuizen en treinwagons in de Rietlanden en winkels worden aangevallen. De slagerij op Wittenburg, die aan de Duitsers levert, wordt geplunderd. De politie krijgt hulp van het leger, wat leidt tot het ‘Bloedbad op het Haarlemmerplein’ op 5 juli. De militairen openen het vuur op de menigte, die daar is samengekomen: zes doden en bijna 100 gewonden.
Lieddichter Tom Telmers verplaatst zich in het gevoelsleven van de aardappel:

“’k Hief mijn ogen smekend op
Tot een braaf minister
Maar die bromde in zijn baard:
Aardappel, wat is-’t-er?
Scheer je weg, want ’k heb geen tijd
Om op jou te letten,
Ik verschalk alleen maar bons
En lust geen uitvoerwetten

Maar het volk van Amsterdam
Liet me zo niet gappen
’t Liep te hoop en ’t had gelijk
Al kreeg het dan ook klappen
Toen is er veel bloed gevloeid
Ach, om mijnentwille
Maar minister Posthuma
Liet kalm zijn aar’pels schillen.”


Wethouder Wibaut probeert de arbeidersvrouwen aan de wel voorradige rijst te krijgen. Dat gaat met zeer lange tanden, de multiculturele keuken is nog onbekend.

“’s Maandags dan begint ons lijden
Want dan krijgt men enkel rijst
Dinsdags als op andere tijden
Ook de rijst weer op de lijst
Woensdag gort, of duffe bonen
Donderdags natuurlijk rijst
Vrijdag, zaterdag en zondag
Staat weer aangeprijst.”

Als in november 1918 de wapens eindelijk zijn neergelegd, probeert men de vooroorlogse draad weer zo snel mogelijk op te pakken. Zelfs de uitbraak van de Spaanse griep, een virus dat wereldwijd 20 miljoen slachtoffers heeft gemaakt en in Nederland ongeveer 30.000, kan Nederland niet van een nieuwe start afhouden.

“Ieder heeft thans influenza,
Spaanse griep, of hoe het heet.
Ieder had het, ieder wacht het,
Of hij heeft juist nu het beet.
Aspirine wordt verorberd,
Niet bij grammen, maar bij het pond.
En men geeft de thermometer
vlijtig door, van mond tot mond.”

In de naoorlogse bloeiperiode, presenteert Amsterdam zich als een stad die met de tijd meegaat. Daarin past de organisatie in 1919 van de Eerste Luchtvaart Tentoonstelling Amsterdam (ELTA) in Noord. De enorme belangstelling (500.000 bezoekers) leidt tot de oprichting van de KLM. Voor zijn nieuwste revue Heb je al gevlogen? dicht Rido:

“Wij leven tegenwoordig in de moderne eeuw
’t Is niets meer zoals vroeger: weinig wol en veel geschreeuw
Wie heeft ooit kunnen dromen dat je in een vliegmachien
Voor 25 popjes heel Amsterdam kon zien!

We gaan vliegen, vliegen, vliegen, over ’t Tolhuis en het IJ
Laat je wiegen, wiegen, wiegen, met je meisje aan je zij
Menig aardig vliegeniertje doet zijn schatje een pleziertje
Met ’n toertje door de lucht; Amsterdam in vogelvlucht.”

Ja, een nieuw tijdperk is aangebroken, ook op huishoudelijk gebied. In 1920 dichtte (alweer) Louis Davids:

“De oude tijd heeft afgedaan, met al z’n duisterheden
De walmende petrolielamp behoort weer tot ’t verleden
Geen oliestel voortaan
Die hebben afgedaan
Die tref je straks alleen nog maar in ’t Rijksmuseum aan
De electriciteit is toch een boffie
Electrisch zet je nou je bakkie koffie
Ja, electriciteit brengt veel gerieflijkheid
En daarom is de leus van deze tijd:

Doe het electrisch
Doe het electrisch
Dat is de grootste zaligheid!
Licht en warmte heb je nu
Voor een krats per KWU
Doe het met electriciteit.”