Nummer 9: September 2004



Een thuis voor zeelieden

Zeemanshuis Amsterdam dobbert op woelige baren

Tekst: Angela Rijnen

092004_ZeemanshuisSinds 1858 heeft Amsterdam een Zeemanshuis. Zeelieden waren sindsdien voor een slaapplaats niet meer afhankelijk van louche slaapbazen en voor een potje biljart hoefden ze niet meer naar het café. Als zeemanshotel werd het de laatste dertig jaar overbodig, maar zijn sociale functie verloor het nooit. Toch overweegt de gemeente, net als het rijk, de subsidie per 1 januari 2005 te staken. Mag Amsterdam zich nog een havenstad noemen, zonder Zeemanshuis?

“Dit schip wordt binnen anderhalve dag volgeladen. De bemanning kan in de tussentijd niet zomaar de stad in, dat is mijlenver weg.” Leo Bersee, een van de zes medewerkers van het Seamen’s Center op de Radarweg, stopt zijn busje op een toegangsweg bij het kolenoverslagterrein de Rietlanden in de Amerikahaven. Een niemandsland waar je geen mens ziet. Door een hek, dat het haventerrein hermetisch afsluit, turen we naar het schip de Aquahope, zo’n 300 meter verderop. Het is grotendeels aan het zicht onttrokken door grote bergen kolen met ernaast drie enorme gele hijskranen. Leo ziet het hek voor het eerst. Het is daar geplaatst vanwege de verscherpte internationale veiligheidsmaatregelen.

Vanmiddag is het Leo’s beurt om de binnengekomen schepen te bezoeken. Zijn werkterrein reikt van de Houthavens tot aan Ruigoord. Leo - helm op, foldertje in de hand - klimt aan boord van de schepen om de bemanning te vertellen dat ze ’s avonds welkom zijn in het Seamen’s Center. Als ze daarvoor belangstelling hebben, kunnen ze vanaf 18.00 uur met het busje worden opgehaald. Wekenlang hebben de mannen op het schip gezeten, dus ja, een aantal mannen heeft daar wel oren naar. Eindelijk zullen ze dan ook weer eens naar huis kunnen bellen.

Het scheepsbezoek lijkt op het werk van de runners, die het oude Zeemanshuis op het Kadijksplein – de voorloper van het Seamen’s Center - inzette om zeelieden over te halen er de nacht door te brengen. Dat hotel voor zeelieden lag in de 19de eeuw nog midden in de havenbuurt. Zowel voor de deur als om de hoek in de Nieuwe Vaart meerden destijds de zeezeilschepen aan.

De overwegend Nederlandse zeebonken bleven overigens niet alleen in Amsterdam omdat ze na een lange zeereis niet meer naar huis konden. Zeelieden hadden geen vaste contracten en om kans te maken op een volgende vaart moesten ze in de stad blijven. Het onderdak was voor eigen rekening. In alle havensteden opereerden ‘slaapbazen’: louche types, die tevens fungeerden als ronselaar van bemanningen. In Amsterdam opereerden ze voornamelijk op de Zeedijk en omgeving. Ze lokten de zeeman naar hun gore logementen, schonken borrel na borrel, lieten de man in aangeschoten staat een wurgcontract tekenen en stopten de winst in hun zak.

En de zeelieden, stevige kerels met zwarte petten en getatoeëerde armen, snakten natuurlijk naar een verzetje. “Heren van zes weken”, werden ze wel genoemd: met hun loon van maanden maakten ze korte tijd goede sier, in de kroeg, bij de meisjes en in de bordelen. Als ze eenmaal alles hadden verbrast, waren ze afhankelijk van hun slaapbaas, die hun leningen verstrekte tegen woekerrentes.

Biljarten en zonschieten

Om die misstanden een halt toe te roepen, zamelden enkele Amsterdamse reders en notabelen, net als collega’s in Rotterdam, geld in om naar Engels en Amerikaans voorbeeld een zeemanshuis te stichten. “Een vriendelijke herberg voor onze kloeke zwervers op de baren,” aldus predikant Edelhardus Bernardus Swalue in een brochure uit 1858 over Nederlandse zeemanshuizen.

Wie het hoekige en verwaarloosde gebouw op het Kadijksplein nu aanschouwt, ontwaart weinig vriendelijks, maar voor de zeeman van weleer was het een toonbeeld van luxe. Afhankelijk van zijn rang betaalde hij ƒ 0,80 tot ƒ 1,25 per dag voor volpension. Daarvoor kreeg hij een frisse eenpersoonskamer met uitzicht op het IJ en lag hij niet, zoals bij de slaapbazen, met meerderen in een bedompt hok. Weliswaar moest hij de jenever elders halen en mocht hij er niet kaarten, maar hij kon er wel biljarten, boeken lenen en vanaf 1859 lessen nemen in ‘zonschieten’, ‘plaatsbepalen’ en ‘touwsplitsen’ bij de Zeevaartschool die eraan verbonden was. Ook kon hij er zijn spullen in bewaring geven, een voorschot krijgen op zijn salaris en zijn ontvangen gage op rente vastzetten. Op 30 mei 1858, 55 dagen na de opening, was er al ƒ 355 gespaard.

De voordelig geprijsde kamers van het Zeemanshuis waren zeer in trek; in mei 1860 waren alle zestig kamers bezet. Toch kon het huis de macht van de slaapbazen niet breken. Zij stuurden eenvoudigweg loopjongens naar Den Helder en later IJmuiden om zeelieden die op weg waren naar Amsterdam alvast naar hun logementen te lokken. Toen het Zeemanshuis in 1878 eveneens ‘runners’ inzette, getooid met de letters ZMH om de arm, deden de loopjongens van de slaapbazen gewoon zo’n zelfde band om. De louche praktijken leken onuitroeibaar. Toen de Rotterdamse journalist Marie Joseph Brusse in 1899 vermomd als zeeman onderdak zocht, woonden de grootste Amsterdamse slaapbazen op de Geldersekade en in de Buiten Bantammerstraat. Ze hielden soms wel dertig tot veertig procent van de gage van een zeeman in als bemiddelingskosten, constateerde hij.

De permanent in het Zeemanshuis gestationeerde veldwachter weerde dit gespuis, maar niet tot ieders genoegen. Gasten klaagden dat ze veel minder kans hadden om aangemonsterd te worden dan zeelieden die bij een slaapbaas overnachtten. Het kostte jaren om enkele reders zo ver te krijgen dat ze het aan- en afmonsteren in het Zeemanshuis lieten plaatsvinden.

‘Weinig sjansen’

Als de haven vol schepen lag, was ook het robuuste huis op het Kadijksplein doorgaans helemaal vol. Binnen een paar decennia kwamen de zaken er echter rigoureus anders voor te staan. In 1860 had het Zeemanshuis nog een topjaar, waarna de zeilvaart een niet meer te stuiten duikvlucht nam. In 1859 monsterden in Amsterdam 536 zeilschepen aan, in 1879 nog slechts 114, plus 14 stoomschepen. In 1888 was de zeilvaart definitief passé, maar voor de veel grotere stoomschepen was de haven te klein en te ondiep. Pas toen na 1900 het beter toegankelijke Oostelijk Havengebied gereed was, klom de haven weer uit het dal.

Dat het Zeemanshuis in 1887 met 20.000 overnachtingen toch zijn eerste record boekte, kwam omdat het in dat jaar ook als internaat voor de machinistenschool ging fungeren. In 1899 telde Brusse echter naast de zeevarenden in spe niet meer dan tien gasten. De portier waarschuwde bij binnenkomst al dat er “haast geen vaart meer” was en alles naar Rotterdam uitweek. “Er heeft in de dagen dat wij er waren, geen enkel schip van betekenis gemonsterd,” schreef Brusse, “enkel een paar petroleumbootjes; en dat was nu al een hele week zo, vertelde één van de kameraden. En omdat er weinig sjansen [kansen op aanmonsteren, red.] zijn, komen er weinig zeelui heen.”

In 1905, toen er het hele jaar slechts 4000 zeelieden overnachtten, was de nood echt aan de man. De directie werd ontslagen en vanaf 1906 zou mevrouw M. Hillegaard-Haafkens 42 jaar lang aan het roer van het Zeemanshuis staan. Ze was een vastberaden directrice, die ook “gezelligheid aankweekte”. Het contract met Heinekens bierlokaal De Catacomben, dat omwille van de huuropbrengsten al sinds 1871 een plek in de kelders van het Zeemanshuis was gegund, werd resoluut verbroken. Na een verbouwing en uitbreiding in 1916 braken zonniger tijden aan, maar in de jaren dertig liep de activiteit in de haven weer aanzienlijk terug. In de oorlog vorderden de Duitsers het huis der zeemannen en lieten het in 1945 in deplorabele staat achter. Opnieuw moest het Zeemanshuis stevig onder handen worden genomen.

In de jaren vijftig, toen het beheer van het huis in handen kwam van de Stichting Zeemanswelvaren, kwam er iets meer luxe en gezelligheid, onder meer door de komst van een televisie en een piano. Ook werden er feestavonden georganiseerd en de officieren kregen een bureau en leeslampje op hun kamer. Maar in de jaren zestig en zeventig veranderde de sfeer pas echt toen Nederlandse en Scandinavische zeelieden plaatsmaakten voor Oost- en Zuid-Europeanen, Afrikanen en later vooral Aziaten. De forse zeebonk van weleer was op zijn retour, hoewel het type tot in de jaren zeventig in het Zeemanshuis werd gesignaleerd. “Ik had de indruk dat er een flink aantal ongetrouwde zeelieden woonde dat gestopt was met varen,” zegt Joost Voorsluis, die zich in 1971 vestigde als huisarts in het Medical Center for Seamen aan de Kalkmarkt. Maar ook voor jongeren had het een sociale functie. Machinist Robbie Bruyns had in 1982, toen hij 32 jaar oud was, eindelijk een eigen woning in Amsterdam, maar legde nog regelmatig aan bij het Zeemanshuis, voor de gezelligheid. “Om een kaartje te leggen en met de maten een pijpje bier te drinken tot we weer gingen varen.”

Met al die nationaliteiten was het lastig de traditionele Hollandse sfeer te behouden. Voorsluis herinnert zich nog het kerstfeest van 1974, waarvoor hij en zijn vrouw waren uitgenodigd. “De grote zaal was gevuld met matrozen en machinekamerpersoneel. Veel Grieken en Filippijnen. Nadat een dominee had gesproken, kwam een majorettenkorps de boel wat opvrolijken. Zodra die meisjes met blauwe beentjes van de kou op het podium kwamen, stormden die jongens naar voren om onder hun rokken te kijken. Er hing niet bepaald een kerstsfeer.”

‘No pornsites!’

In de jaren zeventig verhuisde de haven naar het Westelijk Havengebied en lag het Zeemanshuis plotseling ver weg van de kades waar de schepen aanmeerden. De zeelieden hadden bovendien niet meer zo’n behoefte aan een hotel speciaal voor hen. Ze hadden inmiddels vaste contracten, via Schiphol kwamen nu aflosbemanningen invliegen, en zo nodig regelden agenten wel een regulier hotel voor een nacht. In de kamers die niet langer werden bezet door zeevarenden, werden vluchtelingen gehuisvest en Spaanse en Joegoslavische gastarbeiders die op de scheepswerven in Amsterdam-Noord werkten. Zo zong het Zeemanshuis het nog wat langer uit. Maar in april 1985 sloten de deuren op het Kadijksplein definitief voor de zeelieden. Wel laat de huidige eigenaar-bewoner van het pand, Youth with a Mission, nog regelmatig oude Nederlandse zeelieden binnen die herinneringen aan hun vroegere logement willen ophalen.

Tot december 1985 hadden zeelui die in de Amsterdamse haven aanmeerden geen plek aan wal om te relaxen, een praatje te maken of een geestelijke te spreken. Uiteindelijk lukte het de Stichting Zeemanswelvaren toch om met subsidie van het rijk en de gemeente een doorstart te maken in de Coenhaven. De huidige vestiging in de Amerikahaven, op tien minuten loopafstand van station Sloterdijk, werd betrokken in 1995. Het gebouwtje op de Radarweg is speciaal neergezet voor de stichting en is gefinancierd door de internationale vakbond voor zeelieden, de ITF. Ook het busje van het Seamen’s Center, nodig om het hele gebied te kunnen bestrijken, is betaald door deze bond.

Het afgelegen centrum, dat dagelijks open is van vier uur ’s middags tot elf uur ’s avonds, ademt de sfeer van een buurthuis. Er is een grote ruimte met een bar, tafeltjes, een biljart en een tafeltenniskamer. Achterin is een bibliotheek en een huiskamer met televisie. “No pornsites!” luidt de tekst op een A4-tje dat tussen de twee computers met adsl-verbinding hangt. Maar het allerpopulairst zijn de twee telefooncellen bij de ingang.

Kapitein Alexander Tuvaev, een veertiger met zachte stem, nipt met tussenpozen aan zijn biertje van € 1,30. Met drie bemanningsleden, onder wie de scheepsarts en een scheepsstewardess, is hij naar het Seamen’s Center komen lopen. Vandaag zijn ze aangekomen uit Riga, morgen vertrekken ze weer om dezelfde reis te maken in omgekeerde richting. “We hebben geen tijd om de stad in te gaan,” zegt hij.

Om zeven uur ’s avonds komen drie Filippino’s met Leo Bersee binnen. Onmiddellijk vliegen ze op de bar af om telefoonkaarten te kopen zodat ze naar huis kunnen bellen. Vier weken hebben ze geen voet aan wal gezet en morgen vertrekken ze weer, op hun floating prison.

Kapitein Tuvaev ondertekent het bezwaar van het Seamen’s Center tegen het stoppen van € 80.000 gemeentesubsidie, waardoor het centrum zou moeten sluiten. “How can they close a seamen’s center in the biggest harbor of Europe?” vraagt hij niet-begrijpend.

Geen drank, geen hoeren

“Nederland staat in zijn hemd,” reageert Arend Boer, directeur van het Maritieme Hotel/Zeemanshuis in Rotterdam, aan de telefoon. “In elke havenstad moet een Zeemanshuis zijn: of er nu dagelijks tien of honderd mensen van gebruik maken.” Zijn Zeemanshuis op de Willemskade, nabij het stadscentrum, fungeert sinds kort tevens als toeristenhotel. Een zeeman betaalt € 22,50 inclusief ontbijt, een toerist ongeveer het dubbele. Zo financiert Boer de sociale opvang van zeelieden in twee “excentrische” locaties nabij de havens. Want ook in Rotterdam staat de subsidie onder druk. Gelukkig bestond het hotel in de binnenstad nog. Want “met alleen een locatie in de haven, net als in Amsterdam, kun je nooit commercieel werken,” zegt Arend Boer.

Een semi-commercieel hotel is voor Amsterdam geen optie, want er is maar een beperkte opvang, en die ligt ver van het stadscentrum. Het ideaal van de oprichters van het Zeemanshuis is wat dat betreft bereikt: de zeeman is niet meer de zwalkende feestvierder, de hitsige hoerenloper, de jongen met in elk stadje zijn schatje. Niet dankzij de keurige notabelen en hun intenties, maar in het kielzog van de ontwikkelingen in de zeevaart van de laatste dertig jaar, waarin de zeeman steeds meer veroordeeld raakte tot zijn schip.

Automatisering en efficiencyverhoging bekortten de laad- en lostijden drastisch. De haven is een industrieterrein ver van de bewoonde wereld. En op de schepen werken mensen uit lageloonlanden die hele families onderhouden, zelf nauwelijks iets te besteden hebben in het dure westen en zich er niet verstaanbaar kunnen maken. Bovendien neemt de lust tot passagieren af met de jaren, hoort havenarts Joost Versluis. “Jonge jongens die wel van het schip af willen, lopen in de stad in hun eentje verloren rond. Dronkenschap kunnen ze zich niet veroorloven, ook omdat ze de volgende dag alweer inzetbaar moeten zijn. Varen is een continubedrijf, de romantiek is voorbij. En de anti-aidscampagnes aan boord hebben een radicale ommezwaai in het bordeelbezoek veroorzaakt. Voor de aidsepidemie had 20 procent van de zeelieden die onze praktijk bezochten een geslachtsziekte, nu is dat minder dan 0,1 procent!”

Als het Seamen’s Center zijn deuren sluit, zullen de zeelieden het stadscentrum niet onveilig maken. Vergeten door Amsterdam, waar in de haven mede dankzij hen jaarlijks vijf miljard euro omgaat, zullen ze stilletjes op hun schip zitten, denkend aan thuis.

A. Rijnen is freelance journalist.