Nummer 4: April 2004

Gevreesd en gevierd

50 Jaar vrouwen bij de Amsterdamse politie

Tekst: Mirjam Elias

042004_Agentes

“De enige kerel in de korpsleiding.” Deze typering van de eerste vrouwelijke politiecommissaris is van Eric Nordholt en bedoeld als compliment. Het was deze Tetje de Jong die in 1954 de eerste agentes binnenhaalde bij de algemene dienst van politie. “Ze voelde zich eenzaam als enige vrouw in de korpsleiding,” zegt Mariëtte Christophe, commissaris sinds 1994. Nu is dat anders, want inmiddels bestaat het politiekorps voor 33% uit vrouwen.

“Van haar wordt gezegd dat zij in vele opzichten de ziel is van het Amsterdamse korps,” aldus Het Parool in 1964 bij de benoeming van mr. Theodora de Jong (1918-1999) tot commissaris. Met haar benoemde het Amsterdamse korps de eerste vrouw in die functie én bovendien de jongste ooit. “De overheersende maar toch charmante persoonlijkheid uit Uithoorn,” aldus Het Parool, werkte toen ruim twintig jaar bij de politie. Dat zij de functie van commissaris kreeg, betekende een breuk met het verleden. Er waren – dankzij haar – de afgelopen tien jaar meer vrouwen aangesteld in algemene dienst, maar zij waren nog lang geen doorsnee dienders. Van de vrouwen werd eigenlijk vooral verwacht dat ze bij problemen op het bureau en op straat zorgzaam en geduldig zouden optreden – eigenlijk zoals de juf op school en de moeder thuis. Bij de Amsterdamse kinderpolitie werd ook al in 1920 een vrouwelijke leidinggevende aangesteld: Cornelia van Ooy, een voormalig verpleegster. In de daarop volgende jaren kwamen er meer vrouwen, maar altijd bij de kinder- en de zedernpolitie.

Theodora – alias Tetje – de Jong kreeg haar eerste aanstelling bij de politie in 1943. Ze moest de universiteit verlaten omdat ze als rechtenstudent weigerde de loyaliteitsverklaring aan de bezetter te tekenen, maar dat bleek voor commissaris Mouwen juist een aanbeveling. Ze kreeg op zijn afdeling een administratief baantje. Na de bevrijding werkte ze bij de Politieke Opsporingsdienst en vervolgens, weer terug bij het korps, bij de Vreemdelingendienst aan de Oudezijds Voorburgwal. Tot veler verbazing – ook van haarzelf - wilde hoofdcommissaris Kaasjager dat ze er inspectrice werd. Nadat ze alsnog haar rechtenstudie had afgemaakt, werd ze in 1948 vervolgens officieel benoemd tot chef bureau kabinet. Intern werd ze echter niet aangesproken met title of rang, maar als ongetrouwde vrouw: juffrouw de Jong.

Haar bliksemcarrière had ook een lasting neveneffect, namelijk wandelgangen vol morrende want gepasseerde politiemannen. Tet de Jong begreep dat wel, vertelde ze het korpsblad in 1990: “Wat wist ik nou van de politie? Als de voorzitter van de politiebond binnenkwam zat ik met water in mijn handen. Die man was me qua kennis ver de baas.”

Tante agent

In 1954, vlak voor zij hoofdinspecteur werd, haalde Tet de Jong de eerste vrouwelijke agentes binnen. Zij waren volwaardige politie-ambtenaren, maar zij moesten natuurlijk wel werk krijgen waarvoor zij geschikt waren. En dat bleek het werk te zijn waar de mannen niet zoveel zin in hadden: de kinderen en het verkeer. De verkeersassistentes baarden aanvankelijk baarden zoveel opzien dat het verkeer vooral stagneerde.

Het Parool wijdde op maandag 26 april 1954 amper aandacht aan het bezoek van het Deense Koningspaar: “Met duizenden Amsterdammers hebben koning Frederik en koningin Ingrid vandaag enkele vrouwelijke politieagenten in Amsterdam gezien, die voor het eerst in het openbaar verschenen. Zij waren gekleed in keurig zittende uniformen: tuniek, rok, baret, overhemd en das, en over de schouder een zwarte handtas. Wat daar wel inzat? ‘In ieder geval geen wapen; wij zijn nog ongewapend,’ heeft een der agentes ons verteld.” En dagboekanier Henri Knap vroeg zich in Het Parool af of hij nu voortaan ‘tante agent’ moest zeggen tegen de “keurig - geüniformeerde juffrouwen, een soort stewardessen-van-de-wet”. Knap vermoedde dat het zou wennen mits de vrouwelijke agenten bereikten wat hun mannelijke collega’s moeite kostte: optreden met “een helpende in plaats van de straffende hand”.

De vrouwen kwamen niet zonder meer met de rest van de agenten te werken, vertelt oud-ME-commandant en districtschef Leen Dorst: “Juffrouw De Jong hield de jonge agentes apart onder een oude adjudant.” De Jong voorzag kennelijk problemen als de vrouwen direct met de bestaande mores werden geconfronteerd. Gebogen over haar foto zegt Dorst: “ Tet was een knappe vrouw in haar jonge jaren. Ze had een best lief maar vooral ook zeer oplettend gezicht. Met vele antennes voelde, zag, en hoorde ze alles en onthield elk detail. Zij besliste over hoofdzaken, de hoofdcommissaris tekende wel.”

Tet de Jong stond haar mannetje wel, zoveel is duidelijk, maar of dat voor andere vrouwen ook gold, daaraan werd in de jaren zestig ernstig getwijfeld. De studiebijeenkomst De vrouw bij de politie in 1966 – overigens geleid door De Jong zelf – leidde nog tot verbijsterende conclusies: wegens gebrek aan technisch inzicht werden agentes ongeschikt geacht voor het afhandelen van verkeersongevallen en hun fysiek was niet op nachtelijke surveillance berekend. “Een van nature geringere aanleg voor gezagsoplegging” zou optreden in het openbaar belemmeren. “Ouderwets geklets,” was het oordeel van Tet de Jong in 1993 over deze uitkomst. Vernieuwend was wel de roep om meer vrouwelijke docenten en deeltijdwerk. Dat zou ook zeker vruchten afwerpen voor een latere generatie politievrouwen. Mariëtte Chirstophe is een van hen. Zij behoorde tot de vijf eerste meisjes op de Nederlandse Politie Academie in de 45-koppige lichting van 1971 en werd als eerste vrouw na De Jong – in 1994 – benoemd tot commissaris. Al als klein meisje wees ze naar het plaatselijke politiebureau en wist zeker: “Mam, daar ga ik later wonen.”

Het jaar waarin Christophe kennis maakte met het vak, kreeg Tet de Jong opnieuw een uitdaging voorgeschoteld: zij kreeg een baan bij als Hoofd Beheersdienst. De gevreesde en gevierde workaholic, die zelf overigens nóóit een uniform droeg, werd in 1974 ten slotte zelfs plaatsvervangend hoofdcommissaris. Gevraagd naar de rol van vrouwen in het korps stelde De Jong toen nuchter: “Door het samengaan van mannen en vrouwen worden dingen genuanceerder aangepakt.” Daarvan merkte Mariëtte Christophe op haar stages echter nog zo weinig dat zij de vrouw bij de politie als onderwerp nam voor haar afstudeerscriptie in 1975. “Nu, na bijna 33 jaar bij de politie moet ik soms nóg knokken. Ik genoot van de collegialiteit en de algehele charme. Maar als nieuw fenomeen in uniform kreeg ik ook veel te verstouwen: ‘Juffrouw u snapt het niet, ik bel voor de wachtcommandant.’ ‘U snapt het ook niet, ik bén de wachtcommandant.’”

“Kennelijk vond Tet de Jong dat ik als nieuw kostbaar bloempje eerst in haar buurt moest gedijen,” zegt Mariëtte Christophe. “Ik wilde liever in de echte wereld mijn vrouwtje staan, maar gehoorzaamde. In anderhalf jaar kreeg ik bij personeelszaken echt kijk op de organisatie. Van nabij zag ik ook Tets eenzaamheid. Zo kwam deze bijzondere strijdlustige vrouw eens huilend de lift uit na een bijeenkomst met de korpsleiding.”

In 1978 ging Tetje de Jong met pensioen.

‘Ik bevocht mijn plek vanuit de modder’

De tijden veranderen was een werkgroep van politievrouwen die in 1979 werd opgericht nadat echtgenotes van hun mannelijke collega’s hadden geprotesteerd tegen de ‘gemengde nachtdiensten’. Mariëtte Christophe besefte inmiddels dat er nooit wat veranderde zolang vrouwen ver in de minderheid bleven. Eenmaal hoofdinspecteur bepleitte ze in een felle nota een streefcijfer van zesten procent vrouwen bij het korps. “Op een studieconferentie in 1985 kreeg ik minister Rietkerk zover dat hij de eis tot 25 procent executieve vrouwen in 1995 tot beleidsuitgangspunt maakte.”

Inmiddels heeft Amsterdam Amstelland 33 procent vrouwen van wie relatief veel in executieve dienst. “Mijn dossier,” zegt Christophe trots. “Gezien de ongelijke verdeling van zorgtaken zit er vooralsnog niet meer in. Temeer daar de bevolking in sommige wijken vrouwen ineens niet als gezag ervaart. Daarop gaan we chefs nu attenderen.”

Bij haar benoeming tot commissaris in 1994 werd Mariëtte Christophe in Het Parool beschreven als “een van de tien machtige vrouwen van Amsterdam”. Naast een paspop met een blauwe zijden jurk vertelt ze over die benoeming. “Ineens werd mijn auto omringd door kleine, slanke motorrijders. De eerste die ik herkende was Corry Visser, onze eerste vrouwelijke motoragente. Ik was trots zoals die meiden me door de files loodsten, met vip-begeleiding reed ik naar Krasnapolsky waar deze jurk klaarlag. Daarin onderging ik een In de hoofdrol over mijn loopbaan.” Belangrijk daarin was haar pleidooi voor leidinggeven in deeltijd. Leen Dorst was daar fel tegen: “Een wijkteamchef moet een en dezelfde persoon zijn.” Als chef dienst personeelszaken in deeltijd – nog wel tijdens de reorganisatie tot regiokorps - wist Mariëtte Christophe dat velen haar met argusogen volgden. Ze kende de vooroordelen, maar ze trok haar eigen plan. “Het was roofbouw, maar ik wilde zo graag ook moeder zijn.”

Als hoofd professionalisering en innovatie is commissaris Christophe verantwoordelijk voor vernieuwingen zoals de wijkteams nieuwe stijl, de Academie Politie Amsterdam Amstelland en de buurtregie die klein en grootschalig tegelijk is (“Eén druk op de knop en we weten binnen drie uur waar spanning is”). Dat de enige vrouwelijke hoofdcommissarissen zij-instromers zijn, steekt: “Ik bevocht mijn plek vanuit de modder. Ik hop elders omhoog of eindig als wijze squaw van Amsterdam Amstelland,” zegt ze desondanks grinnikend. En Tetje de Jong, waarom is zij eigenlijk nooit meer dan plaatsvervangend hoofdcommissaris geworden? Volgens Eric Nordholt was ze er zeer geschikt voor. Maar Leen Dorst zegt: “Mannen hadden nooit gepikt dat Tetje met kop en schouders boven iedereen uitstak als hoofdcommissaris.” En met een Cruijffiaanse redenering concludeert hij: “Dan was zij lang niet zo geslaagd geweest als nu.”

Drs. M. Elias is historica en journalist.

Literatuur

Nelleke Manneke, Vrouwen van kaliber. Politievrouwen in de twintigste eeuw, Nederlands Politiemuseum Apeldoorn, 1998.