Nummer 2: Februari 2003

Domino spelen met opa

De grootouders van oud-burgemeester Wim Polak

022003_PolakWim Polak (1924-1999) zat tussen 1962 en 1983 in het Amsterdamse college van B&W, als gemeenteraadslid, wethouder en burgemeester. Hij maakte de bouw van de IJ-tunnel en de metro mee, de krakersrellen in de Vondelstraat en de inhuldiging van koningin Beatrix. In het vorige week verschenen boek Wim Polak, Amsterdammer en sociaal-democraat staan vele stukken over Wim Polak en de tijd waarin hij leefde (onder anderen door zijn zoon Menno), maar ook prachtige herinneringen geschreven door Polak zelf. Bijvoorbeeld over zijn opa’s en oma’s – op een na allen tijdens de oorlog omgekomen in een concentratiekamp. Net als zijn ouders. “Het verhaal van mijn grootouders geeft een stukje weer van de wereld van eergisteren, de wereld waar ik vandaan kom, maar die ik eigenlijk zelf al nooit echt heb gekend.”

Lotje

Mijn grootmoeder had geen neus. Op de plaats waar alle andere mensen een neus hebben, zat bij mijn vaders moeder een gat. Dat was, zeker voor ons als kleinkinderen, doodeng om te zien. Wij vonden het, alleen al om die ontbrekende neus en dat rare gat in haar gezicht, een beetje eng om bij onze grootvader en grootmoeder op bezoek te gaan. Of het nu door die neus kwam, weet ik niet, maar ik vond mijn grootmoeder ook niet aardig. Volgens de verhalen was ze gierig. Maar daar weet ik weinig van. Ze had veel kinderen (zeven) en nog meer kleinkinderen (twaalf), maar ik geloof niet, dat ze ooit een persoonlijk woord tot die kleinkinderen richtte.

Mijn grootouders woonden op Rapenburg 10, niet ver van waar nu de IJ-tunnel is. Ze woonden tweehoog. Als je omhoog was geklommen, stond je meteen, verlegen en wel, in de huiskamer. Die kamer was klein en tamelijk donker en er stond een kachel. Aan weerszijden daarvan zaten mijn grootouders, die ik een handje moest geven. Mijn grootvader zei dan iets dat ik niet verstond, mijn grootmoeder lachte maar zonder enige vrolijkheid. Vrij door het huis of zelfs door de kamer lopen was er niet bij. Dat mocht niet van mijn ouders en dat dorst ik ook niet goed. Ik stond of zat dus maar naast mijn vader te wachten tot het be­zoek afgelopen was.

Pas veel later heb ik begrepen dat het leven van mijn grootmoeder eigenlijk een enorme tragedie is geweest. Zij was helemaal niet arm geboren. Haar vader had een groothandel in textiel, de indertijd bekende firma Pijnappel en Beth (mijn grootmoeder heette Bed, de deftigere tak van de familie Beth). Mijn grootmoeders broers en zusters zijn, voor zover ik weet, allemaal redelijk welgestelde burgers geworden. Maar voor een meisje zonder neus bestonden toen weinig kansen, ook niet als kandidaat-echtgenote. In de tijd dat mijn grootmoeder volwassen werd, was mijn grootvader, Wolf Polak, knecht in het pakhuis van Leentjes vader. En zo trouwde de mismaakte dochter van de baas met die ongeschoolde, straatarme knecht. Hoe dat ging en of daar liefde of misschien nog wat geld aan te pas zijn gekomen, vermeldt de geschiedenis niet.

Liefde of geen liefde, Wolf en Lotje hadden zeven kinderen: twee dochters (Anne en Katrien) en vijf zoons (Samuel, Jonas, Philip – mijn vader –, Joop en Barend). Het grote gezin woonde aanvankelijk op de Houtkopersburgwal, later in een krotwoning in de Uilenburgerstraat (als ik het goed weet nummer 67). Daarna kwam het gezin op Rapenburg terecht. In die latere jaren stond mijn grootvader op de vismarkt, als visschoonmaker. Wie vis had gekocht, kon die voor vijf cent of een dubbeltje door hem laten schoonmaken. Veel, veel later zijn mijn grootouders nog eens verhuisd: naar de Joodse Invalide, het toen moderne verzorgingstehuis op het Weesperplein, waar nu de gg & gd is gevestigd. Ook daar heb ik ze nog wel bezocht, maar toen was ik al groot en was het niet eng meer.

Mijn grootmoeder is in 1941 op haar 81ste gestorven. Zij is de enige van mijn vier grootouders die een natuurlijke dood is gestorven.

Wolf

Opa Wolf was een vriendelijke, vrome man. Hij begaf zich elke zaterdagmorgen en elke avond naar de sjoel (synagoge) in de Uilenburgerstraat, waar hij kennelijk een gewaardeerd lid van de gemeente was en waar ik op mijn dertiende verjaardag nog bar mitswa geworden ben (zeg maar: kerkelijk meerderjarig). Zo’n bar mitswa was een hele gebeurtenis. Het houdt in dat je als jongen oud genoeg wordt geacht om te worden erkend als volwaardig lid van de joodse gemeente. Als bewijs daarvan word je op zaterdagmorgen tijdens de grote dienst in de synagoge ‘opgeroepen’. Dat wil zeggen dat je op de verhoging midden in de sjoelruimte in je eentje een stuk uit de thora (het Oude Testament) moet voorlezen, of veel erger eigenlijk: je moet dat stuk voorzingen. Het was, achteraf gezien, mijn eerste optreden in het openbaar, doodeng. Maar toen iedereen na afloop zei dat het goed was gegaan en toen mij in de ‘vrouwensjoel’ (de vrouwen zaten op het balkon, strikt gescheiden van de mannen) nog meer lof was toegezwaaid, vond ik het toch wel mooi. Mijn grootvader was duidelijk een beetje trots.

Als ik in de laatste jaren onverwacht in een spiegel kijk, zie ik soms plotseling zijn verschijning voor mij: een klein, gedrongen mannetje met een bril op, en een gezicht, dat op mijn gezicht lijkt. Dat is wel een beetje verrassend, want ik heb in mijn jeugd nooit het gevoel gehad dat ik op mijn grootvader leek.

Op zijn 81ste is hij aangereden door een bakfiets. Hij brak een heup en heeft nadien nooit meer goed kunnen lopen. Toen zijn vrouw gestorven was, bleef hij alleen achter in de Joodse Invalide. Hij was 84 toen hij, gehandicapt en wel, met zijn medepatiënten door de Duitsers werd gedeporteerd: ‘arbeidsinzet’. Verder dan Westerbork is hij niet gekomen. Daar is hij gestorven.

Bari

De vader van mijn moeder heette Barend Jacobs, maar hij werd Bari genoemd. Niet grootvader Bari, of opa Bari, maar kortweg Bari. Hij nam in de rangorde in de familie maar een bescheiden plaats in, ook al had hij een harde stem waar hij luid mee placht te schreeuwen. Als er beslissingen moesten worden genomen, dan werd meer over hem dan door hem beslist. Bari was klein van stuk, maar hij had een opvallend grote neus. Hij was tamelijk sterk, al had hij, wat ik erg interessant vond, een kromme pink, net als bij mij waarschijnlijk het gevolg van de ‘ziekte van Dupuytren’; als zo’n pink erfelijk is, heb ik die van hem. In ieder geval was ik juist op die grootvader erg gesteld. En dat was wederzijds. Hij leerde mij domino spelen en ook dammen. Hij had daar groot plezier in, vooral toen ik er ook wat van kon, al bleef hij altijd veel gewiekster dan ik. Ik geloof ook niet dat hij mij ooit stiekem liet winnen.

Barend trad in het huwelijk met Aaltje Drukker, waarna ze op de Raamgracht gingen wonen, vlak bij de Zuiderkerk. Niet ver weg, op de Oude Schans, had mijn overgrootvader David met zijn zoons een porseleinhandel. Na een aantal jaren waren er drie kinderen: Clara (mijn moeder), Rebecca (tante Bep) en de jongste, een zoon, David. Maar reeds weinig jaren na het huwelijk stierf mijn overgrootmoeder Clara. En dus woonde vader David voortaan bij zijn oudste zoon en zijn schoondochter in. Er was vanaf dat moment maar één baas in huis en dat was niet Barend, maar zijn inwonende vader. Toen die was overleden kondigde zich de volgende gebeurtenis aan die het leven van het gezin grondig zou veranderen: Aaltje had een jongere zuster, Judith (Jetje) die getrouwd was met Mark Speijer. Zij hadden twee kinderen: Marianne en Maurits. Maar Mark Speijer werd ziek (waarschijnlijk tbc) en stierf. De weduwe en haar twee kinderen van vijf en twee jaar moesten worden opgevangen.1 Waar? Uiteraard in het gezin van Barend en Aaltje en hún kinderen. Zo kwam tante Jet met haar twee kinderen bij Barend en Aaltje inwonen. Van dat moment af groeiden de vijf kinderen samen in één gezin op als broertjes en zusjes. En opnieuw waren de gezagsverhoudingen veranderd. Want tante Jet mocht héél aardig zijn, ze was ook een persoonlijkheid, dat wil zeggen: zij was nu de baas. Van het ogenblik af dat zij bij haar zuster introk, maakten de beide zusters de dienst uit. Zij bestierden het huishouden. Daarnaast hadden zij samen een stal op de Nieuwmarkt, waar ze stoffen verkochten en zij zorgden ook voor de opvoeding van de vijf kinderen.

Maar als ik bij mijn grootouders [die sinds 1928 op Geldersekade 105 woonden, red.] logeerde, ging mijn grootvader met mij spelen. Dat was heel lang elke zaterdagmorgen het geval, omdat mijn moeder, mijn vader en ik elke vrijdagavond ‘op de Geldersekade’ aten en ik daar, tot ik op de middelbare school zat en dus op zaterdag naar school moest, ook bleef slapen. Ik was, denk ik, een jaar of tien toen mijn grootvader een keer bij ons thuiskwam. Hij had twee pakjes onder zijn arm. Cadeaus voor mij. Zonder enige aanleiding. In het ene pakje zat een dambord, in het andere damstenen. Konden wij voortaan ook bij ons thuis dammen. De familie was stomverbaasd, want Bari had, zei men, nog nooit zo maar iets voor iemand meegenomen. Ik was dus wel een bevoorrecht kind.

Begin jaren dertig – ik was toen ongeveer acht jaar – ontstond er ruzie tussen de broers Jacobs die samen de zaak van hun vader hadden voortgezet. De onenigheid eindigde ermee dat de oude grossierderij van David Jacobs uiteenviel in drie zaken: Izaak en Jacob zetten de oude zaak voort op de Oude Schans, Samuel begon samen met zijn zoons een nieuwe grossierderij. En mijn grootvader, Barend, begon samen met zijn zoon David ook een zaak: B. Jacobs en Zoon, in glas, porselein en aardewerk. Dat stond met mooie letters op de ramen van het pand Geldersekade 11. Zoon David ging op reis om klanten te bezoeken, Bari beheerde het magazijn en maakte de verkochte goederen klaar voor verzending.

Wat vond ik het prachtig als ik, als jongetje in dat pakhuis mocht meewerken, twee verdiepingen en een kelder, allemaal vol theepotten, koffiepotten, schalen, borden, koppen en schotels. En ik mocht helpen al datgene wat klanten besteld hadden op te zoeken en in te pakken. Voor mij was het magazijn dus prachtig, maar voor mijn grootvader was de ruzie met zijn broers, die nooit is bijgelegd, een breuk in zijn leven. Hij was nu helemaal afgesneden van zijn familie. Daar kwam bij dat het met zijn handel niet zo goed ging en uiteindelijk ging de zaak ook failliet. De inkomsten voor het gezin moesten voortaan komen uit de opbrengst van wat mijn grootmoeder op de markt verkocht. Mijn grootvader had niet veel meer te doen dan kaartspelen in een koffiehuis. Vaak ging hij ook een eindje ‘kuieren’. Dat bleef hij ook doen toen joden in mei 1942 een gele ster op hun jas moesten dragen. Amper een jaar later waren bijna al hun kinderen en kleinkinderen gedeporteerd. Alleen dochter Bep was ondergedoken met haar man Joop, haar dochter Leny, en hun oudste kleinkind, Wim. Van geen van de gedeporteerden hebben ze ooit nog iets vernomen. Van de ondergedokenen hoorden ze heel af en toe iets: dat het hun goed ging. Waar ze waren, wisten ze niet.

In mei 1943 zijn ze zelf weggehaald. Zij zijn via Westerbork naar Polen gevoerd. Zij zijn beiden op 21 mei 1943 overleden. Bari was toen 68 jaar.

Aaltje

Ik was nog een erg verlegen jongetje toen ik, vier jaar oud, voor het eerst op de kleuterschool kwam. En omdat ik wel een beetje ontzag had voor die drukke andere kinderen in de klas sloot ik al gauw vriendschap met de klasseleidster, juffrouw Peper. Ik praatte honderduit met haar, zodat de juffrouw op een keer na schooltijd tegen mijn moeder die mij kwam halen zei: “Hij heeft het altijd over Aaltje en Jetje waar hij zo leuk mee kan spelen. Zou het niet goed zijn als die kinderen ook op deze school zouden komen?” Waarop mijn moeder moest antwoorden: “Aaltje en Jetje, dat zijn zijn grootmoeders.” Zó leuk heb ik het met Aaltje en Jetje gehad. Jetje was dan weliswaar geen echte grootmoeder, maar voor mij maakte dat geen verschil: beiden waren toen ik nog zo klein was mijn beste speelkameraden.

Ze woonden vrijwel zolang ik mij kan herinneren op Geldersekade 105, op de eerste verdieping. Door de ramen van de voorkamer had je uitzicht op de Geldersekade, op het water met grote vrachtschepen er in, maar het meest op de rijweg waar fietsers, bakfietsen, handkarren, paarden en wagens, soms auto’s, en ook de trams reden: lijn 8 die naar Zuid ging, waar ik met mijn ouders woonde, en lijn 21 naar de Plantagebuurt en naar de Muiderpoort waar je kon overstappen op buslijn A, die je tot Ajax in de Watergraafsmeer bracht. Hoeveel uren heb ik niet met Jetje en later met Aaltje voor het raam gezeten, waarbij Jetje of Aaltje commentaar gaven op al wat voorbij kwam. Of wat ook mooi was: boodschappen doen met mijn grootmoeder. Naar Sander Gobes, de joodse slager op de Nieuwmarkt, waar ik meestal een stukje worst kreeg, en naar de bakkerij op de hoek van de Sint Antoniebreestraat, die geloof ik De Tijdgeest heette. Soms had mijn grootmoeder een boterkoek gemaakt, dat wil zeggen: deeg gekneed en in een ronde vorm gedaan. Dan ging die vorm naar de bakker en die bakte dan de koek voor haar in de grote bakkersoven. De inkopen eindigden steevast in de winkel van Jacob Hooy, aan het begin van de Kloveniersburgwal vlak bij de Koestraat waar ik geboren ben.

Het huis van mijn grootmoeder is ook het huis geweest waar eind 1942 mijn onderduiktijd begon. In dat huis werd ik, toen net 18 jaar, op een avond begin november om ongeveer 7 uur, toen het al donker begon te worden, gehaald door een mij (en mijn grootouders) geheel onbekende man uit de provincie met een pet op. Mijn grootmoeder heeft eerst nog de gele ster die joden altijd duidelijk zichtbaar moesten dragen van mijn jas afgetornd. Toen hebben we nerveus en verdrietig afscheid genomen. Ik wandelde in het donker naast die onbekende man naar het nabije Centraal Station op weg naar een onbekende bestemming.

Mijn grootouders bleven achter. Wij hebben nog éénmaal een brief van mijn grootmoeder gehad. Met een groot en onwennig handschrift schreef ze dat het nu wel niet meer lang zou duren voor de oorlog zou zijn afgelopen. Doelend op Hitler: “Hij zegt wel dat het goed gaat, maar het is hem ach en wind en wei.” Ze was alleen over met de man waar ze een leven mee had gedeeld, maar over wie ze nooit een woord van liefde of waardering had geuit. Haar kinderen waren weg, onbereikbaar. Ze kon hopen dat ze – als ze ook weggehaald werd – hen ‘ginds’ misschien terug zou zien. Zij is op dezelfde dag als mijn grootvader, 21 mei 1943, in Sobibor gestorven. Ook zij was, net als Bari, 68 jaar oud.

Wim Polak, Amsterdammer en sociaal-democraat gaat uitgebreid in op joods Amsterdam in het interbellum, de jeugd en de onderduiktijd van Polak, zijn tijd als journalist bij Het Vrije Volk en zijn wethouder- en burgemeesterschap. Het is verschenen bij Meulenhoff en kost € 34,90 (ISBN 9029072415)