Thuiszorg. De opvang van geesteszieken in de 17de en 18de eeuw

‘Zwarigheid in de hersenen’

Levenslange, eenzame opsluiting in koude en donkere Dolhuis-cellen. Het is een triest beeld, dat bij de meeste mensen opkomt, als ze aan de omgang met krankzinnigen in vroeger eeuwen denken. Die indruk behoeft bijstelling. 

De koopman Isaac Rodriguez liet in juli 1710 bij de notaris verklaringen opnemen van een huurder, twee huisbedienden en twee minnen over het gedrag van zijn vrouw, Rica de Souza Britto. Rica was getroffen door een hevige vorm van “kwaadaardige krankzinnigheid”. Haar woede richtte zich vooral op hem en de kinderen. Ze had, bijvoorbeeld, gezworen dat ze haar echtgenoot met een stok op het hoofd zou slaan of, nog erger, de keel afsnijden, ze had gedreigd het huis in brand te steken en ze koesterde waandenkbeelden over de duivel, die bezit had genomen van haar lichaam. Alle getuigen verklaarden dat ze op de hoogte waren van Rica’s situatie, omdat ze in het huis woonden of werkten.

De toestand werd acuut toen Rica midden in de nacht uit haar slaapkamer was gekomen en op de deur van de kamer van haar echtgenoot had gebonsd, schreeuwend dat ze hem wilde vermoorden. Hij deed niet open en ziedend van woede ging ze naar de kamer die door de dienstmeid, de min en de kinderen werd gedeeld. Ze dreigde met hen hetzelfde te doen als ze de deur niet opendeden. De meid gaf toe. Rica riep: “Geef me een hakmes, ik zal zijn deur openbreken en zijn keel ermee afsnijden.” Ze kreeg het mes, maar het lukte nog steeds niet bij haar man binnen te komen. Uiteindelijk kalmeerde ze enigszins. 

Iedereen in de huishouding vreesde dus voor zijn leven. De bedienden en de huurder verklaarden dat het onmogelijk was met haar onder één dak te leven en dat er maatregelen nodig waren om een ramp te voorkomen. Onbekend is hoe het afliep. Is Rica in het Dolhuis beland, de plek waar razende krankzinnigen veilig konden worden opgesloten?  

Het Amsterdamse Dolhuis was opgericht in 1561. De bevolking van Amsterdam groeide halverwege de 17de eeuw naar meer dan 200.000 inwoners en het aantal plaatsen in het Dolhuis groeide mee, van elf bij de opening in 1569tot ongeveer negentig na de zoveelste uitbereiding in 1765. Dat zijn geen grote aantallen. Het overgrote deel van de mensen met psychische problemen kwam helemaal niet in het Dolhuis terecht. De familie was de belangrijkste plek waar mensen in tijden van tegenspoed op konden terugvallen; ‘thuiszorg’ was de meest geaccepteerde en sociaal wenselijke optie. Krankzinnigen werden merendeels in de familie opgevangen en draaiden zo goed en zo kwaad als het ging mee in de dagelijkse routine van het gezin – en dus ook in het openbare leven. 

 

Netwerk

Het notariële archief van Amsterdam zit vol met documenten waarin is opgetekend hoe Amsterdammers voor hun geesteszieke familieleden zorgden. In 1702 legden veertien mensen bij de notaris een verklaring af over het gedrag van ene Jan van Bemmel. Ze deden dat op verzoek van zijn zwager; zij waren Van Bemmels buren en vrienden, een huurder, huispersoneel en een dokter. Jan was compleet zinneloos, zeiden ze, dol en razend, hij verkeerde al een aantal jaren in deze staat en zijn gedrag verergerde alleen maar.

Met zijn gedrag zorgde Jan voor grote onrust in de buurt. Dag en nacht was hij aan het razen en tieren en hield daarmee iedereen wakker. Ook bedreigde hij mensen op straat. Hij had een gevecht veroorzaakt in het lokale café en hij was de Oude Kerk binnengedrongen, waar hij zich ongepast gedroeg en obscene gebaren maakte. In een van zijn buien had hij vanuit het raam stenen naar mensen op straat gegooid en als klap op de vuurpijl ook een baksteen naar het hoofd van zijn zus, die als gevolg te vroeg bevallen was. 

Jan was ook onder behandeling geweest van een dokter, die hem “onmedicabel” verklaarde, waarna hij was uitbesteed bij een chirurgijn die er evenmin in slaagde om verbetering te brengen.* En een oppasser had de familie al snel verzocht Jan terug te nemen, uit vrees voor de veiligheid van zijn eigen gezin. Toen het document bij de notaris werd opgesteld, woonde Jan al maanden in bij zijn zwager en zus. Zijn gedrag was echterzo buitensporig dat de familie de veiligheid van iedereen die met hem in aanraking kwam niet meer garanderen kon. Hij had constante supervisie nodig – en helaas konden zijn zwager en zus de zorg niet meer aan. 

Uit de akte blijkt dat allerlei mensen bij de zorg voor zulke krankzinnigen betrokken werden. Behalve familie, buren en vrienden ook werknemers en werkgevers, huisgenoten (huurders, bedienden) en medici, zoals artsen en chirurgijns. Een veel groter sociaal netwerk dan alleen de naaste familie bekommerde zich om de krankzinnigen. Zij vormden een systeem van steun en controle, waarin zij hielpen in de zorg en tegelijkertijd ook bepaalden welk gedrag nog maatschappelijk acceptabel was.

De grootste rol bleef weggelegd voor de familie, in het bijzonder voor ouders en echtgenoten. Zij namen in de meeste gevallen het initiatief om een document te laten opstellen en betaalden ook de notaris. Vaak ging het dan om het organiseren van de zorg, zelfsook na het overlijden van de mantelzorgers. Zo stelde Jannetje Jacobsdr. in haar testament uit 1603 twee executeurs testamentair aan. Al haar kinderen kregen uit de erfenis 92,-. De executeurs moesten de rest van haar bezit verkopen, zodat uit de opbrengst “haar onnozele zoon Jacob” tot zijn dood kon worden onderhouden. Heijndrick Evertsz. deed net zoiets. Hij regelde in 1620 bij de notaris dat zijn neef zou gaan zorgen voor zijn “innocenten” dochter Geertgen (al moesten ze het over de vergoeding nog wel eens worden).

 

Reputatie

Het Dolhuis en de thuiszorg waren niet de enige opties voor opvang en behandeling. Vaak huurde de familie een speciale oppas in of besteedde ze de krankzinnige uit bij een ‘houman’ of ‘houvrouw’, meestal uit de kerkgemeente, die hem of haar in huis nam. Ook werden er artsen, chirurgijns en apothekers ingeschakeld voor een medische behandeling, zoals bij Jan van Bemmel, wiens familie de arts Anthonij van Thiel erbij haalde. 

Waar de medische behandeling uit bestond, bleef helaas onvermeld. Gerichte medische zorg was zeker mogelijk, blijkt uit een vijftal notariële contracten tussen de arts Joseph Celle en familieleden van een andere krankzinnige. Celle verzorgde, behandelde en herbergde deze patiënt in zijn eigen huis. Dat was toen gewone praktijk; de dokter werd daardoor verantwoordelijk voor zowel de medische zorg als de veiligheid van de persoon.

Hulp werd meestal gezocht omdat het gedrag van de krankzinnige zorgde voor een onveilige en onhoudbare situatie, maar dat was niet de enige reden. Ook de angst dat iemand zichzelf iets zou aandoen of niet meer in staat was voor zichzelf of zijn gezin te zorgen, waren aanleidingen om stappen te ondernemen. Dreigen met zelfmoord was een extra probleem, omdat zelfmoord een groot taboe was. Ook de angst voor ongelukken, bijvoorbeeld brandstichting, gaf reden tot maatregelen, net als de vreesvoor reputatieschade voor zowel de krankzinnige, de familie als de buurt. Krankzinnigen hielden zich nu eenmaal niet aan de sociale en culturele conventies – en een goede reputatie was essentieel. 

Maar pas als het gedrag zodanig verergerde dat de familie en het sociale netwerk de zorg niet meer aankonden, werd de hulp gevraagd van de stedelijke overheid, en verzocht om opname in het Dolhuis of een ander stedelijk instituut. Gedwongen opname in het Dolhuis aan de Kloveniersburgwal was niet de regel, maar de uitzondering. Zo’n verzoek was bovendien een ingewikkeld proces, dat in meerdere stappen verliep. Eerst moest er een verzoekschrift worden ingediend bij de burgemeesters, en pas na een professioneel oordeel beslisten zij over opname.

 

Ziekte

Rijkere Amsterdammers beschikten over nog andere mogelijkheden. In 1768 werd Adriaan Valckenier, schepen en telg uit een patriciërsgeslacht, krankzinnig verklaard. Hij wilde zijn vrouw Sara Valckenier-Vultejus doodschieten, maar de kogel miste doel. Een tweede pistool richtte hij op zichzelf en faalde opnieuw. Ook de poging om zich met zijn eigen das te wurgen, mislukte. Een tante, de bedienden, de haastig geroepen dokter Cornelis de Famars en een chirurgijn kalmeerden hem en gaven hem “medesyne en aaderlatinge”. Hij werd in bewaring gesteld. 

Dokter De Famars oordeelde dat Valckenier “door verregaande melancolie gebragt was in die staat van gevaarlijk te sijn voor sigselve en anderen en dat sijn persoon behoorde te worden gesecureert”. Twee maanden later bezocht het voltallige college van schepenen de patiënt, die “zeer verwildert en gants niet present zijnde in zijn raisonement” was. Hij had zijn daad volledig buiten zinnen gepleegd, en was “een onnut schepsel voor de zamenleeving” geworden, aldus de heren. 

Valckenier kwam niet in het Dolhuis terecht: zijn familie kocht twee aan elkaar grenzende pleziertuinen buiten de stad, bij de Pestsloot (nu de Bosboom-Toussaintstraat), waar hij in een huisje nog zeventien jaar heeft geleefd. Het echtpaar Claude Combe en Marie Agnes Natalis werd aangesteld als verzorgers; ze moesten beloven hem met de grootst mogelijke zachtheid te behandelen. Die bepaling is niet uniek: in de loop van de 18de eeuw werd krankzinnigheid steeds sterker als een medisch probleem gezien. Krankzinnigen waren zieken, die recht hadden op compassie en hulp. Een verschuiving die past binnen de moraal van de Verlichting.(Meer lezen over de zaak-Valckenier: Ons Amsterdam, februari 2013.)

 

Medelijden

Vanaf de 18de eeuw uitten dan ook steeds meer betrokkenen in de akten hun medelijden. Neem de familieleden van Jannetje Anceaux. Zij verklaren in 1701 dat “tot hun droefheid en hartelijk leedwezen Jannetje nu al bijna vier jaar, direct na haar kraambed, aan een ziekte en zwarigheid in de hersenen lijd”. Of neem Jan Calf, die in het opnameverzoek voor zijn huisvriendin Anna Catharina Cruisveld schrijft, dat zij tot zijn “allergrievendst leedwezen nu acht dagen geleden met behulp van twee kruijers naar zijn woning is gebracht en zij zich in een allerdroevigste staat van krankzinnigheid bevindt”. Het zijn bewoordingen die aangeven dat krankzinnigheid in 18de-eeuwse ogen een conditie was waarvoor mensen die erdoor getroffen werden medelijden verdienden, omdat het iedereen kon overkomen. 

 

MARTJE AAN DE KERK IS MEDISCH HISTORICUS. ZIJ PROMOVEERDE OP 18 SEPTEMBER AAN DE UNIVERSITEIT VAN AMSTERDAM OP HAAR ONDERZOEK MADNESS AND THE CITY. INTERACTIONS BETWEEN THE MAD, THEIR CAREGIVERS AND URBAN SOCIETY IN AMSTERDAM, ROTTERDAM AND UTRECHT, 1600-1795. ZIJ IS NU ONDERZOEKER BIJ DE FACULTEIT CULTUURWETENSCHAPPEN AAN DE OPEN UNIVERSITEIT.

 

* DOKTOREN OF ARTSEN (‘DOCTORES MEDICINAE’) HADDEN EEN ACADEMISCHE OPLEIDING GENOTEN EN WAREN AANGESLOTEN BIJ HET COLLEGIUM MEDICUM; CHIRURGIJNS ZATEN BIJ HET CHIRURGIJNSGILDE EN WAREN VIA DIE WEG (LEERLING-MEESTER) OPGELEID.

 

Beeld: Malle Hein, collectie Stadsarchief Amsterdam

 

November/Decembernummer 2019

Martje aan de Kerk

Delen:

Buurten:
Centrum
Dossiers:
Amsterdammers
Editie:
December
Jaargang:
2019 71
Rubriek:
Verhaal
Tijdperk:
1700-1800 1800-1900