Thuis bij de mannen op de Nachtwacht

Winkeliers en zakenlui

Schutters van wijk II onder leiding van kapitein Frans Banninck Cocq. Het is een hele mondvol voor het schilderij dat iedereen kent als de Nachtwacht. Rembrandts, grootste werk, uit 1642. Die schutters, wie waren dat eigenlijk? Waar woonden ze? Wat deden ze? Gabri van Tussenbroek ging op zoek.

De Nachtwacht werd gemaakt voor de Kloveniersdoelen, een van de verenigingsgebouwen van de Amsterdamse schutterij, de burgerwacht van de stad. Kapitein Frans Banninck Cocq en zijn luitenant Willem van Ruytenburch staan erop, in gezelschap van nog zestien andere bekende schutters. Hun namen zijn met enige moeite te lezen op een schild boven de poort. De namen van twee ook afgebeelde kinderen niet. 

Rembrandt zelf was nooit lid van de schutterij. In tijden van oorlog of oproer konden alle weerbare mannen tussen achttien en zestig jaar worden opgeroepen, als ze tenminste hun eigen uitrusting konden betalen. De schutters waren verantwoordelijk voor de stadsverdediging en het handhaven van de openbare orde, als oproerpolitie. Ze liepen bij toerbeurt overdag of ’s nachts de wacht op de stadswallen en daarbinnen. De schutterij was militair georganiseerd: elk korps had een kapitein, een luitenant, een vaandeldrager en een tamboer. Lager in de hiërarchie stonden de sergeants, de korporaals en het voetvolk.

Toen de Nachtwachtnwerd geschilderd, was de oorlog alweer ver weg, en de schutterijen ontwikkelden zich tot sociale verenigingen. De mannen behoorden vooral tot de middenklasse. De officieren waren meestal afkomstig uit de betere kringen, maar de gewone schutters waren bakkers, zeepzieders, brouwers, smeden, schilders en apothekers. De schutterij was bij uitstek een club waar kleine luiden konden verkeren met de elite, waar winkeliers en ambachtslieden omgingen met zakenlui en kapitalisten, waar patriciërszoontjes konden laten zien dat ze het commanderen onder de knie hadden. Voor veel Amsterdammers was het een eerste opstapje naar een rol in het stadsbestuur.

 

Burgerwijk II

De schutterij was per wijk georganiseerd. De mannen op de Nachtwacht woonden vrijwel allemaal bij elkaar in de buurt, pal ten noorden van de Nieuwe Kerk. Burgerwijk II strekte zich uit tussen het Damrak en het Singel en werd in het noorden begrensd door de Onze Lieve Vrouwesteeg, de Nieuwe Nieuwstraat en de (Korte) Lijnbaansteeg. In het zuiden lag de grens bij de Zoutsteeg, de Gravenstraat, de Molsteeg en de Torensteeg. Van noord naar zuid werd de wijk doorsneden door de Nieuwendijk, de Nieuwezijds Voorburgwal en de Nieuwezijds Achterburgwal, de huidige Spuistraat. Het was een wijk van lakenproducenten, lakenhandelaren en andere zelfstandigen. 

Van de achttien mannen op De Nachtwacht werkten er maar liefst acht in de lakenhandel. Een van hen, Jan Pietersz Bronchorst, woonde op Nieuwezijds Voorburgwal 94, in ‘De Blauwe Pot’. Hij was begonnen als droogscheerder – iemand die het ruwe laken van pluizen en oneffenheden ontdoet – en had zich opgewerkt tot lakenproducent en -handelaar en daarbij een bescheiden kapitaal vergaard. De zeven anderen zaten dicht bij elkaar op de Nieuwendijk en het Damrak. 

Lakenhandelaar Rombout Kemp, bijvoorbeeld, woonde op de Nieuwendijk in ‘De Brabantse Wagen’, een huisnaam die herinnert aan zijn vaders afkomst uit ’s-Hertogenbosch. Rombout had als overman al een aantal termijnen aan het hoofd van het gilde gestaan en was veel rijker dan Bronchorst. Hoewel hij geen deel uitmaakte van de bestuurlijke elite in de stad – zijn al te strenge calvinisme stond dat in de weg – nam hij in de wijk een vooraanstaande plaats in. Dat gold ook voor Jan Brugman, die op Damrak 64 woonde, in ‘De Vergulde Hardebol’, al was dat eerder dankzij afkomst, dan door eigen verdienste. Hij was een telg uit een van de rijkste koopmansfamilies in de wijk en was in 1631 het meest vermogend van alle leden van de compagnie. In 1637 was Jan met Cecilia Boelen getrouwd, eveneens uit een familie van lakenbereiders.

 

Drukte

De overige zes lakenkoopmannen waren wat minder draagkrachtig: Reijnier Engelen (Nieuwendijk 189, ‘De Vergulde Boogh’), Jan Claesz Leijdeckers (Damrak 81, ‘De Gilde Cam’), Jan Ockersz (Nieuwendijk 18, ‘Het Groene Claverblat’), Herman Jacobsz Wormskerck (Nieuwendijk 201, ‘Het Groninger Wapen’) en Jacob Dircksz de Roy (Nieuwendijk 196, ‘Het Vergulde Spoor’; zie kader blz. 37). Ze leidden over het algemeen een rustig leven, bekleedden soms een ambt binnen het gilde van de lakenkopers en kwamen elkaar vrijwel dagelijks tegen, zowel in hun eigen buurt als in het Staalhof, het centrum van de lakenindustrie aan de Groenburgwal, dat vanwege hun werk een tweede thuis moet zijn geweest. Toch waren ze zeker niet allemaal van onbesproken gedrag: van sergeant Reijnier Engelen bijvoorbeeld weten we dat hij in 1624 was beboet omdat hij ongelood – dus ongekeurd – laken had verkocht.

Ook de andere mannen op het schilderij woonden vlak in de buurt. Onder hen waren kooplieden, wijnhandelaren, twee kruideniers en een makelaar. Ook zij hadden een bovengemiddeld inkomen, zonder dat zij tot de absolute top van de Amsterdamse handelselite behoorden: kruidenier Barent Harmansen, koopman Jan van der Heede, wijnhandelaar Walich Schellingwou, koopman en kruidenier Claes van Cruijsbergen en makelaar Paulus Schoonhoven.

De Nieuwendijk en het Damrak behoorden vanouds tot de duurdere locaties van de stad. Sinds de aanleg van het eerste deel van de grachtengordel in 1613 was daar weliswaar verandering in gekomen, want de overzijde van het Singel, de Herengracht en de Keizersgracht waren nu duidelijk de betere buurten, maar de handel was nog altijd in het oude stadshart te vinden. De drukte in de wijk was onbeschrijflijk. In dit kleine stukje Amsterdam stonden niet minder dan vijfhonderd huizen, met misschien wel vijf keer zoveel bewoners. 

 

Verschillen

De welgestelden bewoonden de grote panden aan het Damrak en de Nieuwendijk. Begane grond met keuken en een aparte ‘warme’ ruimte, wonen op eenhoog en een logeerkamer op tweehoog, met daar en op zolder vaak de droogruimte voor de was en de opslag van turf en handelswaar. Een enkeling bezat een studeervertrek. De gepleisterde muren hadden tot schouderhoogte eiken betimmeringen. De glas-in-loodramen lieten licht naar binnen, maar zodra het killer en donker werd, sloten de luiken om de warmte van het haardvuur zo min mogelijk verloren te laten gaan. 

Maar direct om de hoek stonden kleinere huizen in overbevolkte stegen en straatjes, gangen en sloppen, met namen als de Zwartehandsteeg, het Blaeu Erf – genoemd naar de blauwververs van het laken – en ’t Hol. Talloze families (vader, moeder, kinderen, grootouders) woonden daar samengepakt op kleine huurkamers en geplaagd door ongedierte, vuil en herrie. Frisse lucht en zonlicht drongen hier nauwelijks door en de hygiënische omstandigheden waren bedroevend. Water moest met tonnetjes naar boven worden gebracht, de mogelijkheden om te koken en te wassen waren beperkt en de menselijke behoefte werd verricht op een ton in een hoek van de kamer, die vervolgens niet zelden in de dichtstbijzijnde gracht werd geleegd.

Meer dan in de nieuwe uitleg woonden in de drukte van de oude stad arm en rijk dus door elkaar. Dat is ook aan de mannen op de Nachtwacht te zien. Allemaal waren ze redelijk tot zeer welgestelde kooplieden en familievaders, maar er waren ook verschillen. Zo vertegenwoordigden ze drie geloofsrichtingen: verreweg de meesten waren gereformeerd, twee katholiek (kruidenier Barent Harmansen en lakenkoopman Jacob Dircksz de Roy), koopman Jan van der Heede was als enige remonstrants. Ogenschijnlijk maakte het in de dagelijkse omgang geen verschil welk geloof iemand aanhing en gingen de mannen ‘broederlijk’ met elkaar om. Katholieken en remonstranten waren – net als leden van andere religieuze minderheden – uitgesloten van het stadsbestuur, dat geheel door de gereformeerden werd beheerst. Maar dat verhinderde niet dat iemand verder alle voordelen kon genieten die de stad met zich meebracht, ook in financiële zin.

 

Macht

De twee commandanten van de achttien woonden niet in burgerwijk II: luitenant Willem van Ruytenburch en kapitein Frans Banninck Cocq. De reden was dat de officiersfuncties niet zomaar aan Jan-en-alleman vergeven werden: het stadsbestuur wilde grip houden op de gewapende schutterij – geen versnippering van de macht, dus. Zij beschikten over de juiste papieren. Willem van Ruytenburch was al luitenant in burgerwijk II, toen de positie van kapitein daar vrijkwam en Frans Banninck Cocq (dan nog luitenant in wijk I) die plek kon innemen. 

Jurist Van Ruytenburch was in de zomer van het jaar 1600 geboren in het laatste huis van de Warmoesstraat, dat al in 1538 ‘Ruytenburch’ heette en grensde aan de Dam. In 1626 trouwde hij met Alida Jonckheyn en dankzij de verwervingen van zijn vader kon hij zich na diens dood in 1627 voluit Willem van Ruytenburch, heer van Vlaardingen noemen. Zijn ouderlijk huis had hij inmiddels verruild voor dat van zijn schoonmoeder: ‘Het Blauwe Huis’ op Keizersgracht 196-198, een van de statigste panden in de grachtengordel, gebouwd in 1615 voor de Antwerpse koopman Hans Rombouts. Het dubbelbrede woonhuis beschikte over een overwelfde kelder en was het eerste in Amsterdam met een geheel natuurstenen gevel. Het blauwe hardsteen kwam uit de buurt van Namen, vandaar de naam.

Frans Banninck Cocq was de zoon van een apotheker uit Bremen. Vader Jan Jansz Cocq was wel verwant aan de burgemeestersfamilie Hooft, maar had geen oude banden in de stad. Bij zijn moeder, Lijsbeth Fransdr Banninck, lag dat anders. Haar vader was lid van de vroedschap en alleen vanwege zijn vroege dood had hij het nooit tot burgemeester gebracht. Banninck Cocq studeerde rechten in het Franse Poitiers en trouwde na zijn terugkeer in Amsterdam in april 1630 met een van de dochters van de extreem rijke burgemeester Volkert Overlander. Na diens overlijden enkele maanden later gingen twee heerlijkheden boven Amsterdam – die Overlander in 1612 had gekocht van de graaf van Aremberg – over in handen van de kersverse schoonzoon. Banninck Cocq mocht zich nu heer van Purmerland en Ilpendam noemen en verhuisde rond dezelfde tijd van de Sint-Anthoniesbreestraat naar het statige huis ‘De Dolfijn’ aan het Singel (nr. 140-142), een dubbel pand van maar liefst veertien meter breed.

 

Buidel

Rest de vraag: wat hadden de achttien voor het schuttersstuk betaald? Ongeveer 100,- de man, “d’een wat meer en d’ander wat minder”, afhankelijk van de plaats die zij op het schilderij hadden gekregen, aldus de verklaring die een van hen, de inmiddels 70-jarige Jan Pietersz Bronchorst, in 1659 aflegde voor notaris Nicolaes Listingh. Een stevig bedrag voor een lakenkoopman of een kruidenier. Het lidmaatschap van de schutterij was dus zeker niet voor de lagere burgerij weggelegd. Zeer waarschijnlijk hebben de twee officieren, Banninck Cocq en Ruytenburch, een stuk dieper in de buidel getast. 

GABRI VAN TUSSENBROEK IS BOUWHISTORICUS BIJ MONUMENTEN EN ARCHEOLOGIE AMSTERDAM EN HOOGLERAAR AAN DE UNIVERSITEIT VAN AMSTERDAM. BIJ UITGEVERIJ PROMETHEUS VERSCHEEN VORIGE MAAND ZIJN BOEK AMSTERDAM EN DE NACHTWACHT. DE MANNEN OP HET MEESTERWERK VAN REMBRANDT.

Delen:

Jaargang:
2018 70
Dossiers:
Kunst en Cultuur
Editie:
November December
Rubriek:
Verhaal
Tijdperk:
1600-1700

Gerelateerd

De Nachtwacht door de ogen van filmmakers
De Nachtwacht door de ogen van filmmakers
Verhaal 14 november 2018
Rembrandt privé: nukkig en vol compassie
Rembrandt privé: nukkig en vol compassie
Verhaal 14 november 2018