Tabak toch weer ‘duyvelskruyd’?

Roken was eeuwenlang statussymbool

Geen zweempje tabakslucht is er meer te bekennen in de Mokumse bruine kroeg of grand café. Da’s even wennen, want vier eeuwen lang konden Amsterdammers opsteken wat ze maar wilden. Een smaakvolle pijp, een sigaartje of gewoon een lekker zwaar sjekkie – symbolen van levensstijlen. Vanwege alle gezondheidsrisico’s is tabak inmiddels taboe. Maar in de geschiedenis van Amsterdam speelt het rokertje een bijzondere rol.

 

Na de ontdekking van Amerika waar het wemelde van de rokende indianen duurde het in Nederland nog bijna een eeuw voordat zeelieden, soldaten en experimenterende studenten voor de bijl gingen. Daarna volgde de rest vanzelf. Aanvankelijk werd tabak uit de Verenigde Staten geïmporteerd, maar al snel begonnen Nederlanders ook met teelt op eigen bodem. De Zeeuwse klei bleek niet geschikt, maar de zandgronden in de Gelderse vallei des te beter. Daar werd met Amsterdams kapitaal de verbouw van dit gloednieuwe gewas een groot succes, zij het dat de kwaliteit van de tabak iets minder was dan de Amerikaanse. 
Vanaf ongeveer 1620 waren ook de Engelse pijpen inmiddels vervangen door aardewerk exemplaren van vaderlandse makelij. De productie ervan concentreerde zich in Gouda en een ‘lange Gouwenaar’ werd een alledaags attribuut. In herbergen kon iedereen behalve alcoholica ook een gestopte pijp krijgen. De waardin rookte meestal gezellig mee. 
Wat was nou zo aantrekkelijk aan tabak, dat het binnen een paar generaties gemeengoed werd? Het kwam allereerst tegemoet aan de vraag naar een simpel opwekkend middeltje, dat een kalmerende werking had, hongergevoel onderdrukte en het sociale contact stimuleerde. Het miste bovendien de hallucinerende werking van andere genotsmiddelen, zoals het verraderlijke zwarte bilzekruid. Werden excessieve drinkers soms agressief, rokers waren geen onruststokers. Maar vooral de smaak beviel en bood je een vreemde je tabakszak aan dan was het ijs al snel gebroken.
Tegenstanders waren er in die begintijd van het massale tabaksgebruik genoeg. ‘Duyvelskruyd’ werd het wel genoemd door mensen die religieuze of ethische bezwaren hadden. Uit medische hoek was de weerstand minder, want al voordat de pijp oprukte was tabak in sommige apotheken verkrijgbaar. Tabakssap bleek bijvoorbeeld een goed purgeermiddel wanneer het met een klisteerspuit werd ingebracht. In sommige landen probeerde de overheid het roken met draconische straffen uit te bannen om vervolgens te ontdekken dat tabak ook een belangrijke nieuwe inkomstenbron voor de overheid kon zijn. 

Nieuwe nijverheid
Amsterdam werd in de 17de eeuw dé stapelplaats van tabak waar kooplieden uit heel Europa hun orders plaatsten. Dat was een gunstige situatie voor de ontwikkeling van een omvangrijke tabaksnijverheid. De bladeren, die gefermenteerd en gedroogd bij de fabriqueur belandden, werden eerst van de nerf ontdaan (gestript), ingevocht om ze weer soepel te maken en vervolgens in elkaar gedraaid tot een soort worst. Tijdens dat ‘spinnen’ werden de bladeren met zout besprenkeld om ze voor bederf te behoeden. Langzamerhand werd deze bewerking vergemakkelijkt door mechanische hulpmiddelen. 
In de tweede helft van de 17de eeuw groeiden sommige tabaksspinnerijen uit tot voor die tijd gigantische bedrijven met vele tientallen werknemers. Het was ook een nieuwe nijverheid die niet onder gildenbepalingen viel, waardoor veel joden in deze bedrijfstak werkten.
De tabaksstrengen werden vervolgens verkocht in tabakswinkels, waar de winkelier de delen afsneed die hij nodig had. Het leeuwendeel echter werd geëxporteerd en dat liep lange tijd, tot ongeveer 1720, uitstekend. Nederlandse tabak was namelijk goedkoper dan die van de buitenlandse concurrentie. Deels kwam dat doordat de belastingdruk hier geringer was, deels omdat dure Amerikaanse tabak stiekem werd vermengd met goedkopere Utrechtse en Gelderse varianten. Maar die moesten dan wel eerst gesaust worden, met allerlei kruiden en suikerstroop, om de bittere smaak te verdoezelen. 
Het snuiven van gemalen en sterk gesauste tabak was trouwens een typisch Europese vinding. Het was een mode die in Franse hogere kringen populair werd en overwaaide naar Nederland, waar het vooral in de achttiende eeuw bij de welgestelden zeer populair werd. Om het te kunnen snuiven werd gesponnen tabak eerst een paar dagen in een vat met saus gelegd, waarna enkele strengen in een cilindervormige mal werden geperst. Er ontstond dan een ‘karot’ – ook wel ‘andoelje’ genoemd – die voor de stevigheid met garen werd omwonden. Snuif kreeg men door karotten te raspen – en als dat in een windmolen gebeurde heette dat ‘rapé’. Ook in Amsterdam hebben van die snuifmolens gestaan. 
Dat de zoons van snuifmolenaar Blooker aan het Oetgenspad in 1811 overstapten op het malen van cacaobonen geeft aan dat de rage van het snuiven definitief voorbij was. De meeste snuifmolens stonden in de Zaanstreek (maar liefst 32 in 1795) en in Rotterdam. Die stad had in de loop van de 18de eeuw een deel van de tabakshandel naar zich toegetrokken, met als gevolg dat daar een tabaksverwerkende nijverheid was ontstaan. Het in 1782 gestichte bedrijf van Johannes van Nelle, dat na zijn overlijden enige jaren voortgezet werd door zijn ‘zware’ weduwe, is de bekendste.

Klapsigaar
Dat Napoleon, een verwoed snuiver, in 1815 zijn Waterloo vond, was voor de die-hard tabaksfanaat een gelukkige afloop. Want vanwege het door hem ingestelde staatsmonopolie – dat het in Frankrijk zou uithouden tot 1999 – was alleen minderwaardige Europese tabak beschikbaar. En dan ook nog eens in geringe hoeveelheden. Het was dus een verademing toen er weer betere tabak uit de beide Amerika’s werd aangevoerd. Een nieuwtje was dat via Spanje nu ook sigaren werden geïmporteerd. 
Met dat product hadden Europeanen in het Caraïbisch gebied voor het eerst kennis gemaakt. Vanwege de hoge prijs was het sigarenroken vooralsnog geen geliefde hobby, maar dat veranderde toen er een generatie later ook in Nederland sigaren gemaakt werden, eerst in Kampen en al snel ook in Amsterdam. De succesvolle aanplant van tabak op Java en Sumatra leidde ertoe dat de handel en bewerking ervan een enorme stimulans kreeg. De kwaliteit van sigaren steeg ook door de goede kwaliteit van tabak uit Deli, dat vooral geschikt was voor het dekblad. Aanvankelijk werden ook sterk geparfumeerde sigaren gemaakt, zoals kaneel- en muskussigaren. Een in de Universiteitsbibliotheek Amsterdam aanwezige handleiding uit 1849 rekende onder deze categorie ook de klapsigaar. Dat angstaanjagende rokertje kon echter tot gruwelijke ongelukken leiden ‘zoodat het wenschelijk ware dat dit kunstje nimmer gebezigd werd’.
De Amsterdamse sigarennijverheid ontwikkelde zich geleidelijk tot een van de belangrijkste bedrijfstakken waar duizenden mensen werk vonden. Er stond een aantal grote fabrieken die vooral voor de export werkten. Maar er waren ook tientallen kleinere bedrijfjes en nog meer ‘eigen werkers’ die zich hoofdzakelijk richtten op de lokale markt. De sigaar was niet langer een exclusief attribuut van een heer met hoge hoed en een wandelstok met zilveren knop. Naarmate de sigaar relatief goedkoper werd, de werkgelegenheid toenam en de levensstandaard langzaam op een hoger plan kwam, kon een pijprokende werkman zich een zondagse sigaar veroorloven. Later ook op andere dagen in de week.

‘Kan-nie-lope-los’
Een groepje dandy-achtige types in Amsterdam had ondertussen weer iets nieuws ontdekt. Ze rookten sigaretten, een uit Spanje via Frankrijk overgewaaide mode. Maar voor de prijs van een hippe sigaret kon je veel langer genieten van een pijp of een sigaar, dus veel navolging kreeg die in eerste instantie niet. Dat begon te veranderen toen ze machinaal werden gedraaid. In Amsterdam ging J. van Kerckhof daar het eerst toe over. In 1885 had hij een fabriekje gesticht op de Nieuwezijds Voorburgwal 306 en produceerde sigaretten van Grieks-Turkse tabak. Tot in de jaren dertig van de 20ste eeuw zou het sigaretten rokende publiek deze zware jongens nog altijd prefereren boven de lichtere Amerikaanse. 
Dat oosterse, exotische karakter werd ook in reclamecampagnes benadrukt door het bedrijf dat sigarenhandelaar en -winkelier Eduard Huf in 1904 had gesticht in Amsterdam-Noord. Stelio heette de fabriek, naar de uit Smyrna afkomstige bedrijfsleider Stelianos Efstathópoulos. ‘Kan-nie-lope-los’ werd hij door het personeel genoemd, want alleen zwaar leunend op de arm van een fabrieksmeisje kon hij zijn rondgang maken door de fabriek. 
Doordat na de Eerste Wereldoorlog de productie van sigaren grotendeels naar het zuiden van ons land verschoof (waar de lonen lager lagen), liep de sigarennijverheid in Amsterdam terug. Maar dat gold niet voor de consumptie.
Relatief nam het roken van sigaretten toe omdat in de jaren twintig ‘moderne vrouwen’ ze gingen opsteken. Die kortgeknipte dansgrage dames prefereerden net als hun partners lichtere sigaretten van Amerikaanse ‘blonde’ tabak. In die behoefte ging een joint-venture van Amerikaanse en Britse tabaksgiganten voorzien, de Batco, die in 1928 al een derde van de markt veroverde. Pijp en sigaar verloren in rap tempo aan populariteit. De onhandige breekbare pijpen waren inmiddels vervangen door bruyerehouten exemplaren en dat had de terugloop van het pijproken nog even een nieuwe glans gegeven, maar de rookgewoonten verschoven duidelijk naar sigaretten en shag. 

Strenge maatregelen
Voor de gezondheid van de tabaksgebruikers was dat niet zo’n goede ontwikkeling, want die lichte Amerikaanse rokertjes werden fiks geïnhaleerd. Dat tabak een genotmiddel was met gezondheidsrisico’s was al jaren bekend en dat had geleid tot een verkoopverbod aan kinderen. Door het over de longen roken namen de gezondheidsrisico’s aanmerkelijk toe. Duitse artsen legden het eerst verband met toename van longkanker en de felle antiroker Adolf Hitler verbood subiet het roken op straat in Berlijn. Duitse vrouwen mochten al sinds 1933 van hem alleen thuis roken, dat was omdat hij gedamp niet esthetisch verantwoord vond.
Toen Hitler de wereld in brand zette en Nederland bezette, wond zijn aanhang zich vreselijk op over het roken omdat ze het niet kon laten – Goebbels bijvoorbeeld – en de rest van de rokers maakte zich zorgen omdat tabak schaarser en schaarser werd. Met het imago van de sigaret was nog niet veel mis. De Britse premier Churchill rookte sigaren, de Amerikaanse president Roosevelt sigaretten en zijn vrouw weer sigaren: dat waren mensen waarmee men zich graag identificeerde. En de bevrijders deelden chocolade en sigaretten uit. Het genot kon niet op.
Het debat over de gezondheidsrisico’s van roken begon zo’n vijf jaar na de bevrijding in Amerikaanse medische kringen. In Nederland maakte die discussie aanvankelijk weinig indruk. De filtersigaret (Peter Stuyvesant) sloeg aan bij vrouwen; stoere cowboys – zoals de latere president Reagan – benadrukten in reclamecampagnes het avontuurlijke karakter van de sigarettenrokende man. Maar in de jaren zestig werden de tegengeluiden uit verschillende hoek almaar sterker, van ‘antirookmagiër’ Robert Jasper Grootveld tot dr. Lenze Meinsma van het Koningin Wilhelmina Fonds.
Toch zou het nog een generatie duren voordat de overheid met strenge maatregelen kwam tegen het roken, waarbij voor het gemak geen rekening gehouden werd met de verschillende vormen van tabaksgebruik en met het wetenschappelijk vraagstuk over de mate van schadelijkheid van passief roken. De roker is nu voorgoed van de troon gestoten waarop hij eens zat. Maar gelukkig wordt hij in het Pijpenkabinet (Prinsengracht 488) en in het chique sigarenmagazijn Hajenius (Rokin 92) nog altijd als een vorst ontvangen.


 

Delen:

Jaargang:
2008 60

Gerelateerd

Dichtende herbergier voorspelde eindtijd
Dichtende herbergier voorspelde eindtijd
Recensie 12 april 2013
Czaar Peterbuurt herleeft
Czaar Peterbuurt herleeft
Verhaal 14 december 2010
De onzichtbare hasjhandelaar
De onzichtbare hasjhandelaar
23 november 2008