“Té is nooit goed.”

Ten geleide

Eten, drinken, roken, seks, drugs en rock & roll: wie graag kennis maakt met steeds weer nieuwe genietingen komt van oudsher nergens beter aan zijn trekken dan in Amsterdam. Voorheen onbekende genotmiddelen arriveren in deze havenstad vaak eerder dan elders en vinden dan snel verspreiding onder nieuwsgierige bevolkingsgroepen als ondernemers, artsen, geleerden, studenten en kunstenaars. Ook komen nergens de keerzijden van al dit plezier zo duidelijk aan het licht als in de grote stad.

“Te is nooit goed – behalve tevreden” was een van de levenswijsheden die mijn moeder me inprentte. Hoe dan ook: het zal wel weer het calvinisme zijn dat ervoor zorgde dat in Nederland genot eeuwenlang per definitie een verdachte zaak was.. De immer zondige mens verdiende het eigenlijk niet te genieten. preekten strenge dominees. Dát vonden minder puriteins regenten – zelf genietend van het goede leven – wel weer wat overdreven, maar ook zij wilden wel erkennen dat overdaad schaadt. En de opkomende medische wetenschap gaf ze gelijk. 
Kortom: genieten is leuk, mits met mate. Je moet van ophouden weten. Ook als het gaat om middelen die als medicijn worden geïntroduceerd, zoals rond 1900 opium en cocaïne, en al ruim twee eeuwen eerder koffie en thee.

Verslaafd
Rond 1800 werd het woord ‘verslaving’ (slaaf worden) voor het eerst in overdrachtelijke zin gebruikt. Lange tijd hadden de deskundigen vooral aandacht voor de lichamelijke afhankelijkheid die stoffen als alcohol, nicotine en opiaten teweeg brachten. Maar met de opkomst van de psychologie in de 20ste eeuw kregen ook de akelige macht der gewoonte en de deels sociaal bepaalde behoefte in een roes te vluchten steeds meer aandacht. Dat leidde natuurlijk ook geregeld tot overbezorgdheid – althans in de ogen van een latere generatie. Vooral jongeren sloegen snel door in hun passies, vond de oudere generatie steevast. In de jaren twintig werd een reeks van commissies ingesteld ter bestudering van het ‘dansvraagstuk’ (vooral de passie van jonge meisjes voor een wilde dans als de charleston en de al te erotische tango), van het ‘bioscoopvraagstuk’ en de van ‘sportverdwazing’ – het laatste vooral naar aanleiding van de roes die de Olympische Spelen van 1918 in de stad veroorzaakten. Soms kwam het zelfs tot harde maatregelen: zo kondigde burgemeester Willem de Vlugt in de jaren twintig een dansverbod in openbare gelegenheden af. Maar lang duurde dat niet, want Amsterdam heeft de vrijheid-blijheid vanouds hoog in het vaandel staan. Sindsdien zijn er heel wat nieuwe verslavingen ontdekt, zoals seksverslaving, tv-verslaving , internetverslaving, gokverslaving en gamesverslaving.
Geen van alle zijn ze in de medische en psychiatrische handboeken als door de overheid als echte verslavingen erkend. Daarvoor is namelijk maatgevend of het genotmiddel op zichzelf kenmerken heeft die er toe kunnen leiden dat een gebruiker op den duur niet meer zonder kan. Van alcohol, nicotine en de meeste drugs - maar ook veel medicijnen - is algemeen bekend dat bij overvloedig gebruik het lichaam zich ‘pragmatisch’ daarop instelt en stoffen aanmaakt die om ‘méér!’ roepen zodra de gebruiker ermee stopt: de zogeheten onthoudingsverschijnselen als koorts, slapeloosheid, trillen en braken. Maar de verschillen zijn natuurlijk relatief. Net als bij alcohol en drugs gaat het bij nymfomanen en excessieve gokkers en gamers vaak om de steeds obsessiever behoefte aan herhaling van een geluksmoment, als troost voor de ellende van alledag. Bovendien blijkt dat bijvoorbeeld ook gokverslaafden die ophouden met spelen vaak last krijgen van ontwenningsverschijnselen: maagpijn, spanningen en rusteloosheid. Dat heeft dan meer een psychische dan een fysische oorzaak, maar het effect is gelijk. Helaas had de zuinige overheid daar lange tijd geen boodschap aan. “Tot twee jaar geleden mochten we gokverslaafden niet eens behandelen, om de doodeenvoudige reden dat het ministerie van WVC die verslaving niet eens erkende,” klaagde Jellinek-directeur Jan Walburg in 1992 tegenover Het Parool. Van de genoemde ‘onofficiële’ verslavingen is die aan gokken nog het meest verbonden aan het openbare leven in een grote stad als Amsterdam. Spelautomaten tref je niet alleen in grote gokhallen zoals op het Damrak en in de Reguliersbreestraat, maar ook in tal van buurtcafés, sportkantines en snackbars. En sinds 1986 kunnen rijkere gokkers terecht bij Holland Casino, waarvan de staat met plezier een graantje meepikt. 

Ontspannen optimisme
In dit nummer beperken we ons pragmatisch tot de algemeen erkende verslavingen: daarover is al zo veel te vertellen. Deels zijn dat treurige verhalen, bijvoorbeeld over het stille leed van Chinese opiumschuivers in de jaren twintig en de minder stille junks van een halve eeuw later. En ook over de criminele sfeer waarin de groothandel in hasj al snel belandde.
Maar we bieden u ook opgewekter verhalen. Want de genotmiddelen (de naam zegt het al) boden menigeen ook veel plezier. Tot het verband met kanker werd aangetoond gold bijvoorbeeld tabak roken niet alleen als ontspannend; met een pijp, sigaar of sigaret kon je ook mooi laten zien wie je wilde zijn. Ook herinneren we eraan dat hasj en marihuana rond 1970 nog symbolen waren van een nieuw ontspannen optimisme: love en peace, weetjewel? En we gaan uitgebreid in op het maatschappelijk belang van de Amsterdamse kroeg. Als u dit nummer ademloos hebt uitgelezen, weet u meteen ook weer waarom Ons Amsterdam zo’n verslavend blad is – maar gelukkig is dit een zeer onschuldige verslaving.
Tot slot: laten we niet vergeten dat ook veel verslaafden iets moois bijdroegen aan de Amsterdamse cultuur. Neem de alcoholistische auteur Willem Kloos (“De natuur is mooi, maar je moet er wel wat bij te drinken hebben”); de eveneens drinkende schrijver Simon Carmiggelt; romanschrijver, arts, ciminoloog én morfineverslaafde Arnold Aletrino; onze Annie M.G. Schmidt (witte wijn en sigaretten) en niet te vergeten muzikant schilder Herman Brood (verslaafd aan alles – en vooral aan aandacht). En wist u trouwens dat dichter J.C. Bloem (‘Domweg gelukkig in de Dapperstraat’) behalve aan jenever ook verslaafd was aan pepermuntjes?
Kortom: als uzelf ook wel een glaasje lust of weleens een ‘stickie’ hebt gerookt, verkeert u in goed gezelschap. Toch is té weinig bekend dat Simon Carmiggelt, de bekendste Nederlandse kroegloper aller tijden, al in september 1972 op dringend doktersadvies geheelonthouder werd.
 

Delen:

Jaargang:
2008 60

Gerelateerd

Dichtende herbergier voorspelde eindtijd
Dichtende herbergier voorspelde eindtijd
Recensie 12 april 2013
Czaar Peterbuurt herleeft
Czaar Peterbuurt herleeft
Verhaal 14 december 2010
De onzichtbare hasjhandelaar
De onzichtbare hasjhandelaar
23 november 2008