Straatfiguren. De Sterrekoekers

Het echtpaar De Boer en hun twee kinderen stonden bekend als de Sterrekoekers (‘sterrenkijkers’), omdat zij op straat op een nogal aparte manier de aandacht van het publiek trokken: ze stonden bij elkaar en staarden zwijgend omhoog, alsof daar iets te zien was. 

De Sterrekoekers handelden in carbolstenen: blokken naftaline aan een touwtje, goed tegen vlooien, vliegen en muggen, maar vooral ook tegen stank: een carbolsteen hing je thuis bij de ‘beer-emmer’ of de plee. Ze waren meestal te vinden op het Jonas Daniël Meijerplein bij de deur van de Nieuwe Synagoge, vooral wanneer er een huwelijk was. Ze hoopten dan op een gift van de bruiloftsgasten die de sjoel uitkwamen. Verder zongen ze op straat, liepen met de Poerimkrant en ventten op Koninginnedag met oranje lintjes en op de Dag van de Arbeid met rode. Vader Sterrekoeker – Meijer de Boer, bijgenaamd Jan Poepenaatje – bedelde ook met een aangeklede pop als een kind in de arm en zong erbij: “Mijn kindje moet er ’s lachen, Hij lacht, hij lacht, hij lacht! Vanavond krijgt ie een petje, Een petje met een pluim.” 

 

Lied

Toen de gemeente in 1892 de markt van de Nieuwmarkt en de Jodenbreestraat wilde verplaatsen naar het Waterlooplein, wat op aardig wat weerstand stuitte, schreef hij een lied, dat werd gezongen in de revue De Doofpot:

“De gemeenteraad heeft besloten.
Dat je moet naar ’t Waterlooplein.
Zoo-wel de kleinen als de grooten.
Gedoemd zijn daar te zijn.
Maar nu vraag ik: is ’t geen schande,
Te komen aan zijn brood.
Wat zeg jij, wat zeg jij, wat zeg jij,
Neen we willen niet,
En wij kunnen niet,

Wij moeten toch naar ’t Waterlooplein

Neen wij willen niet,

Neen wij kunnen niet,

Wij willen graag op de Nieuwmarkt zijn.

 

Op de Nieuwmarkt hadden wij variatie

Daar wilden de menschen graag zijn

En stalden wij uit met zeer veel statie,

Om spoedig aan centen te zijn.

Maar nu vraag ik: Is ’t geen schande,
Te komen aan zijn brood,
Wil je dit, wil je dat, wil je ’t zoo?
Neen dat doen wij niet,
Dat begrijp ik niet.

Van zoo’n verplaatsing heb ik nooit gehoord

Neen, wij willen niet,

Neen wij kunnen niet,

Onze handel wordt steeds meer gestoord.”

 

De protesterende marktkooplui kregen hun zin: de markt bleef op de Nieuwmarkt. Meijer de Boer moet omstreeks augustus 1917 zijn overleden.

 

Types

Adriaen van de Venne’s beschrijft in zijn satire Tafereel van de belacchende werelt (Schets van de lachwekkende wereld, 1635) maar liefst 42 typen bedelaars, onder wie ook Sterrenkijkers, die overdag niet het lef hebben om langs te deuren te leuren. ’s Avonds spreken zij mensen aan die voor hun huis zitten: “... ende dan geven sy te kennen hoe datse geen gelt hebben om een slaep-stee: oft datse anders op Straet mosten slapen in perijkel om ghevat te worden van de Schutter-Wacht.”

Volgens Meyer Sluyser, die in 1959 zijn herinneringen aan Joods Amsterdam optekende, waren bedelaars als de Sterrenkoekers “... beklagenswaardige producten van de onvoorstelbare armoede, die rondom de wisseling der eeuw in de Joodse buurt regeert. Behalve brutaal zijn ze ongecultiveerd, grof, naar, en lelijk. Ze zijn met haat en verbittering geladen. In elke vezel van hun vervallen lichaam zijn ze destructief, nihilistisch, wraakzuchtig.” Veel van hun fameuze humor bestond uit scheldpartijen en vervloekingen. 

 

Koen Kleijn

Decembernummer 2019

Delen:

Buurten:
Centrum
Dossiers:
Amsterdammers
Editie:
December
Jaargang:
2019 71
Rubriek:
Verhaal
Tijdperk:
1800-1900 1900-1950

Gerelateerd

De eerste jaren van HVO Querido, zorgorganisatie voor kwetsbare Amsterdammers
De eerste jaren van HVO Querido, zorgorganisatie voor kwetsbare Amsterdammers
Verhaal 1 december 2019
Erfenis van de moord op Feikje de Haan
Erfenis van de moord op Feikje de Haan
Verhaal 1 december 2019