Stijf gesteven zusters

Als bijlage bij ons septembernummer publiceerden we bij ons septembernummer een special over 150 jaar Amsterdamse kindergeneeskunde. Daarin staan onder meer wame en minder warme persoonlijke herinneringen van abonnees aan hun (kinder-)tijd in het Emma Kinferziekenhuis en andere Amsterdamse ziekenhuizen. Door ruimtegebrek haalde de inzending van Theo Bakker het blad helaas niet.  Lees hier alsnog zijn treffende verhaal.

 

Ik lag in 1951 in een Amsterdams ziekenhuis. Niet zomaar in een ziekenhuis

maar in het Emma Kinderziekenhuis, dat nu anderhalve eeuw bestaat,

toen nog in de Sarphatistraat. Ik werd daar opgenomen voor een gecombineerde

navel- en liesbreuk. Mn moeder wist 't zeker, dat kwam door die

vermaledijde autoped met massieve bandjes!


 

Ik was tien jaar en het was mijn eerste bewuste ziekenhuisopname. In de oorlog was mijn moeder wel met mij in- en uitgelopen in het Wilhelminagasthuis, maar daar wist ik natuurlijk niets meer van. Difterie, rachitis en een tik van polio, zoek

maar uit. Als oorlogskindje was ik tamelijk kneuzerig de slechte voeding te

boven gekomen; de pest was dat je 't me niet aanzag, zo blozend zag ik er

schijnbaar uit.

Maar nu hielp er geen lieve moeder meer aan: die breuken moesten

gerepareerd. Fluitend van plezier en gespannen uitziend naar dit nieuwe

avontuur werd ik afgeleverd. Zalen met tientallen bedden, jongens en meisjes

door elkaar en (kinderziekenhuis of niet) een strak regime met nurkse, stijf

gesteven zusters en niks Cliniclowns. Ik leerde daar wat 'keten' was, iets

dat je als enig kind thuis niet kende.

De operatietafel maakte een einde aan de welwillende houding van dit

patiëntje. De verdoving met het toen voor de hand liggende etherkapje viel

helemaal verkeerd en ik werd er doodziek van: woelend en ijlend in het bed

en maar braken. Van de operatie heb ik nooit last gehad, maar voor ether had

ik definitief heilig ontzag -- of afkeer.

Ik was nog niet van ziekenhuizen af. Kleinigheid: appendix. Deze keer de

Joodse Invalide, weer eens 'n ander ziekenhuis. Dat heette natuurlijk in

1965 niet meer de Joodse Invalide, maar bij ons thuis nog wel. De zalen

waren hier zo mogelijk nog groter, met tientallen bedden in twee lange rijen

en schraagtafels met banken in het midden. De operatie stelde niet veel

voor, maar ik vond het nodig te benadrukken dat ik niet tegen ether-narcose

kon en dat ik de toen al alternatieve geïnjecteerde verdoving wilde. Wie het

maar horen wilde had ik dat op het hart gedrukt. Op de operatietafel

aangekomen kreeg ik in een bliksemsnelle beweging ferm een etherkapje op

mijn gezicht gedrukt en al sputterend ging ik onder zeil. Mijn kersverse

echtgenote dacht dat ik die nacht het leven zou laten.

Theo Bakker
Delen: