Stadslegenden: Het klein Trippenhuis

Zo breed als de voordeur van het Trippenhuis


Voorbij de helft van de Gouden Eeuw woonden in Amsterdam twee broers die in kanonnen en mortieren handelden en daar een fortuin mee verdienden. Hendrick en Louis Trip, zo heetten ze, waren niet de meest bescheiden Amsterdammers. Hun rijkdom moest wel gezien worden, vonden ze. Aan de rand van de stad, op de Kloveniersburgwal, lieten de broers voor hun gezinnen het allergrootste dubbele woonhuis van de stad bouwen: het Trippenhuis. Tijdens de bouw, zo wil het verhaal, kwam de jonge koetsier van een van beiden regelmatig naar de vorderingen kijken, vaak vergezeld door zijn verloofde. Het stel wilde graag trouwen, maar kon met hun schamele inkomen geen goed huis vinden. "Hadden we maar een huis zo breed als voordeur van het huis van mijn meester!", riep hij daar op een dag wanhopig uit. Prompt werd hij op zijn schouder getikt, hij draaide zich om en keek verbijsterd in het gezicht van zijn deftige baas. "Als je dat werkelijk wil, mag bouwmeester Vingboons van de overblijvende stenen een huisje van die breedte voor jullie bouwen." En zo geschiedde.


Dagelijks wordt dit verhaal door rondvaartgidsen aan de toeristen opgedist. Er zijn wat kleine varianten. Soms is de koetsier een dakloos geworden oud mannetje, een andere keer is hij een bediende. De gidsen vertellen er vaak bij dat het huisje van de twee geliefden het smalste huis van Amsterdam is. Om daarmee te beginnen: dat klopt niet. De voorgevel van Kloveniersburgwal 26, alias het Klein(e) Trippenhuis is 2,37 meter breed, terwijl Oude Hoogstraat 22 2,20 meter breed is, Singel 166 1,80 meter en het Singel 7 – het allersmalst – één meter.
En wat klopt er van de ontstaansgeschiedenis? Om aan de overkant te beginnen: ja, het uitzonderlijk brede pand Kloveniersburgwal 29 werd (van 1660 en 1662) gebouwd voor Lodewijk (Louis) en Hendrick Trip, die als ijzer- en wapenhandelaren in het voetspoor waren getreden van hun oom Louis de Geer (de bouwheer van het Huis met de Hoofden op de Keizersgracht) en nóg rijker geworden dan hij. Dat fortuin verdienden de broers niet in de laatste plaats door hun – zeg maar – pragmatische instelling: hun kanonnen en mortieren leverden ze niet alleen aan de eigen Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden maar ook aan vijandige naties. Wat te doen met zoveel geld? De gebroeders vonden het tijd een huis te laten bouwen dat bij hun status paste: een dubbelhuis achter één statige, classicistische gevel. De woningen werden precies in het midden gescheiden door een zware tussenmuur en de plattegronden van beide delen waren elkaars spiegelbeeld. Hendrick betrok het linkerdeel, Louis het rechter.
Wat ook klopt: beide voordeuren van het Trippenhuis zijn ieder (de deurkozijnen meegeteld) bijna even breed als het Klein Trippenhuis, namelijk 2.28 meter. En zowel het grote als het Kleine Trippenhuis is gebouwd van het kostbare Bentheimer zandsteen. De opmerkelijke smalheid van het pand, goed zichtbaar vanaf het water, zal passanten hebben geïntrigeerd. Net als het feit dat zo'n klein huisje toch zo sierlijk was vormgegeven en uit hetzelfde dure zandsteen opgetrokken. Die dubbele verbazing zal hebben geïnspireerd tot het populaire verhaal over het ontstaan van het Klein Trippenhuis.

Poetsvrouw
Er zijn ook enkele veel minder bekende, alternatieve verklaringen. Er zou ruzie zijn geweest tussen architect Vingboons en zijn opdrachtgevers. De bouwmeester wilde een koepeltje midden op het dak, zo een als op het stadhuis. Maar dat vonden de Trippen te duur of bouwtechnisch te riskant. Vingboons eiste daarop het overgebleven bouwmateriaal op en zette aan de overkant een extra kunstwerkje neer, gewoon om even zijn niet op waarde geschatte vakmanschap te demonstreren. Inderdaad komt op sommige bouwtekeningen een koepeltje voor, maar van het verhaal is niets waar. Want het Trippenhuis werd voltooid in 1662 en het Klein Trippenhuis blijkens het jaartal in de geveltop pas in 1696 – toen waren Hendrick en Louis al vele jaren dood... En daarmee sneuvelt ook het mooie praatje van de rondvaartgidsen.
Een stuk waarschijnlijker is in dat opzicht een derde verhaal. Het huisje zou zijn gebouwd in opdracht van Matthias Trip (1648-1695), de oudste zoon van Hendrick. En wel voor zijn schoonmaakster, met wie hij een affaire had, reden voor zijn echtgenote Margaretha om de poetsvrouw uit huis te zetten. In haar nieuwe onderkomen begon de verjaagde minnares een 'winckeltje in soetigheden'. Gezien zijn sterfjaar heeft Matthias daarvan weinig meer geproefd. Maar ook die geschiedenis rammelt. De minnares werd in ieder geval niet het Trippenhuis uitgezet, want sinds 1683 bewoonden Matthias en Margaretha Keizersgracht 643.

Topje
Tot slot: hoe oud alle verhalen zijn, is onduidelijk. De oudste vermelding van de koetsierlegende is betrekkelijke jong: in de eerste editie van de bekende Historische Gids van Amsterdam van A.E. d'Ailly van 1929. Opmerkelijk genoeg ontbreekt het Klein Trippenhuis in de Gids voor Schoolwandelingen door Amsterdam en omstreken uit 1898. Maar natuurlijk is het denkbaar dat de verhalen al veel langer werden doorverteld, maar niet op schrift gesteld.
Als die verhalen niet al te waarschijnlijk zijn, dan is natuurlijk de volgende vraag: hoe ging het écht? Helaas weten we daar niets van. Zelfs het jaartal 1696 op de geveltop roept vragen op. Denkbaar is dat die top jonger is dan de rest van het pand.
Het eerste bekende feit over het pandje van na 1696 dateert uit 1734: toen ging Jan Nachtglas, eigenaar van "dit het huisje op de Kloveniersburgwal" in ondertrouw met Andrea Boekman. Nachtglas bleef eigenaar tot 1770. Wie er echt woonde en werkte? We weten we niks tot ongeveer 1850. Toen bleek er een winkel te zitten. In 1869 was het een textielzaak, later kwamen er onder meer een kruidenier, een kapper en een sigarenboer, tot Nico Duivis hier in 1937 zijn kaashandel vestigde, die in 1944 een chocolaterie werd en tot 1971 bestond. Sinds 2002 huisvest het Klein Trippenhuis een winkel in sexy lingerie. De brave koetsier zou er van gebloosd hebben.

Delen: