Stadslegenden: Het huis met de bloedvlekken

Hartenkreten in bloed

Amstel 216 is een pand met een bewogen geschiedenis. In het laatste kwart van de 17de eeuw woonde hier een bijzondere regent, Coenraad van Beuningen. Na zijn ontslag uit het stadsbestuur brachten een slecht huwelijk en financiële tegenslagen hem tot complete waanzin. Zijn laatste levensjaren sleet hij voor zijn eigen veiligheid vastgebonden, geplaagd door het personeel en geslagen door zijn echtgenote. Als hij wist los te breken, liep hij schreeuwend in zijn nachthemd als onheilsprofeet door de straten. Op een kwade dag bekladde Van Beuningen de gevel van zijn particuliere gevangenis met tekeningen, woorden en meetkundige figuren in zijn eigen bloed. Ze zijn vervaagd maar nog altijd te zien op de benedenmuur van Het Huis met de Bloedvlekken aan de Amstel.

De oorsprong van het verhaal over Coenraad van Beuningens krankzinnige daad is exact te dateren. In 1937 ontvouwde Abraham Mordechai Vaz Dias (1876-1939), een Joodse sigarenfabrikant en amateurhistoricus, in dagblad De Telegraaf een aannemelijke theorie over de bloederige 17de-eeuwse graffiti. Vaz Dias was een archieftijger die zich vooral bezighield met de geschiedenis van de Portugese gemeente. Hij weerlegt eerst een Joodse oorsprongsmythe van de Hebreeuwse tekens op het huis aan de Amstel, gebaseerd op de 19de-eeuwse historische roman Episode uit het leven van rebbe Awroom Prins uit 1877.
Dit verhaal van L.B. Perel over de tragische ondergang van een Poolse Jood speelde zich af rond 1830. De hoofdpersoon is de vader van een afvallige dochter en eindigt als zonderlinge zwerver en bedelaar in Amsterdam. Voor het huis van een landgenoot (een schilder) op Amstel 216 raakt hij in een trance. Met rood krijt schrijft hij kabbalistische voorspellingen op de gevel. Hij sterft hierna aan de cholera, maar de door hem achtergelaten tekens bleven voor altijd zichtbaar. In de overlevering is het rode krijt in bloed veranderd, waarmee de legende nog aantrekkelijker was geworden. Bloedletters kunnen immers nooit meer uitgewist worden. En inderdaad: in 1937 waren de natuurstenen muren gezandstraald, maar behielden de tekens hun zichtbaarheid.


Driemaster
In De Telegraaf verwijst Vaz Dias de Joodse volkslegende naar het rijk der fabelen. Zo zijn de muurtekens duidelijk van veel vroeger datum dan de eerste helft van de 19de eeuw. De verwijzing naar het huis aan de Amstel diende slechts om het verhaal over Napthalie "een sterk sprekend cachet van waarheid te geven". Wie zat er dan achter de graffiti? Volgens mythedoder Vaz Dias was de dader een baldadig straatschoffie of een geesteszieke persoon. Gezien het hoge niveau van de muurtekens en het gebruik van Hebreeuws was die eerste categorie onwaarschijnlijk. Bovendien stond er tussen de Hebreeuwse letters, pentagram en een driemaster een naam: die van de voormalige bewoner 'Van Beuningen'. De veelzijdige en intelligente staatsman Coenraad van Beuningen was van jongs af aan geïnteresseerd in de mystiek, bovendien had hij al vroeg een zwaarmoedige kant. Na het doorlopen van de Latijnse school studeerde hij rechten in Leiden, waar hij in aanraking kwam met de Rijnsburger Collegianten. Aanhangers van deze ruimdenkende religieuze stroming streefden een universeel christendom na, zonder dogma's en met de nadruk op rechtstreeks contact met God.
Zijn behoefte aan rust en meditatie sloot goed aan bij de levenshouding van de Collegianten. Om in zijn onderhoud te voorzien moest hij echter naar buiten treden. Na de studie ging hij als diplomatiek secretaris in de leer bij Hugo de Groot in diens ballingsoord Parijs. Terug in Amsterdam wist hij halverwege de 17de eeuw op te klimmen van secretaris tot stadspensionaris. Met wisselend succes ondernam Van Beuningen diplomatieke reizen naar het Oostzeegebied, Frankrijk en Engeland. Eenmaal terug in zijn thuisstad bracht hij het tot burgemeester. Op het stadhuis leverde hij onder meer een vergeefse strijd tegen de hoge uitgaven aan copieuze maaltijden.
Met de tegenstrever van de Amsterdamse regenten stadhouder Willem III kon Van Beuningen het uitstekend vinden. Totdat zij het in 1683 aan de stok kregen over de houding tegenover de krijgszuchtige Franse koning Lodewijk XIV en het op sterkte houden van het Staatse leger. Van Beuningen had genoeg van de bestuurlijke besognes en vroeg ontslag aan als burgemeester en vroedschapslid. Het stadsbestuur zat hiermee in de maag, want een regentenambt was eervol en voor het leven. Een officieel besluit over zijn ontslag is nooit gevallen, maar hij mocht uiteindelijk toch vertrekken.
Vanaf 1686 huurde Van Beuningen als ambteloos burger het monumentale pand Amstel 216, gebouwd door Adriaan Dortsman. Hier ging hij wonen met zijn kersverse bruid, de 46-jarige Jacoba Victoria Bartolotti. Zij genoot een slechte reputatie. Huwelijksperikelen en onfortuinlijke beursspeculaties dreven hem langzamerhand tot waanzin. Van Beuningen had een brede interesse in occulte zaken, zoals chiliasme of eindtijdverwachting, astrologie, droomduiding en wonderen. Hij schreef een verward betoog over het Duizendjarig Rijk, dat nabij zou zijn. Op straat begon hij rond te zwerven als onheilsprofeet en via 'zendbrieven' probeerde hij joden te bekeren tot het christendom.
Vanwege zijn krankzinnigheid werd de voormalige burgemeester in 1688 opgesloten in zijn eigen huis. Hij werd bewaakt door zeven knechten onder leiding van een man met de kracht van 'Samson'. Toch was hij kennelijk in staat zijn particuliere gevangenis te verlaten, bijvoorbeeld tijdens wandelingen naar zijn drukker in de Jordaan. Vóór zijn overlijden, op 26 oktober 1693, moet Van Beuningen zijn verhuisd naar een kleinere woning, eveneens aan de Amstel. Bij het inventariseren van zijn nalatenschap schopte zijn weduwe nog een scène.


'Snijdend hoongelach'
Rechtstreeks bewijs van de relatie tussen van Beuningen en de tekens op de muur van Amstel 216 is niet overgeleverd. Evenmin is er vergelijkend grafologisch onderzoek naar gedaan. Wel bevatten de inscripties voldoende aanwijzingen naar de 17de-eeuwse regent, meende Vaz Dias. Behalve Van Beuningens eigen naam is links van de ingang ook die van zijn echtgenote Jacoba te onderscheiden, terwijl het getekende scheepje kan refereren aan zijn speculaties met VOC-aandelen en hebben de Hebreeuwse tekens mogelijk betrekking op de komst van het Duizendjarig Rijk. In 1943 kopieerde Amsterdamvorser Marinus Emeis de bloedvlekkentheorie van Vaz Dias in zijn Telegraaf-rubriek 'Ken je Amsterdam', overigens zonder enige bronvermelding. Ook in latere krantenberichten werd het verhaal herhaaldelijk opgewarmd.
In de loop der tijd begonnen de inscripties te vervagen, mede door al te fanatieke schoonmaakacties. In 1953 luidde historicus Richter Roegholt de noodklok. Hij liet Hugh Jans, de vaste illustrator van Het Vrije Volk, een reconstructie van de graffiti maken zodat deze bewaard zou blijven. Om verdere slijtage en beschadigingen aan het origineel te voorkomen, wilden erfgoedbeschermers een speciale glazen plaat tegen de gevel laten plaatsen, maar die is er nooit gekomen. Sceptici denken dat er helemaal geen sprake is van bloedvlekken, maar van rood krijt. Romantici weten de legende juist nog verder te verfraaien. Zelfbenoemd spokenjager Richard Meijer vertelde Het Parool in 2004 bijvoorbeeld over een "snijdend hoongelach" dat buurtbewoners en nachtelijke wandelaars zou opschrikken. Ook wees Meijer op het opmerkelijk hoge aantal verkeersongevallen bij het pand met de bloedvlekken. Dat kan toch geen toeval zijn?

Tekst: Maarten Hell - historicus.

Beeld: Coenraad van Beuningen, Amsterdam Museum.

Delen:

Buurten:
Centrum
Dossiers:
Amsterdammers
Editie:
Maart
Jaargang:
2016 68
Rubriek:
In beeld
Tijdperk:
1600-1700